ECLI:NL:RBAMS:2026:35

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
13-261856-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak in vervolgings-EAB uit België met betrekking tot detentieomstandigheden

Op 8 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de Belgische Rechtbank van eerste aanleg Limburg. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1990, die in Nederland woont en wordt verdacht van illegale handel in verdovende middelen. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 18 december 2025 gestart, waarbij de officier van justitie, mr. A.L. Wagenaar, aanwezig was. De opgeëiste persoon was bijgestaan door zijn raadsman, mr. I.R. Rigter. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen. De rechtbank heeft vragen gesteld aan de Belgische autoriteiten over de detentieomstandigheden in de gevangenis van Hasselt, waar de opgeëiste persoon na overlevering gedetineerd zou worden. De rechtbank heeft vastgesteld dat er een algemeen gevaar bestaat voor onmenselijke behandeling in Belgische detentie-instellingen, maar heeft ook een individuele garantie ontvangen van de Belgische autoriteiten dat de opgeëiste persoon in overeenstemming met internationale standaarden zal worden behandeld. De rechtbank heeft het onderzoek heropend om nadere informatie te verkrijgen over de detentieomstandigheden en heeft de termijn voor de beslissing over de overlevering verlengd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-261856-25
Datum uitspraak: 8 januari 2026
TUSSEN
UITSPRAAK
op de vordering van 10 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 september 2025 door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, Afdeling Tongeren-Borgloon, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
uit anderen hoofde gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 december 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. I.R. Rigter, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting van 18 december 2025 niet gesloten. Met toestemming van partijen heeft de rechtbank het onderzoek enkelvoudig gesloten op de zitting van 8 januari 2026 en direct uitspraak gedaan.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een bevel tot aanhouding bij verstek dd. 25.09.2025 uitgevaardigd door de Onderzoeksrechter bij de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, Afdeling Tongeren-Borgloon, met referentie 24/062.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [4]
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Procureur des Konings bij het Parket van de Procureur des Konings Limburg, België, heeft op 28 november 2025 de volgende garantie gegeven:
“Overeenkomstig artikel 5 paragraaf 3 van het Kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverde Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan [de opgeëiste persoon] .
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om deze straf of maatregel daar te ondergaan.
De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden

Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [5]
De rechtbank stelt vast dat er bij brief van 28 november 2025, afkomstig van het Diensthoofd bij het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, te Brussel de volgende algemene detentiegarantie is gegeven:

1.In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?

[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Hasselt indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.

2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
-
De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
-
De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.

De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm

Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”

Door de rechtbank is aan de raadsman en officier van justitie onderstaande reactie van SPF Justice van 9 december 2025 verstrekt, die de rechtbank na een klacht over het niet naleven van een gelijkluidende verstrekte garantie in een andere zaak heeft ontvangen, met het verzoek om daarover op zitting een standpunt in te nemen:
“Naar aanleiding van uw schrijven bezorgen wij u hieronder de objectieve informatie die door de directie van de gevangenis van Hasselt werd meegedeeld betreffende de huidige detentieomstandigheden in de inrichting.
1. Capaciteit van de betrokken afdeling
De officiële capaciteit van de inrichting bedraagt 450 plaatsen (420 mannen en 30 vrouwen). Voor beklaagden is in principe één volledige afdeling voorzien met een capaciteit van ongeveer 105 plaatsen. Door de sterke en voortdurende toename van het aantal beklaagden is deze afdeling structureel overbevolkt en wordt de wettelijke scheiding tussen beklaagden en gestrafte gedetineerden in de praktijk niet langer gerespecteerd. Het grootste deel van de overbevolking situeert zich op de beklaagdenafdelingen.
De actuele totale bezetting bedraagt 651 gedetineerden (607 mannen en 44 vrouwen), overeenkomend met een overbezetting van ongeveer 43%. Meer dan de helft van de monocellen is dubbel of drievoudig bezet. In triocellen verblijven soms tot vijf personen. Momenteel zijn er 42 grondslapers, voornamelijk op de beklaagdenafdelingen.
2. Organisatie en capaciteit van de keuken / maaltijdvoorziening
De keuken is ontworpen voor een capaciteit van 450 personen en is technisch niet uitbreidbaar. Elke gedetineerde ontvangt dagelijks een ontbijt (uitgedeeld de avond voordien), een warme middagmaaltijd en een koude avondmaaltijd.
De bereiding gebeurt centraal, met interne logistieke verdeling. De maaltijdvoorziening blijft operationeel, maar staat onder aanzienlijke druk door de structurele overbevolking.
3. Hygiënische omstandigheden en toegang tot douchefaciliteiten
De sanitaire infrastructuur is ontworpen voor 450 personen en wordt momenteel gebruikt door 651 gedetineerden, wat leidt tot structurele overbelasting. Gedetineerden kunnen momenteel om de dag douchen. De beweringen over wassen met emmers warm water en sterk beperkte douchemogelijkheden zijn geen standaardpraktijk. Enkel in uitzonderlijke omstandigheden (technische defecten, stakingen) wordt van het dag-op-dagdouchemaatregel afgeweken.
4. Impact van stakingen op de essentiële dienstverlening
Tijdens stakingen wordt steeds een noodregime toegepast om de essentiële diensten te waarborgen, waaronder maaltijdbedeling, dringende medische zorg en basisveiligheid. Activiteiten zoals arbeid, sport en opleiding vallen dan grotendeels weg.
5. Veiligheid binnen de inrichting
Binnen het bewakend kader is er een tekort van 25 FTE op een kader van 311 FTE (ongeveer 8%). Gemiddeld doen zich ongeveer drie incidenten van fysieke agressie per maand voor. De overbevolking en beperkte personeelscapaciteit bemoeilijken het scheiden van risicogroepen en versterken de problematiek van drugscirculatie.
6. Algemene objectieve beschrijving van de detentieomstandigheden
De detentieomstandigheden worden structureel gekenmerkt door ernstige overbevolking, personeelsgebrek en infrastructuur die haar draagkracht overschrijdt. De medische en psychosociale diensten staan onder aanzienlijke druk.
Arbeid en dagbesteding zijn beperkt tot ongeveer 120 arbeidsplaatsen. De combinatie van hoge celbezetting, beperkte activiteiten en psychische problematiek zorgt voor verhoogde spanningen binnen de inrichting.
De oorzaken liggen onder meer bij:

