Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3618

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
13-019793-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66a SvArt. 55a UWArt. 21 UWArt. 22 UWArt. 15 UW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot gevangenneming in uitleveringszaak wegens verzuim verlenging uitleveringsdetentie

De rechtbank Amsterdam behandelde op 8 april 2026 een vordering tot gevangenneming van een opgeëiste persoon uit Turkije, die was aangehouden in het kader van een uitleveringsverzoek. De uitlevering was op 19 maart 2026 toelaatbaar verklaard voor de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van ruim zeven jaar in Turkije.

De zaak kende een complexe procedurele geschiedenis waarbij de uitleveringsdetentie was gestart op 22 januari 2025 en meerdere keren was verlengd. Op 6 november 2025 werd het onderzoek heropend, waardoor het bevel tot gevangenhouding van 23 oktober 2025 niet meer van kracht was. De rechtbank constateerde dat zij verzuimd had om vóór sluiting van het onderzoek op 5 maart 2026 opnieuw de gevangenhouding te bevelen, waardoor de uitleveringsdetentie formeel was verlopen.

De officier van justitie verzocht op 7 april 2026 spoedig na ontdekking van dit verzuim om een nieuw bevel tot gevangenneming voor de duur van 30 dagen. De rechtbank oordeelde dat de vordering ontvankelijk was, maar dat verlenging binnen 30 dagen na sluiting van het onderzoek niet mogelijk was omdat geen nieuw bevel was gegeven. De rechtbank achtte het belang van voortzetting van de detentie en het vluchtgevaar zwaarder dan het formele verzuim en besloot de gevangenneming toe te wijzen voor tien dagen.

De rechtbank benadrukte dat de dagen van onrechtmatige detentie kunnen worden verrekend met de straf die in Turkije is opgelegd. Tevens werd aanbevolen de zaak spoedig opnieuw op een raadkamerzitting te behandelen met aanwezigheid van de raadsman en de opgeëiste persoon om verdere vrijheidsbeneming te beslissen.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de gevangenneming van de opgeëiste persoon voor tien dagen wegens verzuim om tijdig de uitleveringsdetentie te verlengen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-019793-25
Bevel gevangenneming op grond van artikel 66a Wetboek van Strafvordering (Sv) jo. artikel 55a Uitleveringswet (UW)
Op 7 april 2026 heeft de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam (hierna: de officier van justitie) op grond van artikel 66a Sv jo. artikel 55a UW de gevangenneming gevorderd van de opgeëiste persoon:

[de opgeëiste persoon]

geboren op [geboortedag] 1982 in [geboorteplaats] , Turkije,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres]
Raadsman: mr. E. Boskma, advocaat te Alkmaar.

Procedure

De justitiële autoriteiten van Turkije hebben om uitlevering van de opgeëiste persoon verzocht.
Bij uitspraak van 19 maart 2026 heeft de rechtbank de uitlevering toelaatbaar geacht.
De rechtbank heeft acht geslagen op het dossier, waaronder de stukken die op de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon betrekking hebben.
Hieruit volgt onder meer dat de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar is geacht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van zeven jaar, 20 maanden en één dag in de uitvaardigende staat.
In raadkamer van deze rechtbank van 8 april 2026 is de officier van justitie gehoord. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn. De raadsman heeft laten weten dat hij door de korte termijn waarbinnen de vordering op raadkamer is gepland, niet aanwezig kon zijn.
De officier van justitie heeft verzocht de vordering tot gevangenneming toe te wijzen voor de duur van 30 dagen en onder meer verklaard dat er geen cassatie is ingesteld tegen de uitspraak van 19 maart 2026, zodat deze op 2 april 2026 onherroepelijk is geworden.

