Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3428

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
12017741 EA VERZ 25-1476
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BWArt. 7:660 BWArt. 7:670 lid 1 BWArt. 7:671b lid 9 sub a BWArt. 7:671b lid 9 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstig verstoorde arbeidsverhouding zonder ernstig verwijtbaar handelen

De Gemeente Amsterdam verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] wegens verwijtbaar handelen en een verstoorde arbeidsverhouding. [verweerder] betwistte dit en verzocht wedertewerkstelling en betaling van een hoger salaris.

Feiten tonen aan dat [verweerder] sinds 2015 in dienst was, een visuele beperking heeft en onvoldoende hulpmiddelen ontving, wat leidde tot frustratie en conflicten. Ondanks pogingen tot mediation bleef de arbeidsrelatie ernstig verstoord door onacceptabel gedrag van [verweerder] richting collega’s, waaronder grove beschuldigingen en dreigingen.

De kantonrechter oordeelde dat hoewel de werkgever tekort is geschoten in het tijdig leveren van hulpmiddelen en zorgvuldigheid, het verwijtbaar handelen van [verweerder] mede heeft bijgedragen aan de onwerkbare situatie. Er is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen door [verweerder], maar wel van een onherstelbare verstoring van de arbeidsrelatie. Herplaatsing is niet mogelijk.

De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 juni 2026. Wedertewerkstelling en billijke vergoeding worden afgewezen. [verweerder] krijgt een transitievergoeding van €22.832,42 bruto toegekend. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 juni 2026 wegens een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding zonder ernstig verwijtbaar handelen, met toekenning van transitievergoeding en afwijzing van wedertewerkstelling en billijke vergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 12017741 \ EA VERZ 25-1476
Beschikking van 1 april 2026
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon de GEMEENTE AMSTERDAM,
gevestigd te Amsterdam,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Gemeente Amsterdam,
vertegenwoordigd bij mr. C. Achthoven ,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. I.I. Feenstra.

1.De procedure

1.1.
Gemeente Amsterdam heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift met (voorwaardelijke) tegenverzoeken ingediend.
1.2.
Op 11 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens Gemeente Amsterdam zijn verschenen mr. C. Achthoven (hierna: Achthoven ), [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en [naam 3] (hierna: [naam 3] ). Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben partijen aanvullende producties ingediend. [verweerder] heeft bezwaar gemaakt tegen de door Gemeente Amsterdam ingediende aanvullende producties, omdat deze haar niet waren toegestuurd. De kantonrechter heeft [verweerder] in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van deze producties tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling en er daarna op te reageren. De door Gemeente Amsterdam ingediende aanvullende producties worden daarom toegelaten tot het procesdossier. Partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten toegelicht, de gemachtigden mede aan de hand van pleitaantekeningen, en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Vervolgens is een datum voor beschikking bepaald.

2.De feiten

2.1.
[verweerder] , geboren 1 augustus 1976, is sinds 1 januari 2015 in dienst bij Gemeente Amsterdam. Op de arbeidsovereenkomst is de cao PGA van toepassing.
2.2.
[verweerder] heeft een visuele beperking.
2.3.
Op 1 januari 2015 is [verweerder] in dienst getreden in de functie van [functie 1] bij de afdeling [afdeling] (hierna: [afdeling] ).
2.4.
In 2018 en2019 is [verweerder] voor haar functioneren beloond met een extra periodiek, toelagen en een gratificatie.
2.5.
In 2021 is [verweerder] erkend als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Het dossier van [verweerder] met betrekking hiertoe is in behandeling genomen door het cluster dat onderdeel uitmaakte van de afdeling [afdeling] , waardoor collega’s haar dossier hebben kunnen inzien.
2.6.
Doordat [verweerder] niet beschikte over de benodigde hulpmiddelen om haar functie goed uit te voeren, en haar dossier met betrekking tot de toeslagenaffaire bij [afdeling] was terechtgekomen, heeft zij aan haar vertrouwenspersoon laten weten dat zij niet langer binnen [afdeling] wilde werken.
2.7.
Sinds 1 juli 2022 is [verweerder] [functie 2] binnen stadsdeel Noord. Haar leidinggevende was vanaf dat moment [naam 4] (hierna: [naam 4] ).
2.8.
In juli 2022 heeft de organisatie Visio in opdracht van Gemeente Amsterdam een werkplekonderzoek gedaan ten aanzien van de indeling van de nieuwe werkplek van [verweerder] bij stadsdeel Noord. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat [verweerder] een laptop nodig had met daarbij een numeriek toetsenbord en daarop het hulpprogramma Supernova.
2.9.