lange gerechtelijke doorlooptijden,

de stijging van het aantal beklaagden,

het wegvallen van het systematisch gebruik van elektronisch toezicht voor korte straffen sinds 2024.
Wij hopen u hiermee voldoende en correct te hebben geïnformeerd om uw dossier verder te behandelen.”
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat overlevering op grond van artikel 11 OLW moet worden geweigerd, omdat overlevering van de opgeëiste persoon tot een schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) zal leiden. Hoewel de individuele garantie die in Belgische overleveringszaken wordt verstrekt doorgaans als voldoende wordt beschouwd door de rechtbank, is het maar de vraag of dat in het onderhavige geval terecht is. Zo wordt de door het
European Committee for the prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment(hierna: CPT) voorgeschreven vier vierkante meter persoonlijke leefruimte in een meerpersoonscel niet gehaald. Daarbij komt dat het sanitair van onder tot boven zou moeten worden afgescheiden van de leefruimte in de cel. In detentie-instellingen in België is echter sprake van een scherm. Dit scherm kan ’s nachts bovendien niet worden geopend, wegens een matras op de grond. Ook is er in werkelijkheid geen sprake van
purposeful activities. Uit het door de rechtbank verspreide bericht van SPF Justice van 9 december 2025 wordt volstrekt duidelijk dat de verstrekte garantie niet kan worden nageleefd. Dit sluit ook aan bij de ervaring van de opgeëiste persoon, die eerder is overgeleverd aan België en in de penitentiaire inrichting in Hasselt heeft verbleven.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de praktijk van detentiegaranties op individueel niveau volgt op de beslissing van de rechtbank, waarin een algemeen gevaar is aangenomen ten aanzien van de Belgische detentieomstandigheden.
De detentiegaranties nemen het individueel gevaar weg. Keer op keer wordt door de verdediging getwijfeld aan deze garanties, en keer op keer besluit de rechtbank dat er onvoldoende betrouwbare informatie is om te stellen dat de detentiegaranties niet voldoen.
Ook nu ziet de officier van justitie geen concrete en objectieve informatie om te stellen dat de gegeven detentiegarantie niet voldoet. Er wordt namelijk voldaan aan de CPT-normen. Het wassen met emmers is kennelijk een noodmaatregel (geweest). Dat de maaltijdvoorziening onder druk staat, wil niet zeggen dat er onvoldoende voeding is. Bovendien moet men daarvoor op zijn minst de norm kennen waarvan nu kennelijk onder druk zou worden afgeweken. Bovendien zijn de budgetten voor voeding het laatste kwartaal van 2025 verhoogd. In het geval van incidentele staking vallen activiteiten zoals arbeid, sport en opleiding weg, maar die activiteiten worden dus – buiten de stakingen om – kennelijk wel aangeboden. Nu het algemene gevaar met de verstrekte individuele garantie voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen, staan de Belgische detentieomstandigheden niet aan overlevering in de weg. Ook de persoonlijke ervaringen van de opgeëiste persoon zijn geen objectief bewijs dat er niet op detentiegaranties uit België kan worden vertrouwd. Zijn detentie in Hasselt was bovendien slechts van korte duur.
Het oordeel van de rechtbank
Teneinde te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank verplicht om na te gaan of er gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan België in detentie een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten, gezien het algemeen gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling dat de rechtbank ten aanzien van de Belgische detentieomstandigheden heeft aangenomen.
De rechtbank moet - wanneer een garantie is verstrekt noch goedgekeurd door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit - uitgaan van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. [6] De rechtbank beschikt in casu over voornoemde individuele garantie die ten behoeve van de opgeëiste persoon is verstrekt, alsmede over de reactie van de SPF Justice van 9 december 2025. Uit de individuele detentiegarantie volgt dat de opgeëiste persoon na overlevering in de gevangenis van Hasselt zal worden gedetineerd. De rechtbank constateert dat door de directie van de gevangenis van Hasselt is medegedeeld dat de detentieomstandigheden structureel worden gekenmerkt door ernstige overbevolking, personeelsgebrek en infrastructuur