Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3654

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
13-206291-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVWArt. 6 WVWArt. 7 WVWArt. 9 SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor schuld aan ongeval, veroordeeld voor gevaar veroorzaken en verlaten plaats ongeval

Op 12 mei 2025 veroorzaakte verdachte een verkeersongeval in Amsterdam waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opliep. Verdachte sloeg linksaf bij een kruising met niet-werkende verkeerslichten en verleende geen voorrang aan een bromfietser, waarna een botsing plaatsvond. Verdachte verliet vervolgens de plaats van het ongeval zonder hulp te bieden.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het primair tenlastegelegde artikel 6 WVW Pro, omdat niet kon worden bewezen dat hij roekeloos of aanmerkelijk onvoorzichtig had gereden. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte gevaar en hinder op de weg veroorzaakte (artikel 5 WVW Pro) en dat hij de plaats van het ongeval verliet terwijl hij wist of moest vermoeden dat het slachtoffer letsel had opgelopen (artikel 7 WVW Pro).

Het beroep op psychische overmacht werd verworpen omdat niet aannemelijk was dat verdachte aan een van buiten komende drang geen weerstand kon bieden. Gelet op de ernst van het letsel, de omstandigheden en de persoonlijke situatie van verdachte, legde de rechtbank een taakstraf van 60 uur op en een rijontzegging van zes maanden. De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onduidelijkheid over reeds vergoede schade.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van schuld aan ongeval, veroordeeld voor gevaar veroorzaken en verlaten plaats ongeval met taakstraf en rijontzegging.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/206291-25
Datum uitspraak: 9 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M. van der Veen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.S. Avagyan, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] , ingediend door zijn advocaat mr. A. Hashem Jawaheri.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is - samengevat - tenlastegelegd dat door zijn schuld op 12 mei 2025 te Amsterdam een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht, door met een te hoge snelheid - terwijl de verkeerslichten bij de kruising niet in werking waren - links af te slaan en een rechtdoorgaande bestuurder van een bromfiets geen voorrang te verlenen waardoor hij tegen die [slachtoffer] is aangereden en/of aangebotst, dan wel (subsidiair) het zich dusdanig gedragen dat daardoor gevaar en/of hinder op de weg werd veroorzaakt.
Daarnaast is aan verdachte tenlastegelegd dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat bij dat ongeval letsel en/of schade was toegebracht aan [slachtoffer] en hem in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de
bijlageen geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994 (hierna: WVW) en de onder 2 ten laste gelegde overtreding van artikel 7 WVW Pro kunnen worden bewezen.
Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte de in de tenlastelegging weergegeven feitelijke gedragingen heeft begaan. De mate van schuld kan worden gekwalificeerd als ernstige/grove schuld. Aan [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is hierdoor zwaar lichamelijk letsel toegebracht.
Ook het onder 2 tenlastegelegde kan worden bewezen. Verdachte wist dat hij [slachtoffer] had aangereden en dat hij schade en letsel had. Nadat hij de bromfiets van [slachtoffer] weg had gezet, heeft verdachte de plaats van het ongeval verlaten en heeft hij [slachtoffer] in hulpeloze toestand achtergelaten. Het feit dat getuige [getuige] (hierna: getuige [getuige] ) aanwezig was, maakt dit niet anders. Hij wist niet wat er gebeurd was en hij had geen verplichting te blijven zonder enige communicatie met verdachte. Het was aan verdachte om te zorgen dat het slachtoffer de benodigde hulp en zorg kreeg en dat de gegevens van verdachte bekend waren.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden. Verdachte heeft één verkeersovertreding begaan door geen voorrang te verlenen aan de bestuurder van de bromfiets, die zelf ook onvoldoende heeft opgelet en niet heeft geremd ondanks dat er voor verdachte eerst nog een andere auto afsloeg. Niet kan worden bewezen dat verdachte te hard zou hebben gereden. Dit is ook niet aannemelijk, aangezien de bocht relatief scherp was en verdachte met een snelheid van minstens 50 km/u uit de bocht zou zijn gevlogen. Nu verdachte bij het afslaan geen andere verkeersovertreding heeft begaan, is zijn verkeersgedrag onvoldoende ernstig om tot een bewezenverklaring van schuld te komen.
Ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. Strikt genomen heeft verdachte wel de plaats van het ongeval verlaten, maar omdat getuige [getuige] aanwezig was heeft verdachte [slachtoffer] niet in hulpeloze toestand achtergelaten. Verdachte verkeerde in een shock na het ongeval en heeft vanuit die psychische overmacht de plaats van het ongeval verlaten. Er was volgens de raadsman dan ook geen sprake van opzet bij verdachte.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
Op 12 mei 2025 omstreeks 05:54 uur reed verdachte in een personenauto, een grijze Seat Ibiza met kenteken [kenteken 1] ,op de Piet Heinkade . Hij kwam uit de richting van het Centraal Station Amsterdam en ging in de richting van de Piet Heintunnel . Bij de kruising met de Oostelijke Handelskade is verdachte linksaf geslagen. [2] De verkeerslichten waren op dat moment niet in werking en knipperden geel. [3]
Intussen reed het latere slachtoffer, [slachtoffer] , op zijn bromfiets met kenteken [kenteken 2] op de Piet Heinkade ter hoogte van de Oostelijke Handelskade . Hij kwam uit de richting van de Piet Heintunnel en ging in de richting van het Centraal Station . Bij de verkeerslichten ter hoogte van de Oostelijke Handelskade wilde [slachtoffer] rechtdoor over de Piet Heinkade rijden. [4]
Verdachte is vervolgens tegen [slachtoffer] aangebotst. [5] Verdachte heeft verklaard dat voor hem een andere auto linksaf sloeg naar de Oostelijke Handelskade en dat hij dit ook wilde doen. Op het moment dat hij de bocht maakte, hoorde hij een harde klap. Hij heeft [slachtoffer] niet gezien. Vanaf het moment van de klap weet hij niets meer. [6]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op de Piet Heinkade reed en een persoon
(de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )op de weg zag liggen. Hij zag een grijze auto stilstaan en hij zag dat de bestuurder
(de rechtbank begrijpt: verdachte)uitstapte en de bromfiets van de weg haalde en op het trottoir zette. Vervolgens zag hij tot zijn verbazing dat verdachte weer instapte en wegreed in de richting van de Oostelijke Handelskade . Getuige [getuige] heeft toen zijn auto stilgezet en is naar [slachtoffer] toegelopen om hem eerste hulp te verlenen. Hij hoorde dat [slachtoffer] veel pijn had en zag dat hij zijn rechterpols ondersteunde met zijn andere hand. Ook zag hij veel brokstukken op de weg liggen en dat de bromfiets veel schade had. [7]
Op camerabeelden is te zien dat verdachte zijn auto heeft geparkeerd op de Oostelijke Handelskade ter hoogte van nummer 4 (nachtclub Panama) . Verdachte is uitgestapt en heeft zijn weg lopend vervolgd. [8] Verdachte heeft verklaard dat hij degene is die te zien is op de beelden. Hij weet niet meer waarom hij is weggegaan en hoe hij is thuisgekomen. [9]
[slachtoffer] heeft ten gevolge van het ongeval zijn rechter (onder)arm gebroken. Hiervoor is hij geopereerd waarbij er een metalen plaat is geplaatst. Daarnaast moest zijn rechter teelbal operatief worden verwijderd. [10]
4.3.2.
Beoordeling feit 1 primair (artikel 6 WVW Pro) en feit 1 subsidiair (artikel 5 WVW Pro)
Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 WVW Pro komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan.
Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. [11]
Vrijspraak artikel 6 WVW Pro
De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte als bestuurder van een personenauto heeft gereden over de Piet Heinkade en dat hij bij de kruising met de Oostelijk Handelskade , waar op dat moment de verkeerslichten niet in werking waren en geel knipperden, linksaf is geslagen. Hij heeft zich daarbij niet, althans niet tijdig en voldoende, vergewist dat de Piet Heinkade vrij was van enig kruisend verkeer en heeft daardoor geen voorrang verleend aan de rechtdoorgaande bestuurder van een bromfiets waardoor zij in botsing zijn gekomen. Op grond van de onderzoeksbevindingen kan de rechtbank niet vaststellen hoe hard verdachte heeft gereden en of dat harder was dan de toegestane snelheid van 50 km/u dan wel of dat met een snelheid was die te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse. Het enkele gegeven dat [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte met een hoge snelheid kwam aanrijden en verdachte de bestuurder van de bromfiets niet op tijd heeft gezien, is voor die vaststelling onvoldoende. Door geen voorrang te verlenen waar hij dat wel had moeten doen, heeft verdachte een verkeersfout gemaakt, waarvan de gevolgen voor het slachtoffer ernstig zijn gebleken. Deze verkeersfout is in de gegeven omstandigheden echter onvoldoende om te spreken van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid zoals bedoeld in artikel 6 van Pro de WVW. De rechtbank zal verdachte derhalve van het primair tenlastegelegde vrijspreken.
De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte zich door zijn handelen schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 van Pro de WVW, omdat hij met zijn verkeersgedrag een gevaar op de weg heeft veroorzaakt en het verkeer op de weg heeft gehinderd en uiteindelijk tegen [slachtoffer] is aangebotst.
4.3.3.
Beoordeling feit 2 (artikel 7 WVW Pro)
De rechtbank acht dit feit bewezen en overweegt hiertoe als volgt.
Vast staat dat verdachte als betrokkene bij een verkeersongeval de plaats van het ongeval heeft verlaten. Hij heeft zijn gegevens niet bekend gemaakt en is pas een maand later (buiten heterdaad) aangehouden. De rechtbank vindt het gegeven dat verdachte na het ongeval is uitgestapt en de bromfiets (die zichtbaar was beschadigd) op het trottoir heeft gezet redengevend voor het bewijs dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan [slachtoffer] schade en letsel was toegebracht. De rechtbank is tevens van oordeel dat verdachte [slachtoffer] in hulpeloze toestand heeft achtergelaten. Het verweer van de raadsman dat hiervan geen sprake zou zijn omdat getuige [getuige] aanwezig was, wordt verworpen. Uit de verklaring van getuige [getuige] volgt namelijk dat verdachte al was weggereden voordat de getuige uit de auto was gestapt om [slachtoffer] van eerste hulp te voorzien. Daarbij was het oordeel van de rechtbank niet anders geweest als getuige [getuige] wel al ter plaatse was geweest op het moment dat verdachte wegreed. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de betrokkene er niet op mag vertrouwen dat anderen voor de gewonde persoon zullen zorgen, ook niet als het verkeersongeval op een drukke straat plaatsvindt of anderen nabij zijn. [12] De plicht om onmiddellijk hulp en zorg te bieden aan degene aan wie bij een ongeval letsel is toegebracht, rustte op verdachte zelf. Door zich niet om [slachtoffer] te bekommeren en weg te rijden, heeft verdachte hem in hulpeloze toestand achtergelaten. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit. Daarbij merkt de rechtbank in reactie op het verweer van de raadsman op dat niet hoeft te worden bewezen dat verdachte opzettelijk de plaats van het ongeval heeft verlaten, omdat opzet geen bestanddeel is van de delictsomschrijving van artikel 7 WVW Pro.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in de voetnoten, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat, bewezen dat verdachte:
1. subsidiair
op 12 mei 2025 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Piet Heinkade en de Oostelijke Handelskade , zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd,
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft gereden over de Piet Heinkade , komende uit de richting van Centraal Station Amsterdam en gaande in de richting van de Piet Heintunnel ,
terwijl de verkeerslichten bij de kruising met de Oostelijke Handelskade niet in werking waren, althans geel knipperden,
verdachte is vervolgens links afgeslagen naar de Oostelijke Handelskade ,
verdachte heeft zich bij het afslaan niet, althans niet tijdig en voldoende, vergewist en is zich niet, althans niet tijdig en voldoende, blijven vergewissen dat de Piet Heinkade vrij was van enig (kruisend) verkeer,
verdachte heeft vervolgens in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een rechtdoorgaande verkeersdeelnemer, te weten de bestuurder van een bromfiets, geen voorrang verleend,
verdachte is vervolgens tegen [slachtoffer] aangebotst;
2.