In juni 2023 heeft [naam 4] een laptop voor [verweerder] aangevraagd. [verweerder] heeft op 5 juli 2023 de laptop opgehaald, waarbij haar is meegedeeld dat het programma Supernova op de laptop was geïnstalleerd. [verweerder] heeft vervolgens verschillende keren aan Gemeente Amsterdam laten weten dat het haar niet lukte om het programma Supernova te gebruiken, waarna zij steeds naar de afdeling ICT is verwezen. Volgens de afdeling ICT zou Supernova zijn geïnstalleerd.
2.10.
[verweerder] heeft in de jaren hierna nog herhaaldelijk aan Gemeente Amsterdam laten weten dat zij niet over de juiste hulpmiddelen beschikte en niet de goede administratieve ondersteuning kreeg.
2.11.
[verweerder] heeft zich op 23 oktober 2023 ziekgemeld.
2.12.
Op 1 februari 2024 is [verweerder] gestart met re-integratiewerkzaamheden bij de werkgroep Inclusie en Diversiteit onder leiding van [naam 5] (hierna: [naam 5] ). Vanaf dat moment is [naam 6] (hierna: [naam 6] ) de casemanager van [verweerder] .
2.13.
Eind februari 2024 heeft [verweerder] aan [naam 5] laten weten dat zij niet meer verder wil re-integreren bij de werkgroep Inclusie en Diversiteit, maar haar werkzaamheden als [functie 2] weer wil oppakken.
2.14.
In maart 2024 heeft [verweerder] verschillende e-mails gestuurd aan [naam 18] (stadsdeelsecretaris van stadsdeel Noord), waarin zij aan hem onder meer heeft laten weten niet tevreden te zijn met [naam 6] . Zo schrijft zij over [naam 6] onder meer: “
Ze maakt het oprecht complexer vooral voor zichzelf en voor het stadsdeel [naam 18] . (…) Het mandaat dat je [naam 6] [ [naam 6] , ktr] hebt gegeven betreft niet het schenden van mijn privacy krijg ernstige berichten wat er achter mijn blinde rug getracht word [sic] te bereiken toch [naam 6] ?”. In een ander bericht schrijft ze onder meer: “
Het is erg jammer dat ik niet welkom en word enorm getreiterd en meer vandaar ook dat ik naar onze db [dagelijks bestuur, ktr] en naar de pers hoop dat je dat begrijpt onze gs [gemeentescretaris, ktr] begrijpt mij wel” en in nog een ander bericht: “
Mijn achterban en ik zijn niet zo tevreden met [naam 6] . Ze regelt niks en vertraagt dat dat mijn rechten zijn. Voel me zeer onveilig en geprovoceerd door haar”. Daarnaast heeft zij [naam 18] verzocht haar salaris aan te passen en haar in schaal 11 te plaatsen, omdat dit volgens haar was afgesproken.
2.15.
Op 23 maart 2024 heeft [verweerder] zich volledig hersteld gemeld.
2.16.
Enkele dagen voor 30 april 2024 heeft de tijdelijk leidinggevende van [verweerder] , [naam 7] , in de Whatsappgroep “ [functie 2] noord” gestuurd dat [verweerder] een nieuwe opdrachtgever heeft en geen projecten meer zal doen voor de gebiedspool.
2.17.
Op 30 april 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] , [naam 18] , [naam 6] en [naam 3] . Tijdens dit gesprek heeft [naam 18] aan [verweerder] laten weten dat zij niet meer kan terugkeren binnen stadsdeel Noord, omdat diverse collega’s hebben aangegeven niet meer met haar te willen samenwerken en zich beschadigd te voelen door haar beschuldigingen en bedreigingen. Vervolgens heeft [verweerder] de gespreksruimte verlaten.
2.18.
Bij e-mail van 1 mei 2024 heeft [naam 18] aan [verweerder] laten weten dat hij het besluit om [verweerder] niet te laten terugkeren binnen het stadsdeel Noord nog niet volledig heeft kunnen uitleggen en hij heeft haar daarom opnieuw uitgenodigd voor een gesprek.
2.19.
Bij e-mail van 3 mei 2024 heeft [verweerder] met in de cc mr. R.A.M. Koolen (de advocaat waarvan later is gebleken dat die [verweerder] bijstaat in de toeslagenaffaire, hierna: Koolen) onder meer als volgt gereageerd:
“(…) Je provocatie van afg di heeft er toe geleid dat de druk in mijn hoofd ongekend hoog is, Ik zal in bezwaar en beroep gaan tegen jou besluit waar niks van klopt!
Ik ben beschikbaar voor mijn werk en zal niet vertrekken uit noord tot dat de rechter een vonnis uitspreekt. (…)”
2.20.
Bij brieven van 28 mei 2024 en 5 juni 2024 heeft [naam 18] aan [verweerder] voorgesteld om mediation in te zetten, om de dreigende impasse te doorbreken en onder leiding van een onafhankelijke derde de mogelijkheden te onderzoeken hoe verder te gaan.
2.21.