Juridisch kader en geldigheidsduur uitleveringsdetentie

Het in artikel 55a UW van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 66a, eerste lid, Sv luidt als volgt:
Wanneer de geldigheidsduur van het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming is verstreken, kan de officier van Justitie ook voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting ten spoedigste de gevangenneming van de nog niet in vrijheid gestelde verdachte vorderen, indien
a.
de officier van justitie heeft verzuimd tijdig de vordering tot verlenging in te dienen
b.
de voorwaarden voor toepassing van voorlopige hechtenis nog bestaan, en
c.
het bevel tot voorlopige hechtenis was gegeven terzake van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld.
Geldigheidsduur uitleveringsdetentie
Op 22 januari 2025 is de opgeëiste persoon door de rechter­commissaris in bewaring gesteld op grond van artikel 15 UW Pro. Op 10 februari 2025 heeft de officier van justitie bevolen dat de vrijheidsbeneming op grond van artikel 22 UW Pro wordt voortgezet tot het tijdstip waarop de rechtbank over de gevangenhouding beslist.
Op 23 oktober 2025 heeft de rechtbank conform artikel 27, tweede lid, UW voor de sluiting van het onderzoek de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen. Een op grond van artikel 27 UW Pro bevolen vrijheidsbeneming eindigt op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder b, UW zodra de detentie 30 dagen heeft geduurd, tenzij de officier van justitie heeft gevorderd dat deze termijn wordt verlengd. Uit artikel 38, derde lid, UW volgt dat verlenging alleen mogelijk is, nadat de rechtbank de einduitspraak heeft gewezen.
De rechtbank heeft op 6 november 2025 een tussenuitspraak gewezen waarbij het onderzoek is heropend en geschorst voor onbepaalde tijd. De behandeling is voortgezet op de zitting van 5 maart 2026. Het onderzoek is toen gesloten en bij einduitspraak van 19 maart 2026 heeft de rechtbank de uitlevering toelaatbaar verklaard. Op de zitting van 5 maart 2026 noch bij uitspraak van 19 maart 2026 is (opnieuw) een beslissing genomen over de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon.
In haar uitspraak van 3 augustus 2012 [1] – waarnaar de officier van justitie heeft verwezen in de vordering van 7 april 2026 – heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:
Op grond van artikel 38, derde lid, van de ULW kan verlenging alleen geschieden in de daarin onder a tot en met d genoemde gevallen. Dit betreft telkens een geval waarin de rechtbank al op het verzoek tot uitlevering heeft beslist. Hieruit concludeert de rechtbank dat verlenging niet mogelijk is zolang de rechtbank nog geen definitieve uitspraak heeft gedaan over de toelaatbaarheid van de uitlevering. De wet voorziet derhalve niet in mogelijkheid een, bij het sluiten van het onderzoek ter zitting gegeven, bevel gevangenhouding te verlengen in de situatie dat de rechtbank het onderzoek bij tussenuitspraak heeft heropend.
Bij gebreke van een wettelijke regeling zoekt de rechtbank aansluiting bij de situatie waarin de rechtbank het onderzoek ter zitting zou hebben geschorst en voor onbepaalde tijd zou hebben aangehouden. De rechtbank neemt in dat geval geen beslissing over de gevangenhouding en de uitleveringsdetentie duurt dan voort op grond van artikel 21 of Pro 22 van de ULW totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan.
Het bevel tot gevangenhouding van 6 juli 2012 is, gelet op de heropening van het onderzoek van 20 juli 2012, naar het oordeel van de rechtbank niet meer van kracht. De detentie van de opgeëiste persoon vindt momenteel plaats en blijft voortduren op grond van de door de officier van justitie op 11 april 2012 bevolen inverzekeringstelling op grond van artikel 21, derde lid, in samenhang met artikel 27, tweede lid, van de ULW.
Conform de situatie uit 2012 bestond in de zaak van de opgeëiste persoon evenmin een mogelijkheid om voorafgaand aan de einduitspraak op 19 maart 2026, het op
23 oktober 2025 gegeven bevel gevangenhouding te verlengen. Dit betekent ook in dit geval dat met de heropening van het onderzoek op 6 november 2025 het bevel gevangenhouding van 23 oktober 2025 niet meer van kracht was en dat de uitleveringsdetentie vanaf dat moment weer stoelt op de voortzetting van de vrijheidsbeneming zoals de officier van justitie die had bevolen op 10 februari 2025 op grond van artikel 22 UW Pro.
De rechtbank constateert dat zij in haar uitspraak van 2012 voorts heeft overwogen:
“de uitleveringsdetentie duurt dan voort op grond van artikel 21 of Pro 22 van de ULW totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan”.De rechtbank ziet aanleiding om op deze overweging terug te komen, aangezien zowel in artikel 21, derde lid, UW als in artikel 22, eerste lid, UW is bepaald dat de vrijheidsbeneming kan worden voortgezet “tot het tijdstip waarop de rechtbank over de gevangenhouding beslist”. Dat de uitleveringsdetentie in deze situatie voortduurt totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan, berust dus op een kennelijke misslag. Gelet op deze verbeterde lezing, is het mogelijk om in toekomstige vergelijkbare gevallen opnieuw de gevangenhouding op de zitting te bevelen voordat het onderzoek wordt gesloten. Zoals hierboven al is vermeld, is dat in de situatie van de opgeëiste persoon niet op de zitting van 5 maart 2026 gebeurd.
Uit het voorgaande volgt dat de titel voor uitleveringsdetentie op 5 maart 2026 is verlopen. De opgeëiste persoon is vervolgens wel gedetineerd gebleven.

