ECLI:NL:RBAMS:2026:3645

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
002012-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.5.18 SvArt. 552a SvArt. 2 SvArt. 31 lid 6 Verordening 2017/1939Art. 94a lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in klaagschrift tegen Europees Bevriezingsbevel

Op 5 februari 2025 zijn op verzoek van Belgische autoriteiten twee Tesla-voertuigen en bijbehorende sleutels in beslag genomen in Hoofddorp ter uitvoering van een Europees Bevriezingsbevel (EBB). Klager diende op 21 januari 2026 een klaagschrift in bij de rechtbank Amsterdam tegen deze inbeslagneming. Tijdens de zitting op 26 maart 2026 werd het klaagschrift besproken, waarbij de raadsman van klager stelde dat de rechtbank Amsterdam bevoegd was, terwijl de Gedelegeerd Europees Aanklager (GEA) zich niet verzette tegen behandeling door deze rechtbank.

De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 552a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de rechtbank van het arrondissement waar de inbeslagneming heeft plaatsgevonden bevoegd is, in dit geval de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem. Omdat er geen vervolging in Nederland is ingesteld, kan de rechtbank Amsterdam geen bevoegdheid ontlenen aan de regeling voor concentratierechtbanken in EOM-zaken. De rechtbank concludeerde dat de Nederlandse wetgever niet heeft beoogd dat concentratierechtbanken ook klaagschriften tegen handelingen van de GEA behandelen.

De rechtbank wees er verder op dat het ontbreken van verzet van partijen tegen behandeling door de rechtbank Amsterdam geen bevoegdheid creëert. Daarom verklaarde de rechtbank zich onbevoegd en stelde de stukken ter verzending aan de bevoegde rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, beschikbaar.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam verklaart zich onbevoegd en verwijst het klaagschrift door naar de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

RK nummer: 002012-26
Datum beschikking: 26 maart 2026
BESCHIKKING
op het klaagschrift
ex artikel 5.5.18 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvorderingvan:
[klager]
statutair gevestigd en kantoorhoudende aan het adres:
[adres] ,
hierna: klager.

1.Procesgang

Het klaagschrift is op 21 januari 2026 ingediend ter griffie van deze rechtbank.
De rechtbank heeft op 26 maart 2026 de behandeling van het klaagschrift ter zitting aan de orde gesteld en de raadslieden van klager, mr. R. Jeronimus en mr. M. Verschoor, advocaten te Amsterdam, en de Gedelegeerd Europees Aanklager (GEA), mr. P.P.A.M. Notenboom, in openbare raadkamer gehoord.
Klager is niet verschenen.

2.Feiten en omstandigheden

Op 5 februari 2025 is ter uitvoering van een Europees bevriezingsbevel (EBB) van de Belgische autoriteiten – op grond van artikel 31 lid 6 Verordening Pro 2017/1939 jo Verordening 2018/1805 in verbinding met artikel 94a, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) en de machtiging 103 Sv – in Hoofddorp in beslag genomen onder klager:
- goednummer 6075338_257802, voertuig, Tesla, [kenteken 1] ;
- goednummer 6075338_257803, overig, kenteken/sleutel [kenteken 1] ;
- goednummer 6075338_257804, voertuig, Tesla, [kenteken 2] ;
- goednummer 6075338_257805, overig, kenteken/sleutel [kenteken 2] .