Bij e-mail van 6 juni 2024 heeft [verweerder] aan [naam 18] laten weten dat zij openstaat voor mediation tussen haar als slachtoffer en [naam 4] als dader.
2.22.
Bij e-mail van 4 juni 2024 heeft Achthoven onder meer het volgende aan Koolen gestuurd:
“(…) Zojuist hebben wij elkaar telefonisch gesproken. Ik gaf aan u benaderd te hebben omdat mij onlangs is gevraagd om met een juridische blik naar de huidige situatie rondom mevrouw [verweerder] te kijken. Omdat uw naam ook een aantal keren in emailberichten van- en aan mevrouw [verweerder] staat vermeld, wilde ik u namens (samengevat) ‘de werkgever’ laten weten dat wij denken dat nu eerst een (aantal) gesprek(ken) -dat in een veilige sfeer en onder leiding van een neutrale onafhankelijke derde gevoerd kan worden- op zijn plaats is. (…)”
2.23.
Bij e-mail van 12 juni 2024 heeft [verweerder] aan Achthoven onder meer geschreven:
“Waarom bel jij mijn advocaat? Dit is echt het toppunt van schending van mijn privacy schenden. Je hebt een klacht gewonnen Cindy en je hoort van de ombutsman en stop met mijn advocaat te bellen. [sic]”Achthoven reageert daarop dat zij graag wil uitleggen waarom zij Koolen heeft benaderd en dat zij dit met de beste intenties heeft gedaan. In reactie daarop schrijft [verweerder] diezelfde dag nog onder meer:
“Totaal geen behoefte aan wat jij hebt gedaan is strafbaar en ga hier ook aangifte van doen dit is strafrecht collega. Beste intenties heb je niet anders waren mijn hulpvragen rechten en besluit opgepikt en opgestuurd, daarbij jok je tegen mijn advocaat en probeert hem te manipuleren, wat een lef en wij kennen elkaar niet eens.”
2.24.
Bij e-mail van 17 juni 2024 heeft [verweerder] aan [naam 6] onder meer het volgende geschreven:
“(…) Kun je mij en mijn achterban vertellen wat jou functie is binnen onze organisatie en in stadsdeel west is?
Heb je ook de naam van jou leidinggevende en welke afdeling?
Verder zou je zoals toegezegd alle communicatie met [naam 14] verzuim arbo en bij deze uwv en ict nasturen, zou je dit als nog [naam 19] doen en mocht je verder nog partijen achter mijn rug zijn benadert behalve visio die me hiervan op de hoogte hebben gebracht dan horen we dit graag.
En mocht je nog steeds bezig zijn tegen mijn wil em gevoel van grote onveiligheid Dam wil ik je bij deze te stoppen, dit vraag ik al maanden heb me net een gedetineerde gevoeld zonder rechten im Een gesloten kamptraject met halsband, polsband en enkelbandje, zo heb ik en mijn achterban naar jou dus ook nogmaals nee tegen het plan van mt noord om jou mijn begeleiding maar een andere baan, je besproken rol was klein en simpel maar niks heb jij geregeld (…) Laatste voor nu, hoe komen jij en [naam 18] er toch bij dat jij [naam 6] mijn aanspreekpunt bent? Ik ben mijn eigen aanspreekpunt en woordvoerder (…)”
2.25.
Na correspondentie over en weer heeft [naam 2] als plaatsvervangend stadsdeelsecretaris van stadsdeel Noord bij brief aan Koolen van 26 juni 2024 namens Gemeente Amsterdam voor de vierde keer verzocht om met [verweerder] onder leiding van een mediator in gesprek te gaan.
2.26.
Diezelfde dag heeft [verweerder] per e-mail onder meer als volgt gereageerd:
“(…) Ongepast om meneer kolen weer te benaderen.
[naam 18] heeft mij gevraagd on zelf te kijken naar een mediator en ben nog bezig en zou het ook fijn vinden als ik zelf de mediator uit selecteer en maak gebruik van [naam 18] zijn aanbod hier toe. (…) Verder heb ik de laatste week een aanhoudende hoofdpijn en ervaar veel stress en heb het advies gekregen om rust te nemen dus het zou fijn zijn als al mijn vragen, klachten en rechten worden opgepikt voor het zomerreces en dan verwacht ik dat we half september om de tafel kunnen gaan zitten met een mediator slachtoffer en dader. (…)”
2.27.
Bij e-mail van 11 juli 2024 heeft [naam 2] aan [verweerder] onder meer nogmaals de vraag gesteld of zij onder leiding van een mediator in gesprek wil. Diezelfde dag stuurt [verweerder] verschillende e-mails, waarin ze aan [naam 2] onder meer schrijft:

Geeft het voldoening mij te treiteren? En steeds maar iets wat ik niet zie? Dieptriest hoe de mensheid is gezakt in hun moraal. Daarom deins ik zeker niet achteruit tot dat iedereen van deze polonaise verantwoordelijk is gesteld dat is mijn belofte aan iedereen die hier een onderdeel van is, echt een schande voor onze gemeente. (…)”
2.28.