als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Amsterdam aan de Piet Heinkade en/of de Oostelijke Handelskade op 12 mei 2025, de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan [slachtoffer] letsel en schade was toegebracht en [slachtoffer] , aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

7.1.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft bepleit dat sprake was van psychische overmacht. Verdachte verkeerde na het ongeval in een shocktoestand en kon niet helder nadenken. Zijn atypische handelingen, namelijk het wegzetten van de bromfiets en het achterlaten van zijn auto bij een nabijgelegen parkeerplek, wijzen erop dat verdachte niet opzettelijk probeerde weg te vluchten. Als hij had willen vluchten, dan zou hij zijn doorgereden.
7.2.
Standpunt openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op psychische overmacht ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden verworpen en dat verdachte strafbaar is. Er is niet aannemelijk geworden dat verdachte in een shocktoestand verkeerde.
7.3.
Oordeel rechtbank
Door de verdediging is ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde een beroep gedaan op psychische overmacht. Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Daarnaast kan onder omstandigheden het feit dat de verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht.
De rechtbank verwerpt het beroep op psychische overmacht en overweegt hiertoe als volgt. Verdachte is na het verkeersongeval uitgestapt, heeft de bromfiets van het slachtoffer op het trottoir gezet en is vervolgens weggereden en heeft zijn auto verderop geparkeerd, waarna hij lopend is vertrokken. Verdachte is tijdens het politieverhoor bevraagd over deze gedragingen en heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht. Eerst op zitting heeft hij verklaard dat hij op dat moment in een shocktoestand verkeerde. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. De enkele stelling dat verdachte in een shocktoestand zou hebben verkeerd en dat sprake zou zijn geweest van atypisch gedrag is in dat verband – mede in het licht van de gegeven onderbouwing – onvoldoende.
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen

8.1.
Vordering van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, zal worden opgelegd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar zal worden opgelegd.
8.2.
Strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is first offender. Daarnaast draagt verdachte na het overlijden van zijn moeder de zorg voor zijn vader. Hij heeft zijn rijbewijs nodig om hem ad hoc te kunnen bezoeken. Tot slot krijgt verdachte binnenkort een eigen woning. Dit traject dient niet te worden doorkruist.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
8.3.1.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft gevaar en hinder op de weg veroorzaakt door bij de kruising van de Piet Heinkade met de Oostelijke Handelskade , terwijl de verkeerslichten niet werkten, links af te slaan zonder goed te kijken of er geen kruisend verkeer was en daarbij geen voorrang te verlenen aan een rechtdoorgaande verkeersdeelnemer. Hierdoor is verdachte tegen de bestuurder van een bromfiets aangebotst. Ten gevolge van het verkeersongeval is het slachtoffer zwaargewond geraakt. Het slachtoffer heeft een gebroken arm opgelopen en zijn rechter teelbal moest operatief worden verwijderd. Ook is er schade ontstaan aan de bromfiets. Vervolgens is verdachte uitgestapt en heeft hij de bromfiets van het slachtoffer aan de kant gezet. In plaats van zich te ontfermen over het slachtoffer, hem zorg te verlenen en hulp in te schakelen, is verdachte weer in zijn auto gestapt en is hij vertrokken. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.
8.3.2.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 2 maart 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Wel is verdachte tweemaal veroordeeld voor rijden onder invloed.