3.Bevoegdheid rechtbank

Het standpunt van de raadsmanDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is om het klaagschrift te behandelen en verwijst naar het standpunt dat voorafgaand aan de zitting is ingenomen. Dat komt op het volgende neer. Nu (nog) geen vervolging is ingesteld, is artikel 552a, vierde lid Sv van toepassing. Op grond daarvan is bevoegd de rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de inbeslagneming is geschied. Het betreft een inbeslagneming te Hoofddorp, zodat de rechtbank Amsterdam bevoegd is.
Het standpunt van de Gedelegeerd Europees Aanklager (hierna: GEA)
De GEA heeft zich niet verzet tegen behandeling van het klaagschrift door de rechtbank Amsterdam. Het beslag is op 5 februari 2025 in Hoofddorp gelegd in het kader van een onderzoek van de Belgisch GEA na een zogenaamd artikel 31-besluit. Dat neemt niet weg dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is te oordelen over het klaagschrift. Het gaat hier om een Belgisch onderzoek van het Europees Openbaar Ministerie (hierna: EOM). Er is dus geen sprake van vervolging in Nederland. Onder die omstandigheden geldt op grond van artikel 552a, vierde lid, Sv dat bevoegd is de rechtbank van het arrondissement binnen hetwelk de inbeslagneming is geschied. Hoofddorp valt weliswaar binnen de gemeente Haarlemmermeer en dus het arrondissement Noord-Nederland, maar het is de rechtbank Amsterdam die als één van de vier concentratierechtbanken in EOM-zaken is aangewezen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 5.5.18 Sv is voor klaagschriften die betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van een Europees bevriezingsbevel artikel 552a Sv zonder enig voorbehoud van overeenkomstige toepassing verklaard, zodat uit artikel 552a, derde en vierde lid, Sv volgt dat het bevoegde gerecht de rechtbank is van het arrondissement waarbinnen in een Nederlandse strafzaak de vervolging is ingesteld (derde lid) of, indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld, de rechtbank van het arrondissement waarbinnen inbeslagneming is geschied (vierde lid).
In het onderhavige geval is geen sprake van vervolging in Nederland, zoals ook door de GEA is bevestigd. De voertuigen zijn in beslag genomen in Hoofddorp op verzoek van de Belgische autoriteiten, in verband met een in België lopend onderzoek. Om die reden is de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, op grond van artikel 552a, vierde lid, Sv, bevoegd tot afdoening van dit klaagschrift.
Nu geen sprake is van een vervolging in Nederland is de rechtbank van oordeel dat zij ook geen bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 2, derde lid, Sv, waarin de rechtbank Amsterdam als één van de vier concentratierechtbanken in EOM-zaken is aangewezen. Die bepaling spreekt uitdrukkelijk over de “bevoegdheid tot kennisneming van strafbare feiten die (…) worden vervolgd (…)”. [1]
De Verordening (EU) 2017/1939 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het EOM, die directe werking heeft, bevat ook geen bepalingen die voorgaan op of afwijken van de nationale bevoegdheidsregeling zoals hierboven beschreven. Integendeel, de Verordening bevat juist aanknopingspunten voor de stelling dat de aanwijzing van de bevoegde rechter een nationale aangelegenheid is. [2]
In het licht van het voorgaande merkt de rechtbank nog op dat vanuit de gedachte die ten grondslag ligt aan de regeling van de concentratierechtbanken (artikel 2, derde lid, Sv) het wenselijk zou kunnen zijn dat deze rechtbanken ook kennis kunnen nemen van klaagschriften tegen handelingen van de GEA. De rechtbank is van oordeel dat uit de aangehaalde Nederlandse bepalingen echter niet kan worden afgeleid dat de wetgever dit met de huidige wettelijke regeling heeft beoogd te regelen.
De rechtbank overweegt tot slot dat de omstandigheid dat partijen zich niet verzetten tegen behandeling van het klaagschrift door de rechtbank Amsterdamgeen bevoegdheid creëert voor de rechtbank Amsterdam om het klaagschrift te behandelen.
Gezien het voorgaande zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren en de stukken in handen stellen van de griffier teneinde het klaagschrift ter afdoening aan de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, te verzenden.

4.Beslissing

De rechtbank verklaart zich
ONBEVOEGDtot het afdoen van het klaagschrift en stelt de stukken in handen van de griffier teneinde het klaagschrift ter afdoening aan de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, te verzenden.
Deze beslissing is op 26 maart 2026 gegeven en in het openbaar uitgesproken door:
mr. E.M. de Bie voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland en E. Mulder, griffiers.

Voetnoten

1.Zie ook Kamerstukken II 2019/20, 35429, nr. 3, p. 16.
2.Zie bijv.: artikel 31, derde lid, artikel 32 en Pro artikel 36, vijfde lid, van de Verordening EOM.