Bij e-mail van 13 juli 2024 heeft [verweerder] aan [naam 4] onder meer het volgende geschreven:
“(…) Wat heb jij mij aangedaan??
Heb je 11 sept tijd om 9 voor mediation slachtoffer en dader?
Je hebt me 2 jaar achter mijn rug belachelijk gemaakt en niet alleen een schaal achtergesteld maar ook een periodiek van mijn bestaande salaris en ik ga dit alles jou onmogelijk vergeven.
Je bent een gevaar voor mijn gezondheid, carrière, reputatie en inkomen gebleken en dit al 2 jaar (…)
Jij hebt mij gegarandeerd en beloofd dat ik gelijkwaardigheid, acceptatie en veiligheid gegarandeerd, ben je ma op kantoor? Wil mijn inkomensverlies belastingvrij terug voor het zomerreces.
Stelen uit iemands portemonnee is diefstal is mij verteld en met vooringenomenheid samen met je manegtmentassistente die 10.10 haastig voorlas?
Met vooringenomenheid emisbruik van mijn vertrouwen en beperking vind ik strafrechtwaardig en dit is ook in onderzoek dan weet je dat. (…)”
2.29.
Bij e-mail van 14 juli 2024 heeft [verweerder] [naam 4] een mail van gelijke strekking gestuurd.
2.30.
Bij brief van 16 juli 2024 heeft [naam 18] [verweerder] een officiële waarschuwing gegeven. In de brief staat onder meer het volgende:
“(…) Na diverse schriftelijke berichten van mij waarin ik heb aangegeven dat alle communicatie via mij loopt en in mijn afwezigheid via [naam 2] , heb je zondag 14 juli wederom een mail verstuurd naar [naam 4] . De toon en beschuldigingen in je mail, vind ik onacceptabel. In je mail van 9 juli aan [naam 2] geef je aan dat je werkzaamheden hebt verricht voor stadsdeel Noord. Ik heb eerder mondeling en schriftelijk aangegeven dat je geen werkzaamheden voor stadsdeel Noord mag verrichten, zeker niet voordat wij hierover in gesprek zijn geweest in aanwezigheid van een mediator over, hoe nu verder.
[1e] officiële waarschuwing
Binnen de gemeente Amsterdam wordt bovengenoemde beschouwd als ongewenst gedrag. Daarom heb ik besloten om je een 1e officiële waarschuwing te geven op grond van de artikelen 7:611 en 7: 660 van het Burgerlijk Wetboek. (…)De toon van je mail(s) en de beschuldigingen vind ik ongewenst en vergroten de werkbelasting van andere collega’s. Het niet ingaan op mijn uitnodigingen voor een gesprek om afspraken te maken over hoe verder, maar wel collega’s blijven benaderen met vragen waar je al antwoord hebt ontvangen, is eveneens schadelijk voor de organisatie. (…) Daarom nodigen we je nogmaals uit om, na je vakantie begin september, op gesprek te komen in aanwezigheid van een mediator. (…) ”
2.31.
Op 26 juli 2024 heeft [verweerder] zich ziekgemeld.
2.32.
In de daaropvolgende maanden heeft [verweerder] verschillende spraak- en tekstberichten naar medewerkers van Gemeente Amsterdam gestuurd.
2.33.
Op 18 november 2024 heeft [verweerder] de bedrijfsarts bezocht. Uit de evaluatie van de bedrijfsarts blijkt dat de bedrijfsarts heeft geadviseerd [verweerder] incidenteel te voorzien van administratieve ondersteuning om gebruik te kunnen maken van de IT systemen.
2.34.
Bij brief van 27 november 2024 heeft [naam 18] [verweerder] een tweede officiële waarschuwing gegeven. In de brief staat onder meer: “
Afgelopen dagen heb je (spraak)berichten geappt naar verschillende medewerkers van stadsdeel Noord. De toon en beschuldigingen in deze berichten zijn onacceptabel. Je handelen schaadt de organisatie en direct betrokken collega’s.”
2.35.
Bij e-mail van 1 december 2024 heeft [naam 2] toegelicht welke spraak- en tekstberichten de grondslag vormen voor de tweede waarschuwing. In de e-mail staat het volgende:
“(…)
Whatsapp aan [naam 7] :
“…jouw geschreeuw en gespuug…”
“… je schijnt het leuk te vinden mij en public te vernederen”
“…je noemde mij stadsdeelonwaardig? Dat ben jij (…) jij hoort niet op die functies”
“shame on you…”
“bijna lachwekkend maar in alle ernst dieptriest”
Verder beschuldig je collega’s van “sabotage, leugens, laster”
Whatsapp aan [naam 8] :
-“je hebt helaas grove fouten gemaakt”
“hoe kan dit Patricia?”