Beoordeling van de vordering

De officier van justitie heeft ter zitting toegelicht dat op 7 april 2026 is geconstateerd dat abusievelijk is verzuimd om binnen 30 dagen na sluiting van het onderzoek ter zitting van 5 maart 2026 de vordering tot verlenging van de uitleveringsdetentie bij de rechtbank aan te brengen. De vordering tot gevangenneming is vervolgens op dezelfde dag, op 7 april 2026, bij de rechtbank ingediend.
Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering hiermee spoedig na de ontdekking van het verzuim ingediend en is de officier van justitie daarom ontvankelijk in de vordering. [2]
De rechtbank volgt de officier van justitie niet in het standpunt dat de uitleveringsdetentie binnen 30 dagen na 5 maart 2026 verlengd had kunnen worden, aangezien de rechtbank op de zitting van 5 maart 2026 niet (opnieuw) de gevangenhouding heeft bevolen.
Dit betekent dat– zoals hiervoor is overwogen – de titel voor uitleveringsdetentie op 5 maart 2026 is verlopen. In dit specifieke geval neemt de rechtbank echter de datum van de uitspraak – 19 maart 2026 – als uitgangsdatum nu de officier van justitie, gelet op de eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank uit 2012, ervan mocht uitgaan dat de uitleveringsdetentie voortduurde
“totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan”.
Aldus wordt bij het vaststellen van de periode dat de geldigheidsduur van de uitleveringsdetentie is verstreken, uitgegaan van een periode van 20 dagen.
De rechtbank ziet aanleiding om de vordering toe te wijzen en overweegt daartoe als volgt.
Er is nog steeds sprake van de in artikel 38, derde lid, onder a, UW bedoelde situatie dat de uitlevering toelaatbaar is geacht, maar dat de rechterlijke uitspraak omtrent het verzoek tot uitlevering nog niet, of minder dan 30 dagen tevoren, in kracht van gewijsde is gegaan. Ook aan het vereiste van artikel 66a, eerste lid, onder c, Sv is voldaan. Zowel naar Nederlands recht als naar het recht van de uitvaardigende staat is immers sprake van een maximale strafbedreiging van minimaal acht jaar.
De rechtbank erkent dat op 5 maart 2026 ten onrechte niet opnieuw de gevangenhouding is bevolen, klaarblijkelijk vanuit de – onjuiste – gedachte dat het eerdere bevel van 23 oktober 2025 (nog) gold. Uit de geschetste gang van zaken leidt de rechtbank echter af dat het de bedoeling is geweest om de vrijheidsbeneming te laten voortduren. Bovendien gaat het hier om een uitlevering in verband met een veroordeling en kunnen de dagen die de opgeëiste persoon onrechtmatig heeft vastgezeten, worden verrekend met de forse gevangenisstraf die is opgelegd voor ernstig strafbare feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard. Deze omstandigheden wegen naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan de periode van 20 dagen die de rechtbank als uitgangspunt heeft genomen voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de uitleveringsdetentie. Daarnaast is het vluchtgevaar nog steeds aanwezig.
De rechtbank acht het wel wenselijk dat de zaak op korte termijn weer op een raadkamerzitting wordt gepland, zodat in aanwezigheid van de raadsman en de opgeëiste persoon kan worden beslist over de verdere vrijheidsbeneming.
De vordering gevangenneming zal daarom worden toegestaan voor de duur van tien dagen.

Beslissing

De rechtbank:

BEVEELT de gevangenneming van [de opgeëiste persoon] voor de duur van tien dagen.

Aldus gedaan op 8 april 2026 door:
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. M.L. Kole en B.C.M. Burger, griffiers,
en ondertekend door de voorzitter en de griffiers.