die haar draagkracht overschrijdt. Zo staat de maaltijdvoorziening onder aanzienlijke druk door de overbezetting. Ook ten aanzien van de sanitaire infrastructuur is sprake van structurele overbelasting, waarbij de beweringen van de overgeleverde persoon in de andere zaak over wassen met emmers warm water en sterk beperkte douchemogelijkheden, die aanleiding waren voor het verstrekken van deze informatie, worden bevestigd, hoewel zij volgens SPF Justice geen standaardpraktijk betreffen. Van de dag-op-dag-douchemaatregel wordt bij uitzonderlijke omstandigheden afgeweken, zoals in geval van technische defecten en stakingen. Tijdens stakingen vallen activiteiten zoals arbeid, sport en opleiding grotendeels weg. De medische en psychosociale diensten staan onder aanzienlijke druk. Arbeid en dagbesteding zijn beperkt tot ongeveer 120 arbeidsplaatsen, terwijl de totale bezetting 651 gedetineerden bedraagt. De combinatie van een hoge celbezetting, beperkte activiteiten en psychische problematiek zorgt voor verhoogde spanningen binnen de inrichting.
Een globale beoordeling van de in deze zaak verstrekte informatie van 25 november 2025, gelezen in samenhang met de informatie van 9 december 2025 die de rechtbank ambtshalve bekend is uit een andere zaak, kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat het eerder vastgestelde algemeen gevaar van onmenselijke en vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon in de gevangenis van Hasselt wordt weggenomen. De op dit moment beschikbare informatie over de detentieomstandigheden in Hasselt leidt ertoe dat de rechtbank behoefte heeft aan nadere informatie op de volgende punten:
1. In de informatie van 9 december 2025 die door de directie van de gevangenis van Hasselt is verstrekt wordt vermeld dat het wassen met emmers water en de sterk beperkte douchemogelijkheden geen standaardpraktijk betreffen en de beperking van de douchemogelijkheden enkel in uitzonderijke omstandigheden van technische defecten en stakingen plaatsvindt. De rechtbank heeft in dat verband de volgende vragen:
a. Hoe vaak hebben voormelde technische defecten zich in de afgelopen zes maanden voorgedaan en welk effect heeft dat gehad op de douchevoorzieningen?
b. Hoe vaak is er de afgelopen zes maanden gestaakt en welk effect heeft dat gehad op de douchevoorzieningen?
2. In voornoemde informatie is verder medegedeeld dat de maaltijdvoorziening onder aanzienlijke druk staat door de structurele overbevolking. Welke concrete gevolgen heeft dit voor de maaltijdvoorziening en hoe verschilt deze ten opzichte van de situatie dat de gevangenis van Hasselt naar capaciteit bezet zou zijn?
3. In de voornoemde informatie staat vermeld dat arbeid en dagbesteding zijn beperkt tot ongeveer 120 arbeidsplaatsen, terwijl de totale bezetting 651 gedetineerden bedraagt. Verder volgt uit de informatie dat er thans sprake is van een tekort aan beveiligingspersoneel. Kunt u aangeven welke gevolgen dit heeft voor de tijd die gedetineerden per dag gemiddeld buiten hun cel kunnen verblijven (zowel om te verblijven in gemeenschappelijke ruimtes als om deel te nemen aan arbeid, sport en overige activiteiten buiten de cel)? Kunt u bij beantwoording van deze vraag onderscheid maken tussen de situatie dat er door het gevangenispersoneel wordt gestaakt en de situatie dat er niet wordt gestaakt?
In het kader van de verdere beoordeling zal de rechtbank het onderzoek heropenen en de officier van justitie verzoeken om de uitvaardigende justitiële autoriteit voornoemde vragen te laten beantwoorden, indachtig de omstandigheden op grond waarvan het algemeen gevaar voor gedetineerden in België is aangenomen.

7.Beslissing

HEROPENThet onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd,
teneinde de officier van justitie de hiervoor onder punt 6 opgenomen vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;
VERLENGTop grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen;
VERLENGTop grond van artikel 27, derde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste
persoon met 30 dagen;
BEPAALTdat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland uiterlijk 14 dagen voor 17 februari 2026, het einde van de verlengde beslistermijn;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. A.L. op ’t Hoog en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 8 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.