“Sylvia heeft gejokt over de juiste schaal (…) en dat wist jij”
“Waarom heb jij mij een niet kloppende arbeidsovereenkomst laten ondertekenen? En waarom las je 10.10 op in plaats van 10.9 Patricia?”
“Er zal contact met je worden opgenomen over deze ernstige misstanden” (dit is een dreigement)
Whatsapp aan [naam 9]
“Jij kan benaderd worden over de nare discriminatie van [moskee] ” (dit is een beschuldiging en een dreigement)
“Achter mijn rug een moskee uitsluiten van een bewonersgroep is meer dan discriminatie” (dit is een beschuldiging)
Whatsapp aan [naam 5] (spraakbericht)
“je bent medeplichtig aan slijtage nek en hand (…)
“ik weet heel goed in welke hoeken je shopt (…) je weet heel goed dat ik alles van je weet, ik heb altijd met zes ogen naar je gekeken. [naam 10] zou zich in haar graf omdraaien voor wat er van jou terecht is gekomen. Jou neem ik heel veel kwalijk”
“Zijn jullie eerlijk geweest over de racistische opdrachtgever (…)
“(…) racistisch wit Noord, waar jij een dansje omheen doet, in de hoop dat je dan maar geaccepteerd blijf”
“Jij kiest er voor om weg te kijken”
“Racistische opdrachtgever [naam 11] ” (beschuldiging)
“Hulp aanbieden namens de Zionistische gemeente”
“(…) Moskeeën slachtoffer laten zijn van racistisch wit Noord”
“Een intelligente, blinde Marokkaan is best confronterend voor de witte polonaise waar jij omheen danst (…)”
2.36.
In juni 2025 stuurt [verweerder] verschillende spraak- en tekstberichten naar de gemeentesecretaris [naam 12] , waaronder op 25 juni 2025:
“(…) Ik wil je vragen om deze drie parasieten van mijn rug af te halen en mij een fatsoenlijke leidinggevende te geven met wie ik ook mijn medische situatie kan bespreken. (…) Kijk [naam 12] , ik kan je nu helpen om de schade te minimaliseren, maar dan ga ik alleen in gesprek met jou en ik zal je niet opnemen. Ik wil enkel mijn rechten en deze idioten van mijn rug. En ik wil dat ze verdwijnen. En eigenlijk het advies wat ik. [naam 7] . [naam 11] . [naam 13] . [naam 14] , [naam 15] , [naam 16] , die [naam 17] die me ook al een keertje uit een project had gezet terwijl ik ziek was. Als die niet gaan vertrekken en ik heb een hele lange lijst, die wil ik je geven met bijlages. Dan wordt het karma, [naam 12] . Dan wordt het karma. Dan wordt het echt, echt, echt karma. (…)”
2.37.
Op 14 augustus 2025 heeft [verweerder] zich beter gemeld.
2.38.
Op 4 september 2025 heeft er een gesprek in het kader van mediation plaatsgevonden.
2.39.
Op 9 september 2025 is een medewerker van Visio erachter gekomen dat de afdeling ICT van Gemeente Amsterdam een deelprogramma van Supernova had geïnstalleerd, maar dat het volledige programma Supernova zelf nooit was geïnstalleerd.
2.40.
Op 5 november 2025 heeft de mediator de mediation zonder resultaat beëindigd.
2.41.
In januari 2026 heeft [verweerder] verschillende e-mails aan [naam 2] , [naam 3] en Achthoven gestuurd, waarin zij heeft laten weten zeven aangiftes te hebben gedaan, waaronder tegen [naam 2] en Achthoven .
2.42.
Bij e-mail van 26 januari 2026 heeft [verweerder] zich ziekgemeld.

3.Het verzoek, het verweer en de (voorwaardelijke) tegenverzoeken

3.1.
Gemeente Amsterdam verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen, subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding en meer subsidiair vanwege de cumulatiegrond.
3.2.
Gemeente Amsterdam legt hieraan – samengevat - ten grondslag dat [verweerder] al geruime tijd ongewenst gedrag laat zien dat zich uit door het bij voortduring sturen van tekst- en/of spraakberichten aan verschillende medewerkers die vaak grove beschuldigingen bevatten. [verweerder] laat op geen enkele wijze zien over enig reflecterend vermogen te beschikken. Daarnaast heeft Gemeente Amsterdam maandenlang getracht om via een mediationtraject in gesprek te komen, maar [verweerder] heeft afspraken herhaaldelijk geannuleerd, deels vanwege steeds nieuwe voorwaarden die zij stelde en deels door haar afwezigheid wegens vakanties. Volgens Gemeente Amsterdam is sprake van ernstige verwijtbaarheid. [verweerder] heeft meer dan voldoende mogelijkheden gekregen om mee te werken aan het doorbreken van de ontstane impasse, maar het is volledig aan haar gedragingen te wijten dat de impasse niet is doorbroken. Als gevolg van het ongewenste gedrag van [verweerder] en haar hardnekkige weigering om mee te werken aan het doorbreken van de impasse, is Gemeente Amsterdam al haar vertrouwen in [verweerder] verloren. Verder stelt Gemeente Amsterdam dat herplaatsing niet in de rede ligt vanwege de houding en het gedrag van [verweerder] .
