Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3421

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
12007675 \ CV EXPL 25-17085
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWRichtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing consumentenrecht en oneerlijke bedingen inzake incassokosten en proceskosten

De zaak betreft een vordering van MIJN BLOKJE OSDORP B.V. tegen een consument, waarbij de gedaagde niet is verschenen en verstek is verleend. De rechtbank toetst ambtshalve de overeenkomst aan het consumentenrecht, waaronder de informatieplichten en de Richtlijn 93/13 EG over oneerlijke bedingen.

De rechtbank oordeelt dat de informatieplichten uit artikel 6:230l BW zijn nageleefd en dat het kernbeding over de prijs duidelijk en begrijpelijk is, waardoor verdere toetsing niet nodig is. De gevorderde hoofdsom en de rente, die is gekoppeld aan de wettelijke rente, worden toegewezen.

Echter, de bedingen in de overeenkomst die alle buitengerechtelijke incassokosten en gerechtelijke kosten bij de consument leggen, worden als oneerlijk beoordeeld omdat zij afwijken van dwingend recht en de consument onredelijk belasten. De rechtbank verwijst naar recente jurisprudentie van de Hoge Raad en het Europese Hof van Justitie en laat deze bedingen buiten toepassing. De zaak wordt verwezen voor een akte van uitlating door eisende partij, waarna verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: Hoofdsom en rente toegewezen, bedingen over incassokosten en proceskosten oneerlijk verklaard en buiten toepassing gelaten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12007675 \ CV EXPL 25-17085
Vonnis van 20 januari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MIJN BLOKJE OSDORP B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: ARAG Rechtsbijstand,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 november 2025, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt is gesloten tussen eisende partij als handelaar en gedaagde partij als consument. In dat geval moet ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht. Ambtshalve moet worden onderzocht of eisende partij haar informatieplichten heeft nageleefd. Verder moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.2.
Gelet op de in de dagvaarding gestelde wijze van totstandkoming van de overeenkomst, gaat het om een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte, zodat de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing zijn. Eisende partij heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat zij aan deze informatieplichten heeft voldaan. Alle essentiële informatie voortvloeiend uit artikel 6:230l BW is ook in de overeenkomst opgenomen. Eisende partij heeft dan ook voldaan aan haar informatieplichten.
2.3.
De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op een kernbeding van de overeenkomst. Ambtshalve toetsing van kernbedingen is ingevolge artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn alleen aan de orde als deze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Nu het onderhavige kernbeding over de prijs duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd, is verdere toetsing aan de richtlijn niet aan de orde.
2.4.
Uit de facturen waarvan betaling wordt gevorderd blijkt dat de prijzen niet zijn verhoogd, zodat het prijswijzigingsbeding niet hoeft te worden getoetst.
2.5.
Het voorgaande leidt tot toewijzing van de gevorderde hoofdsom.
2.6.
In de algemene voorwaarden staat in artikel 17 lid 5 een Pro rentebeding. Dat beding moet worden getoetst, omdat eisende partij aanspraak maakt op rente. Nu in het beding voor de rente wordt verwezen naar en aangesloten bij de wettelijke rente, is het rentebeding niet oneerlijk. De gevorderde rente over de hoofdsom is dan ook toewijsbaar.
2.7.
Eisende partij maakt verder aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en op proceskosten. Zij heeft echter bedingen in de overeenkomst staan, die zij aan deze vorderingen ten grondslag legt of had kunnen leggen. Deze staan in de overeenkomst zelf. De bedingen luiden:
In aanvulling op c.q. in afwijking van de algemene voorwaarden voor Kinderopvang, die op deze plaatsingsovereenkomst van toepassing zijn, geldt het navolgende:
(…)
4.4
Alle buitengerechtelijke en gerechtelijke (incasso)kosten die door kinderopvang Mijn Blokje worden gemaakt teneinde nakoming van de verplichting(en) van de contractant te bewerkstelligen, komen ten laste van de contractant.
2.8.
Uit het geciteerde artikel blijkt dat bewust is afgeweken van de bepalingen over buitengerechtelijke kosten en gerechtelijke kosten in de algemene voorwaarden, maar ook als dat niet het geval zou zijn, geldt het navolgende.
2.9.
Nu is bedongen dat alle gemaakte buitengerechtelijke kosten bij de consument in rekening kunnen worden gebracht, zonder nadere handelingen en ook zonder limiet, wordt ten nadele van de consument afgeweken van de wettelijke regeling, die van dwingend recht is. Het beding is daarom oneerlijk. In dit verband wordt ook verwezen naar ECLI:NL:HR:2023:198.
2.10.
Voor de gerechtelijke kosten (proceskosten) geldt in essentie hetzelfde. Het beding over gerechtelijke kosten geeft eisende partij de mogelijkheid om alle door haar gemaakte kosten in rechte bij de consument in rekening te brengen. Dus ook de volledige kosten van bijvoorbeeld een advocatenkantoor. Dat is normaal gesproken slechts voorbehouden aan zeer bijzondere omstandigheden, zoals misbruik van recht. Een beding op grond waarvan alle gerechtelijke kosten bij de consument in rekening kunnen worden gebracht is als oneerlijk aan te merken. Dat is door de Hoge Raad bevestigd (ECLI:NL:HR:2025:820).
2.11.
Nu de bedingen oneerlijk zijn, moeten ze buiten toepassing worden gelaten. Terugvallen op de wettelijke regelingen te dien aangaande is in dat geval niet meer mogelijk. Dat volgt uit de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger). Dat heeft tot gevolg dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten en de proceskostenveroordeling ten laste van gedaagde partij zullen worden afgewezen.
2.12.
Voordat de kantonrechter genoemde bedingen buiten toepassing laat, wordt eisende partij in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.
2.13.
De zaak wordt verwezen naar de rol voor akte uitlating door eisende partij.
2.14.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
dinsdag 17 februari 2026 om 10.00 uurvoor akte uitlating eisende partij,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
991