8.3.3.
Straffen
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde verkeersdelicten de oplegging van een geldboete niet passend is, waarbij de rechtbank het verdachte in het bijzonder kwalijk neemt dat hij nadat hij betrokken was bij een ernstig verkeersongeval het slachtoffer in hulpeloze toestand heeft achtergelaten. De rechtbank betrekt hierbij tevens dat verdachte tweemaal veroordeeld is voor het rijden onder invloed. Dit zijn ook ernstige strafbare feiten in het verkeer. Tot slot heeft verdachte op dit moment geen werk en ontvangt hij een uitkering, waardoor ook om die reden een geldboete niet passend is.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een taakstraf van 30 uren per feit passend en geboden is, wat in totaal neerkomt op een taakstraf van 60 uren. Ten aanzien van het overtreden van artikel 5 WVW Pro ontzegt de rechtbank verdachte daarnaast de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. Met de rijontzegging wordt tevens beoogd verkeersdeelnemers te beschermen tegen mogelijke herhaling van onvoorzichtig en/of anderszins gevaarzettend gedrag.

9.Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 1.797,48 aan vergoeding van materiële schade en € 35.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
In het verzoek tot schadevergoeding d.d. 27 oktober 2025 heeft de benadeelde partij op pagina 4 ingevuld dat de verzekering recent aansprakelijkheid heeft erkend. Daarnaast blijkt uit een door de raadsman van verdachte ter zitting overgelegde productie dat de schade van de benadeelde partij op 22 juli 2025 reeds is geclaimd bij de WAM-verzekeraar van verdachte. Voorts blijkt uit een tweede overlegde productie dat de raadsman op 19 maart 2026 een e-mail heeft gestuurd aan de advocaat van de benadeelde partij, waarin hij gelet op voornoemde schadeclaim heeft gevraagd om een toelichting op de laatste stand van zaken. Hierop is geen reactie gekomen en de advocaat van de benadeelde partij is ook niet ter zitting verschenen om een toelichting te geven. Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld of en zo ja hoeveel schade er reeds is vergoed en daarmee of en in welke mate er nog schade is die voor vergoeding in aanmerking komt. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden en dat levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 7, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 1 primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 subsidiair:
overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994;
ten aanzien van feit 2:
overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
ten aanzien van feit 1 subsidiair:
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvan
30 (dertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf
nietnaar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van
15 (vijftien) dagen.
Ontzegtverdachte de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
6 (zes) maanden.
ten aanzien van feit 2:
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvan
30 (dertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf
nietnaar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van
15 (vijftien) dagen.
Vordering tot schadevergoeding
Verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.M. Beunk, voorzitter,
mrs. D. Bode en P.K. Oosterling - van der Maarel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 april 2026.
[…]
,
[…]

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Proces-verbaal Aanrijding misdrijf met nummer PL1300-2025115264-1, p. 8; de bekennende verklaring van verdachte ter zitting.
3.Proces-verbaal Aanrijding misdrijf met nummer PL1300-2025115264-1, p. 8; proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025115264-20 van 9 juni 2025, p. 41.
4.Proces-verbaal Aanrijding misdrijf met nummer PL1300-2025115264-1, p. 8; proces-verbaal aangifte met nummer PL1300-2025115264-12 van 12 mei 2025, p. 37.
5.Ibid. Noot 4.
6.De bekennende verklaring van verdachte ter zitting.
7.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] met nummer PL1300-2025115264-8 van 15 mei 2025, p. 20.
8.Proces-verbaal van bevindingen met fotobijlage met nummer PL1300-2025115264-25 van 23 juni 2025, p. 45 en 107.
9.De bekennende verklaring van verdachte ter zitting.
10.Letselverklaring Amsterdam UMC d.d. 13 mei 2025, p. 70; proces-verbaal verhoor slachtoffer met nummer PL1300-2025115264-19 van 18 juni 2025, p. 65.
11.HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822.
12.Hoge Raad 10 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:394.