3.3.
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en verzoekt wedertewerkstelling. [verweerder] voert onder meer aan dat niet zij, maar juist Gemeente Amsterdam verwijtbaar heeft gehandeld. De correspondentie van [verweerder] waarop Gemeente Amsterdam het verwijtbare handelen baseert, is een uiting van vragen aan betrokkenen waarom zij toezeggingen over het beschikbaar stellen van hulpmiddelen en een veilige werkomgeving niet zijn nagekomen. In deze berichten stelt zij ook terecht de vraag waarom zij niet meer kan terugkeren naar de werkvloer, terwijl er geen deugdelijk onderzoek is verricht en zij geen gelegenheid heeft gekregen zich te verweren. Er is ook geen sprake van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Indien er een gesprek plaatsvindt met de betrokken personen en de anonieme getuigen, waarin [verweerder] kan aangeven hoe zij alles als visueel beperkte collega heeft ervaren en deze personen kunnen toelichten waarom zij gemaakte afspraken niet zijn nagekomen, dan kan [verweerder] haar dienstverband bij Gemeente Amsterdam voortzetten. Verder heeft Gemeente Amsterdam nooit deugdelijk onderzocht of [verweerder] binnen Gemeente Amsterdam zou kunnen worden herplaatst. Verder is er volgens [verweerder] geen sprake van een voldragen cumulatiegrond. Tot slot stelt [verweerder] dat Gemeente Amsterdam haar mondeling en schriftelijk heeft toegezegd dat zij in haar functie als [functie 2] zou worden uitbetaald conform salarisschaal 11.11 van de cao. Zij verzoekt daarom kort gezegd betaling van dat loon vanaf 1 juli 2022 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging.
3.4.
Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om veroordeling van Gemeente Amsterdam tot betaling van de transitievergoeding en toekenning van een billijke vergoeding. Gemeente Amsterdam heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door [verweerder] , ondanks het advies van Visio, gedurende het gehele dienstverband niet te voorzien van de geadviseerde hulpmiddelen en/of administratieve ondersteuning, waardoor zij haar de toegezegde gelijkwaardige, inclusieve en veilige werkomgeving heeft ontzegd. Verder heeft Gemeente Amsterdam [verweerder] op 30 april 2024 de toegang tot haar eigen werkplek ontzegd op basis van anonieme verklaringen en is hieraan geen deugdelijk onderzoek ten grondslag gelegd waarin [verweerder] zich deugdelijk kon verweren. Gemeente Amsterdam heeft daardoor een onveilige en ongelijke werkomgeving gecreëerd.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
Opzegverbod
4.2.
Het opzegverbod tijdens ziekte (artikel 7:670 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)) is niet van toepassing, omdat [verweerder] niet ziek was ten tijde van het indienen van het ontbindingsverzoek.
Redelijke grond
4.3.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
Verwijtbaar handelen?
4.4.
Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt dat [verweerder] zich herhaaldelijk op scherpe en onacceptabele wijze heeft uitgelaten richting collega’s. De inhoud en toon van haar berichten, waaronder grove beschuldigingen, dreigende taal en persoonlijke aanvallen zijn in strijd met het goed werknemerschap (art. 7:611 BW Pro) en ontoelaatbaar (zie 2.19., 2.23, 2.24., 2.26 - 2.29., 2.35. en 2.36.).
4.5.
[verweerder] heeft aangevoerd dat deze correspondentie niet kan worden gebruikt om verwijtbaar handelen te bewijzen, nu de oorsprong van deze correspondentie ligt in het niet naleven van afspraken en intern beleid over hoe om te gaan met visueel beperkten binnen Gemeente Amsterdam.
4.6.
