Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
10 maart 2020.
Hoge Raad
Op 31 december 2015 veroorzaakte de verdachte een verkeersongeval in Nijmegen waarbij een bromfietser ernstig letsel opliep. De verdachte reed weg vanuit een parkeerstand en botste frontaal met de bromfietser, die ten val kwam met een gebroken heup en een dubbel gecompliceerde beenbreuk tot gevolg.
De verdachte verliet de plaats van het ongeval terwijl het slachtoffer achterbleef. Hoewel omstanders aanwezig waren die het slachtoffer te hulp kwamen, stelde de verdediging dat er geen sprake was van het achterlaten in een hulpeloze toestand zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 onder Pro b (oud) WVW 1994. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat de verdachte verplicht was zelf hulp te verlenen.
De Hoge Raad bevestigde dat de aanwezigheid van omstanders niet automatisch betekent dat een slachtoffer niet in een hulpeloze toestand wordt achtergelaten. De verdachte kon niet vertrouwen op de hulp van derden zonder zelf te handelen. Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat verdachte de bromfietser in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.