Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3482

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
783005
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing inzageverzoek in kort geding wegens lopende bodemprocedure

Bunneman vordert in kort geding inzage in diverse documenten van IAG c.s. om zich voor te bereiden op een getuigenverhoor in een lopende bodemprocedure over een vermeende onjuiste voorraadwaardering in de conceptjaarrekening 2022 van Cordial.

IAG c.s. voert verweer dat het inzageverzoek geen spoedeisend belang heeft en dat de bewijsopdracht in de bodemprocedure aan hen is gericht, waardoor het verzoek in kort geding niet passend is. De rechtbank overweegt dat de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht sinds 1 januari 2025 verzoeken tot voorlopige bewijsverrichtingen in kort geding tijdens een bodemprocedure in principe uitsluit, met uitzondering van inzagevorderingen.

Desondanks oordeelt de voorzieningenrechter dat toewijzing van het inzageverzoek in kort geding alleen in uitzonderlijke gevallen kan plaatsvinden wanneer niet van eiser kan worden gevergd de bodemrechter af te wachten. Nu er geen spoedeisend belang is en het getuigenverhoor pas vanaf juli 2026 gepland kan worden, is er voldoende tijd om het verzoek in de bodemprocedure te behandelen.

Ook het inzageverzoek met betrekking tot de earn-out regeling, verkoperslening en het geschil met PRMS Invest B.V. wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. Bunneman wordt veroordeeld in de proceskosten van € 2.101,00.

Uitkomst: Het inzageverzoek van Bunneman wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang en het lopende bodemgeschil.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/783005 / KG ZA 26-98 EAM/KH
Vonnis in kort geding van 4 maart 2026
in de zaak van
BUNNEMAN B.V.,
te Boerakker,
eisende partij bij dagvaarding van 10 februari 2026,
hierna te noemen: Bunneman,
advocaten: mr. R.S. van der Spek en mr. S. Kuipers,
tegen

1.INTERNATIONAL ADHESIVES GROUP B.V.,

te Amsterdam,
2.
CORDIAL BEHEER EN REGISTERGOEDEREN B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen IAG c.s. en apart IAG en Cordial,
advocaten: mr. R.Q. Potter en mr. S. Vlassak.

1.De procedure

1.1.
Ter zitting van 18 februari 2026 heeft Bunneman de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. IAG c.s. heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties ingediend en een pleitnota voorgedragen die aan het procesdossier is toegevoegd. Vonnis is bepaald op 4 maart 2026 maar bij vervroeging vandaag uitgesproken.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling waren, voor zover van belang, aanwezig:
  • namens Bunneman: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] met mr. Van der Spek en mr. Kuipers,
  • namens IAG c.s.: [naam 5] en [naam 6] met mr. Potter en mr. Vlassak.

2.De feiten

2.1.
IAG heeft bij koopovereenkomst van 12 april 2023 alle aandelen in Cordial van Bunneman (80%) en PRMS Invest B.V. (20%) gekocht (hierna: de koopovereenkomst). Onderdeel van de afspraken in de koopovereenkomst zijn een earn-out regeling en een door Bunneman aan IAG verstrekte verkoperslening.
2.2.
In de koopovereenkomst hebben de verkopers garanties afgegeven met betrekking tot de juistheid van de verstrekte informatie over onder andere de financiële positie van Cordial. IAG c.s. meent dat sprake is van een inbreuk op de garanties uit hoofde van de koopovereenkomst en zij is daarom op 24 februari 2025 een bodemprocedure gestart tegen Bunneman waarin zij 80% van de schade vordert die zij meent te hebben geleden. Het gaat om drie verschillende schadeposten.
2.3.
Twee van de schadeposten zijn bij vonnis van 31 december 2025 afgewezen. De nog openstaande schadepost is gegrond op de stelling van IAG c.s. dat de conceptjaarrekening van Cordial over boekjaar 2022, die Bunneman in het kader van de overname aan IAG heeft verstrekt, op een aantal punten onjuist is geweest omdat de voorraad daarin te hoog is gewaardeerd. Omdat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat die stelling juist is, is aan IAG c.s. een bewijsopdracht gegeven. IAG c.s. is in de gelegenheid gesteld om bewijsstukken in te dienen en ook zal zij getuigen laten verhoren. Vanwege de vele verhinderingen heeft deze rechtbank partijen voor het plannen van het getuigenverhoor verzocht om hun verhinderdata over de maanden juni t/m augustus 2026.

