Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3478

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
25-029376
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 94v Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing tot teruggave van inbeslaggenomen fatbike wegens proportionaliteit en subsidiariteit

Op 5 november 2025 werd een fatbike in beslag genomen in een strafrechtelijk onderzoek tegen klager wegens het rijden op een niet-goedgekeurd voertuig. Klager werd meerdere malen eerder staande gehouden en gewaarschuwd voor het gebruik van de fatbike zonder typegoedkeuring, waarbij hij ondanks waarschuwingen en boetes bleef rijden.

Klager diende een beklag in op grond van artikel 552a Sv met het verzoek om teruggave van de fatbike. Hij voerde aan dat het niet waarschijnlijk is dat de fatbike verbeurd zal worden verklaard, mede omdat er geen technisch onderzoek was gedaan en de fatbike niet was voorzien van een gashendel. Subsidiair stelde hij dat het beslag disproportioneel en niet subsidiariteit was, aangezien de moeder van klager de fatbike had gekocht en zij het zwaarst getroffen werd.

Het Openbaar Ministerie stelde dat het niet onwaarschijnlijk is dat de fatbike verbeurd wordt verklaard, maar zag geen bezwaar tegen teruggave indien de fatbike direct wordt verkocht en klager er geen gebruik van kan maken. De rechtbank oordeelde dat klager ontvankelijk is in het beklag en dat het voortzetten van het beslag niet in overeenstemming is met proportionaliteit en subsidiariteit. Daarom werd de teruggave aan de moeder van klager gelast, die als rechthebbende wordt aangemerkt.

Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open voor zowel klager als het Openbaar Ministerie.

Uitkomst: De rechtbank gelast de teruggave van de inbeslaggenomen fatbike aan de rechthebbende wegens het niet voldoen aan proportionaliteit en subsidiariteit.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
raadkamernummer : 25-029376
datum : 19 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager] ,

geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. A.W.J. van Galen;
[adres] ,
hierna te noemen: klager, tevens beslagene.

Feiten

Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94v Sv blijkt dat op 5 november 2025 in het strafrechtelijk onderzoek tegen klager in beslag is genomen: een elektrische fiets (goednummer 6732469) (hierna: de fatbike).

Procedure

Het klaagschrift is op 14 november 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 19 februari 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van klager, mr. A.W.J. van Galen, en de officier van justitie, mr. J.J. Smilde, op zitting gehoord. Daarnaast is aanwezig de moeder van klager, mevrouw [naam] .
Klager is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Beklag

Het beklag strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen fatbike.
Namens klager is primair onder verwijzing naar jurisprudentie aangevoerd dat het niet hoogst waarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de fatbike zal verbeurd verklaren. Dit omdat een beperkte geldboete in de lijn der verwachting ligt. Er is geen technisch onderzoek gedaan naar de fatbike en de fatbike was niet voorzien van een gashendel, dus het is ook niet zo dat de teruggave van de fatbike in strijd is met de wet of het algemeen belang. [1] Subsidiair is aangevoerd dat niet voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De fatbike is gekocht door de moeder van klager voor € 1.200,-. De moeder van klager heeft de nodige gesprekken met hem gevoerd over zijn gedrag. Klager rijdt inmiddels op een normale fiets. Als de fatbike terug wordt gegeven, dan zorgt de moeder van klager ervoor dat hij er niet op kan rijden en dat de fatbike direct wordt verkocht. De moeder van klager wordt nu het zwaarst getroffen omdat zij de fatbike heeft gekocht, de fatbike kwijt is en ook boetes van haar zoon heeft moeten betalen. Met de verkoop van de fatbike kan zij dit enigszins compenseren.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de inbeslaggenomen fabtike zal verbeurd verklaren. Klager wordt verdacht van het feit dat hij op een niet-goedgekeurde fatbike heeft gereden. Hoewel er geen technisch onderzoek heeft plaatsgevonden, is dit voldoende aannemelijk op grond van de bevindingen van de verbalisant die met zijn motor naast klager reed en waarbij zijn motor een snelheid van 51 km/u aangaf. Daarbij is klager zeer hardleers en heeft hij zich niets aangetrokken van eerdere incidenten waarbij er geldboetes aan hem zijn opgelegd. Wel is het zo dat uitgaande van de verklaring van de moeder van klager niet is voldaan aan de proportionaliteitseis. Als de fatbike door de moeder van klager direct wordt verkocht en klager er in die tussentijd niet op kan rijden, dan verzet de officier van justitie zich niet tegen teruggave van de inbeslagenomen fatbike.

Beoordeling

De rechtbank is bevoegd.
Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. Klager is daarom ontvankelijk in het beklag.
Uit de stukken en hetgeen in raadkamer is besproken, is het volgende gebleken.
Tegen klager is op 5 november 2025 een proces-verbaal opgemaakt wegens het rijden op een niet-goedgekeurd voertuig, te weten een fatbike. Door de politie is waargenomen dat klager de trappers niet gebruikte om vooruit te komen en dat klager ongeveer 51 km/u per uur reed. Dit vereist dat de fatbike is voorzien van een type goedkeuring en deze ontbrak waardoor de fatbike niet voldoet aan de wettelijk gestelde eisen en niet is toegelaten voor het gebruik op de openbare weg. Uit het dossier blijkt dat klager op 26 juli 2023 en 9 juni 2024 is staande gehouden voor hetzelfde feit en dat hij is gewaarschuwd dat de fatbike bij een volgende overtreding in beslag zou worden genomen. Ook op 29 september 2025 is hij staande gehouden en bekeurd voor het rijden op een niet-goedgekeurde fatbike. Zelfs na de inbeslagname van onderhavige fatbike is klager opnieuw staande gehouden en ook deze fatbike is in beslag genomen. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de inbeslaggenomen fatbike zal verbeurd verklaren.
Mede gelet op het standpunt van het Openbaar Ministerie is de rechtbank echter van oordeel dat voortzetting van het beslag niet in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, nu met een minder vergaande oplossing kan worden volstaan, namelijk teruggave van de fatbike aan moeder van klager. De fatbike is gekocht door de moeder van klager en zij kan derhalve als rechthebbende worden aangemerkt. Nu zij heeft verklaard dat zij bij teruggave van de fatbike deze direct zal verkopen zodat klager geen gebruik meer kan maken van de fatbike en de officier van justitie zich onder die omstandigheden niet tegen teruggave heeft verzet, is de rechtbank van oordeel dat het beslag dient te worden opgegeven en gelast de teruggave van de fatbike aan de moeder van klager.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave aan de rechthebbende, te weten mevrouw [naam] , van de fatbike met goednummer 6732469.
Deze beslissing is gegeven door
mr. A.A. Spoel, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager en het openbaar ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank: voor klager binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing en voor het openbaar ministerie binnen veertien (14) dagen na de dagtekening van de beslissing.