Niet ter discussie staat dat [verweerder] sinds haar indiensttreding niet heeft beschikt over de benodigde hulpmiddelen voor haar visuele beperking. Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat [verweerder] herhaaldelijk heeft verzocht om extra administratieve ondersteuning en heeft laten weten dat de aan haar verstrekte hulpmiddelen niet werkten. Gemeente Amsterdam heeft [verweerder] steeds doorverwezen naar de ICT-afdeling, maar het probleem werd niet opgelost. Pas in september 2025 heeft een medewerker van Visio ontdekt dat de ICT-afdeling van Gemeente Amsterdam slechts een deelprogramma had geïnstalleerd, waardoor [verweerder] Supernova niet heeft kunnen gebruiken. De frustratie van [verweerder] over de gebrekkige ondersteuning is dan ook begrijpelijk. Gemeente Amsterdam had hier meer verantwoordelijkheid in moeten nemen. Gemeente Amsterdam had een eigen verantwoordelijkheid om actief toe te zien op en bij te dragen aan de voor [verweerder] benodigde ondersteuning en kon in het licht van de verschillende klachten van [verweerder] niet volstaan met het doorverwijzen van [verweerder] naar de ICT-afdeling. Daarnaast heeft Gemeente Amsterdam steken laten vallen rondom haar beslissing om [verweerder] niet terug te laten keren bij stadsdeel Noord. De toenmalige leidinggevende van [verweerder] heeft al voorafgaand aan het gesprek van 30 april 2024 in de groepsapp aan collega’s van [verweerder] laten weten dat [verweerder] geen projecten meer zou doen bij stadsdeel Noord. Gemeente Amsterdam heeft vervolgens op 30 april 2024 zonder hoor- en wederhoor en zonder deugdelijk onderzoek aan [verweerder] meegedeeld dat zij niet meer kon terugkeren in haar functie als [functie 2] bij stadsdeel Noord. Dit eenzijdige besluit berustte op anonieme klachten van collega’s, die niet aan [verweerder] zijn voorgelegd en waarop zij zich niet heeft kunnen verdedigen. Die gang van zaken is onvoldoende zorgvuldig en dat kan Gemeente Amsterdam worden aangerekend.
4.7.
Hoewel het verwijtbaar is dat [verweerder] zich veelvuldig op onacceptabele wijze heeft uitgelaten richting haar collega’s, dient dit te worden beoordeeld tegen de achtergrond van de langdurige frustratie en problemen die zij heeft ervaren door het ontbreken van adequate hulpmiddelen en ondersteuning, evenals de onzorgvuldige gang van zaken rondom de beslissing haar niet te laten terugkeren in haar functie. In dat licht bezien kan niet worden geoordeeld dat het gedrag van [verweerder] zodanig verwijtbaar is, dat van Gemeente Amsterdam in redelijkheid niet kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst voort te zetten.
Verstoorde verhoudingen?
4.8.
Wel is komen vast te staan dat er tussen partijen sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie. De gebrekkige wijze waarop Gemeente Amsterdam is omgegaan met het beschikbaar stellen van hulpmiddelen voor de visuele beperking van [verweerder] heeft het vertrouwen van [verweerder] in gemeente Amsterdam beschadigd. Vervolgens heeft het besluit van Gemeente Amsterdam om zonder hoor- en wederhoor aan [verweerder] mee te delen dat zij niet langer welkom was bij stadsdeel Noord, de verhouding verder verslechterd.
4.9.
Gemeente Amsterdam heeft echter sinds mei 2024 vele pogingen gedaan om met [verweerder] in gesprek te komen. Zij heeft daarbij herhaaldelijk mediation voorgesteld, maar [verweerder] stond hier steeds om verschillende redenen niet voor open. Van [verweerder] had mogen worden verwacht dat zij een meer constructieve houding zou aannemen. De eerder door Gemeente Amsterdam gemaakte fouten maken dat niet anders. Maar in plaats daarvan heeft [verweerder] in veel berichten haar ongenoegen en beschuldigingen aan het adres van meerdere collega’s geuit, met een verwijtende en aanmatigende toon. Hiermee heeft zij zelf ook nadrukkelijk bijgedragen aan de ontstane onwerkbare situatie. De kantonrechter is het met Gemeente Amsterdam eens dat dit niet langer zo kan doorgaan. Ook na twee schriftelijke waarschuwingen heeft [verweerder] haar gedrag niet aangepast. Dat had zij wel moeten doen. Zij had moeten begrijpen dat haar manier van communiceren richting collega’s onaanvaardbaar was. Zelfs tijdens de mondelinge behandeling leek zij niet in te zien dat het onacceptabel is om collega’s als “parasieten” te bestempelen. Desgevraagd verklaarde [verweerder] namelijk dat zij daarmee het gezelschap in de rechtszaal bedoelde en herhaalde zij die kwalificatie over haar collega’s. In plaats van zich te verontschuldigen, bleef zij dus ook maanden later bij haar woorden. Dit duidt op een gebrek aan zelfreflectie. Gezien dit alles is het begrijpelijk dat Gemeente Amsterdam het vertrouwen in een verdere samenwerking heeft verloren. Bovendien heeft [verweerder] aangifte gedaan tegen verschillende medewerkers van Gemeente Amsterdam en bleef zij, zelfs tijdens de procedure, collega’s bestoken met e-mails. Ook daaruit wordt afgeleid dat zij niet bereid is haar gedrag aan te passen. De kantonrechter ziet dan ook niet hoe [verweerder] en Gemeente Amsterdam nog constructief samen kunnen werken aan een oplossing.
4.10.
