Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3409

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
13-309204-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OLWArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 29, tweede lid, OLWArt. 23 OLWArt. 22, eerste en derde lid, OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Europees aanhoudingsbevel wegens onvoldoende garanties detentieomstandigheden in Frankrijk

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Frankrijk voor de overlevering van een Syrische verdachte. Na eerdere tussenuitspraak waarin het individuele gevaar van schending van grondrechten in Franse detentie werd vastgesteld, werd de beslissing over overlevering aangehouden in afwachting van aanvullende informatie over detentieomstandigheden.

De Franse autoriteiten verstrekten gegevens over de penitentiaire inrichting Lille-Annoeullin, waar de verdachte vermoedelijk geplaatst zou worden. Deze informatie toonde een hoge bezettingsgraad en een gebrek aan garanties over de minimale persoonlijke ruimte die de verdachte zou krijgen. De officier van justitie stelde dat op basis van de cijfers een berekening mogelijk was die voldoende ruimte zou aantonen, maar de rechtbank oordeelde dat het niet aan haar is om zelf een dergelijke berekening te maken.

De rechtbank concludeerde dat de verstrekte informatie onvoldoende was om het risico op onmenselijke of vernederende behandeling uit te sluiten. Omdat de redelijke termijn voor een beslissing was verstreken en geen wijziging van omstandigheden was gebleken, gaf de rechtbank geen gevolg aan het EAB en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering, waarmee de overleveringsprocedure werd beëindigd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk en wijst het Europees aanhoudingsbevel af wegens onvoldoende garanties over detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-309204-25
Datum uitspraak: 31 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 24 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 november 2025 door
the Public Prosecutor at the Judicial Court of Dunkirk,Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] (Syrië),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 20 januari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 20 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, advocaat in Veenendaal.
De opgeëiste persoon bevond zich niet langer in overleveringsdetentie, aangezien hij op 18 december 2025 door de officier van justitie in is vrijheid gesteld, vanwege het verstrijken van de bewaringstermijn.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Zitting van 17 maart 2026
Op de zitting van 17 maart 2026 heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman, mr. Van Schaik.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Syrische nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 3 februari 2026

Bij tussenuitspraak van deze rechtbank van 3 februari 2026 [3] is al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten. Hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro: Franse detentieomstandigheden

Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in rubriek 5 van voornoemde tussenuitspraak van 3 februari 2026. De overwegingen in deze rubriek dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. De rechtbank heeft in deze tussenuitspraak onder meer geoordeeld dat er sprake is van een individueel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon in detentie in Frankrijk als de overlevering zou worden toegestaan. De rechtbank heeft daarom de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aangehouden.
Op 17 maart 2026 is aanvullende informatie ontvangen van de Franse autoriteiten, te weten een brief van 27 februari 2026 van de uitvaardigende justitiële autoriteit. In deze brief is onder meer de volgende aanvullende informatie verstrekt:
(..)
In light of the above-mentioned criteria, the Public Prosecutor’s Office of Dunkirk is able to indicate that [opgeëiste persoon] would, in principle, be placed in the Lille-Annoeullin remand prison, located within the jurisdiction of the Court of Appeal of Douai, whose occupancy rate was, as of 1 December 2025, 162%, according to the French standards for calculating prison occupancy rates.
(..)
the French authorities are not in a position to provide the guarantees requested regarding the minimum surface area that will be available to the detainee upon his surrender to the French judicial authorities.
(..)
The Lille-Annoeullin Penitentiary Centre includes a “men’s remand section” (MAH) intended for persons awaiting trial, as is the case for [opgeëiste persoon].
The men’s remand section contains 373 cells for an operational capacity of 429 places.
The adult men’s remand section comprises:
-
273 cells with a surface area of 10 to 11 m², with a theoretical capacity of one place, equipped with two beds;
-
7 cells with a surface area of 12 to 13 m², with a capacity of two places, equipped with two beds;
-
73 cells with a surface area of 13 to 14 m², with a theoretical capacity of two places, equipped with two beds.
-
15 cells with a surface area of 14 to 19 m², with a theoretical capacity of three places, equipped with two beds and accommodating no more than two detainees.
-
5 cells designed to accommodate persons with reduced mobility, with a surface area of 19 to 24 m² and a capacity of one place.
As of 1 January 2026, the men’s remand section of the Lille-Annoeullin Penitentiary Centre had an occupancy rate of 163%, corresponding to 699 detainees, which means that some detainees are placed in cells beyond their theoretical capacity.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vordering. Het is niet duidelijk waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst. Bovendien blijft onduidelijk hoeveel vierkante meter aan persoonlijke ruimte de opgeëiste persoon na overlevering zal krijgen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de aanvullende informatie volgt dat de opgeëiste persoon hoogstwaarschijnlijk zal worden geplaatst in Lille-Annoeullin. In 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:4047 en ECLI:NL:RBAMS:2024:5122) is geoordeeld dat in deze instelling geen sprake is van een algemeen gevaar. Later is in december 2025 geen gevolg gegeven aan een EAB ten aanzien van deze instelling (ECLI:NL:RBAMS:2025:10541). Ook is onlangs een verkorte overlevering niet toegestaan omdat niet voldoende zou zijn gegarandeerd dat de opgeëiste persoon 3 vierkante meter persoonlijke ruimte zou krijgen in een meerpersoonscel (exclusief sanitaire voorzieningen). [4] De verstrekte informatie maakt het echter mogelijk om zelf een berekening te maken van die hoeveelheid persoonlijke ruimte, waarbij de uitkomst van die berekening volgens de officier van justitie leidt tot meer dan vier vierkante meter. Omdat ook alle overige omstandigheden voldoen, kan de overlevering worden toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zich binnen de in de tussenuitspraak van 3 februari 2026 gestelde redelijke termijn van dertig dagen een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan, op grond waarvan het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is.
Hoewel duidelijk is geworden dat de opgeëiste persoon in geval van overlevering naar alle waarschijnlijkheid in de detentie-instelling in Lille-Annoeulin zal worden geplaatst, kan de rechtbank op basis van de verstrekte informatie niet vaststellen hoeveel persoonlijke ruimte daar wordt gegarandeerd voor de opgeëiste persoon. Zo is de concrete vraag hierover van het IRC – onder verwijzing naar de geldende criteria uit het arrest Dorobantu van het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:EU:C:2019:857) – niet beantwoord. De verstrekte informatie hierover bevat aldus onvoldoende precieze gegevens met betrekking tot de omstandigheden waar de opgeëiste persoon aan zal worden blootgesteld, terwijl het niet aan de rechtbank is om zelf een berekening te maken op basis van de verstrekte cijfers in combinatie met gegevens over de bezettingsgraad in de desbetreffende penitentiaire inrichting. [5] De rechtbank weet immers niet wat de impact van de overbevolking op de verdeling van de cellen is. Een geschatte berekening van de rechtbank over de vermoedelijke persoonlijke ruimte van de opgeëiste persoon is ook geen garantie dat de opgeëiste persoon die ruimte daadwerkelijk zal krijgen, omdat dat in de verstrekte informatie niet is toegezegd door de Franse autoriteiten.
De rechtbank is van oordeel dat de aanvullende informatie niet heeft geleid tot een wijziging in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW, terwijl de gegeven redelijke termijn in de zin van artikel 11, vierde lid, OLW inmiddels is verstreken.
De rechtbank zal daarom geen gevolg geven aan het EAB, gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW en zal op grond van artikel 11, vierde lid, juncto artikel 28, derde lid OLW de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee is de overleveringsprocedure beëindigd.

5.Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 11 OLW Pro.

6.Beslissing

GEEFTmet toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW
geen gevolg aan het EAB;
VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijkin de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 31 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
4.Parketnummer: 13-040966-26.
5.Vergelijk rb. A’dam, 4 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6458.