3.Het geschil

3.1.
Bunneman vordert om – bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis – Cordial en IAG te bevelen om binnen één week na dit vonnis inzage te geven in de onder randnummers 13, 15, 17, 18 en 20 van de in de dagvaarding omschreven gegevens, op straffe van een dwangsom en onder hoofdelijke veroordeling in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
Bunneman legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Om zich deugdelijk op het getuigenverhoor te kunnen voorbereiden c.q. zich te verweren tegen de vordering van IAG c.s. in de bodemprocedure, is het noodzakelijk dat Bunneman beschikt over de relevante informatie met betrekking tot de gebeurtenissen tussen het leveren van de aandelen en het vaststellen van de definitieve jaarrekening 2022 op 24 februari 2024. Het verschil in de conceptjaarrekening 2022 en de definitieve versie kan immers ook gelegen zijn in feiten die zich na levering van de aandelen hebben voorgedaan. Ook meent Bunneman recht te hebben op informatie in het kader van de earn-out regeling op grond van artikel 3.1.1 van de koopovereenkomst. Uit dat artikel volgt dat IAG binnen 20 werkdagen na vaststelling van de jaarrekening van Cordial over 2023 aan Bunneman een berekening van de EBITDA had moeten verstrekken, samen met een voorgestelde berekening voor de earn-out. In het kader van de verkoperslening had IAG ook een informatieplicht richting Bunneman, die eruit bestond dat zij moest verstrekken (i) een kopie van de vastgestelde jaarrekening, telkens binnen zes maanden na afloop van ieder boekjaar, en (ii) tussentijdse financiële gegevens per kalenderkwartaal zoals die aan haar bank verstrekt worden, telkens binnen vier weken na afloop van elk kalenderkwartaal. Daaraan heeft IAG niet voldaan en IAG c.s. dient dat alsnog te doen. Tot slot wil Bunneman informatie ontvangen in het kader van een geschil met haar voormalig medeaandeelhouder PRMS Invest B.V.
3.3.
IAG c.s. voert verweer. Volgens haar heeft Bunneman geen (spoedeisend) belang bij de verzochte stukken nu de bewijsopdracht in de aanhangige bodemprocedure aan IAG c.s. is gericht. Er is nog meer dan voldoende tijd om het verzoek voor te leggen aan de bodemrechter die de zaak in behandeling heeft. Het vorderen van inzage in een aparte kortgedingprocedure terwijl de bodemzaak zich in een vergevorderd stadium bevindt, is bij uitstek iets wat onder het nieuwe bewijsrecht niet meer dient te gebeuren. Bovendien is het niet Bunneman, maar IAG c.s. die te maken heeft met een informatieachterstand. Zij was immers niet betrokken bij het opstellen van de concept jaarrekening 2022. Bunneman tracht ook inzage te krijgen in stukken die geen enkel verband houden met de bodemprocedure, mogelijk om een belang te creëren. Het gaat om de verkoperslening, de earn-out die gelet op de verlieslatende resultaten van Cordial geen enkele rol speelt, en het geschil met PRMS Invest B.V. Het (spoedeisend) belang van Bunneman bij deze stukken wordt ook op geen enkele manier onderbouwd. Tot slot geldt dat IAG c.s. een aanzienlijk deel van de gevraagde stukken al heeft gedeeld en dat het inzageverzoek van Bunneman veel te ruim is geformuleerd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Per 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking getreden. Uitgangspunt van die wet is dat verzoeken tot het treffen van voorlopige bewijsverrichtingen niet meer mogelijk zijn als eenmaal de bodemprocedure loopt (artikel 196 lid 1 Rv Pro). Uit de wetsgeschiedenis volgt dat dat niet geldt voor de inzagevordering in kort geding (zie ook: ECLI:NL:RBAMS:2025:2936). Het is daarom in beginsel (nog steeds) mogelijk om tijdens een aanhangige bodemprocedure in kort geding een inzagevordering te doen.
4.2.
De nieuwe regeling beoogt een efficiëntere procesvoering te bewerkstelligen door de versterking van de regiefunctie van de rechter. Als een zaak al inhoudelijk wordt behandeld, moeten bewijsverrichtingen via de rechter lopen aan wie de zaak is toebedeeld en dient een voorlopige voorziening de lopende procedure niet te doorkruisen. Hoewel deze verplichting strikt genomen niet geldt voor een inzagevordering, ligt het wel voor de hand dat onder deze omstandigheden alleen plaats is voor toewijzing van een inzagevordering in kort geding in uitzonderlijke gevallen waarbij van eiser(s) niet kan worden gevergd dat een beslissing van de bodemrechter wordt afgewacht (zie ook: ECLI:NL:RBDHA:2025:22355, r.o. 4.5).
4.3.
Tussen partijen loopt al een bodemprocedure, waar – gelet op het vonnis van 31 december 2025 – al uitgebreid inhoudelijk debat heeft plaatsgevonden over de voorliggende vraag of de conceptjaarrekening 2022 een juiste weergave bevatte van de voorraadwaardering. Een (inhoudelijke) beslissing op de inzagevordering in dit kort geding vereist dan ook dat de voorzieningenrechter (een deel van) het geschil tussen partijen beoordeelt, dat al ter beoordeling voorligt bij de bodemrechter. Daarmee wordt de aanhangige bodemprocedure doorkruist. Niet is gebleken dat sprake is van een spoedeisend belang dat maakt dat niet van Bunneman gevergd kan worden dat hij de inzagevordering alsnog in de lopende bodemprocedure indient en een beslissing daarop afwacht. De voorzieningenrechter gaat er, gelet op de periode waarover partijen hun beschikbaarheid moeten doorgeven en de al doorgegeven verhinderingen door Bunneman over juni, van uit dat een getuigenverhoor op zijn vroegst in juli zal plaatsvinden. Er lijkt daarmee voldoende tijd om de vordering in de bodemprocedure in te stellen en om de voorbereidingen te treffen voor het nog te plannen getuigenverhoor. Als dit toch anders blijkt te liggen, zal het getuigenverhoor verplaatst moeten worden. Het inzageverzoek ten aanzien van de voorraadwaardering (randnummer 13 en 15 van de dagvaarding) zal dan ook worden afgewezen.
4.4.
Hetzelfde geldt voor het inzageverzoek voor wat betreft de earn-out, de verkoperslening en het geschil met PRMS Invest B.V., dat los lijkt te staan van de bodemprocedure. Ten aanzien van dit deel van de vordering is evenmin gebleken dat sprake is van een spoedeisend belang dat nu een voorlopige voorziening vergt.
4.5.
Bunneman is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van IAG c.s. worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt Bunneman in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Bunneman niet tijdig aan de aanschrijving voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Bunneman € 98,00 extra betalen plus de kosten van betekening,
5.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Hogeman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026. [1]

Voetnoten

1.Coll: JD