Naar het oordeel van de kantonrechter is gelet op het voorgaande sprake van een ernstige en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding die niet meer te herstellen valt. Dat geldt te meer, nu al een onsuccesvolle mediationpoging is gedaan.
Herplaatsing
4.11.
Nu het gedrag en de houding van [verweerder] een belangrijke oorzaak vormen van de verstoring in de arbeidsverhouding, die zich niet beperkt tot haar directe collega’s, maar ook andere medewerkers uit verschillende lagen van Gemeente Amsterdam betreft, ligt herplaatsing in een andere passende functie binnen Gemeente Amsterdam niet in de rede.
Arbeidsovereenkomst wordt ontbonden
4.12.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Gemeente Amsterdam heeft verzocht te bepalen dat de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:61b lid 9 sub b BW op de kortst mogelijke termijn wordt ontbonden. Daarin is bepaald dat het einde van de arbeidsovereenkomst op een eerder tijdstip kan worden bepaald als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] is in dit geval geen sprake. Dat betekent dat het einde van de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 9 sub a BW zal worden bepaald op 1 juni 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.
4.13.
Gelet op het voorgaande wordt het verzoek van [verweerder] tot wedertewerkstelling afgewezen.
Salaris
4.14.
Gemeente Amsterdam stelt dat [verweerder] is ingeschaald in salarisschaal 10.11 van de cao, waardoor haar salaris € 5.519,00 bruto per maand bedraagt. [verweerder] heeft aangevoerd dat partijen een salaris van € 6.343,00 bruto per maand exclusief vakantietoeslag zijn overeengekomen. Zij voert daartoe aan dat haar is toegezegd dat zij is ingeschaald in salarisschaal 11.11 van de cao. [verweerder] heeft in het licht van gemotiveerde betwisting door de Gemeente Amsterdam echter onvoldoende onderbouwd dat die toezegging mondeling is gedaan. Evenmin is gebleken dat Gemeente Amsterdam schriftelijk heeft toegezegd dat [verweerder] in salarisschaal 11.11 van de cao zou worden ingeschaald. Het door [verweerder] verzochte verzoek tot betaling van het salaris van € 6.343,00 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag en het verzoek tot betaling van het achterstallig loon, worden gelet op het voorgaande afgewezen.
4.15.
[verweerder] heeft verder aangevoerd dat haar salaris op basis van salarisschaal 10.11 van de cao vanaf 1 januari 2026 € 5.554,00 bruto per maand inclusief IKB van 17,05%, maar exclusief 8% vakantietoeslag bedraagt. Gemeente Amsterdam heeft dit niet weersproken, zodat de kantonrechter hiervan uitgaat.
Transitievergoeding
4.16.
Nu geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van [verweerder] , maakt [verweerder] aanspraak op de transitievergoeding. [verweerder] heeft de hoogte van de transitievergoeding correct berekend op een bedrag van € 22.832,42 bruto. Het verzoek om Gemeente Amsterdam te veroordelen tot betaling van die transitievergoeding wordt daarom toegewezen.
Billijke vergoeding
4.17.
Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. [1] In dit geval is geen sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Dat wordt als volgt toegelicht.
4.18.
De kantonrechter is van oordeel dat Gemeente Amsterdam is tekortgeschoten in het tijdig en adequaat ter beschikking stellen van de juiste hulpmiddelen aan [verweerder] , terwijl dit op grond van goed werkgeverschap wel van haar verwacht mocht worden. Bovendien heeft Gemeente Amsterdam onvoldoende zorgvuldig gehandeld rondom haar beslissing om [verweerder] niet te laten terugkeren in haar functie als [functie 2] bij stadsdeel Noord. Dit handelen van Gemeente Amsterdam is verwijtbaar, maar heeft niet geleid tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Bovendien is gebleken dat Gemeente Amsterdam vervolgens verschillende pogingen heeft ondernomen om in gesprek te komen met [verweerder] , onder andere door mediation aan te bieden om de arbeidsrelatie te verbeteren. Deze pogingen hebben echter niet tot een goed gesprek geleid, omdat [verweerder] hier om verschillende redenen niet aan wilde meewerken en zich herhaaldelijk op een scherpe en beschuldigende wijze bleef uitlaten richting collega’s, ondanks meerdere officiële waarschuwingen om dat niet te doen. [verweerder] heeft daarmee dus zelf ook nadrukkelijk bijgedragen aan de ontstane onwerkbare situatie. Gezien deze omstandigheden is niet voldaan aan de hoge maatstaf van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door Gemeente Amsterdam in de zin van artikel 7:671b lid 9 sub c BW. Het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
4.19.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2026,
5.2.
veroordeelt Gemeente Amsterdam om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 22.832,42 bruto,
5.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
5.4.
verklaart deze beschikking wat betreft de onder 5.2. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.B. Cramwinckel en in aanwezigheid van de griffier, mr. M. Hillebrink, in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.
51447

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2022:63 (