Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3735

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
11871687 \ EA VERZ 25-1037 en 11902857 \ EA VERZ 25-1122
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1 cao POArt. 3.3 cao POArt. 7:668a BWArt. 7:673 lid 9 onder a BWArt. 7:681 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en aanzegplicht cao Primair Onderwijs

De zaak betreft een geschil tussen een stichting als werkgever en een werkneemster over de verlenging van een arbeidsovereenkomst en de toepassing van de cao Primair Onderwijs (cao PO).

De werkneemster trad in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die stilzwijgend werd verlengd zonder aanzegging door de werkgever, wat een schending van de aanzegplicht uit artikel 3.3 lid 2 cao PO inhoudt. Volgens artikel 3.3 lid 3 cao PO wordt de arbeidsovereenkomst dan geacht te zijn verlengd voor bepaalde tijd onder dezelfde voorwaarden.

De werkneemster stelde dat de verlenging stilzwijgend voor onbepaalde tijd was, mede vanwege een beschikking van het hof Den Haag, maar de rechtbank volgt het oordeel van het hof Amsterdam dat in deze situatie de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is verlengd. De werkgever heeft tijdig aangezegd dat de overeenkomst niet wordt verlengd na 1 augustus 2025, waardoor het dienstverband eindigt.

De ontbindingsverzoeken van de werkgever worden afgewezen, evenals de verzoeken van de werkneemster om een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of een billijke vergoeding. Wel wordt de werkgever veroordeeld om binnen een week na betekening melding te doen bij het UWV dat de werkneemster ziek uit dienst is getreden. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is verlengd voor bepaalde tijd, ontbindingsverzoeken worden afgewezen en werkgever moet melding doen bij UWV van ziek uit dienst treden.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummers / rekestnummers:
zaak I: 11871687 \ EA VERZ 25-1037 (ontbindingsverzoek van [verzoeker] )
zaak II: 11902857 \ EA VERZ 25-1122 (verzoek tot verklaring voor recht van [verweerder] )
Beschikking van 14 april 2026
in de zaken van
de stichting [verzoeker],
te [vestigingsplaats] ,
verzoekende partij in zaak I,
verwerende partij in zaak II,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. J.A. Keijser,
tegen
[verweerder],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij in zaak II,
verwerende partij in zaak I,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. D. Andringa.

1.De procedure

1.1.
In zaak I heeft [verzoeker] een verzoek gedaan om – voor zover nog een arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat –, die te ontbinden, waar [verweerder] zich tegen heeft verweerd.
1.2.
In zaak II heeft [verweerder] onder meer een verzoek gedaan voor een verklaring voor recht dat zij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft en om doorbetaling van haar loon vanaf 1 augustus 2025. [verzoeker] heeft zich hiertegen verweerd.
1.3.
Op 5 februari 2026 heeft in beide zaken gelijktijdig een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Voorafgaand aan de zitting hebben beide partijen nog stukken overgelegd. Namens [verzoeker] en [verweerder] zijn ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Op de zitting hebben partijen verzocht om de zaken veertien dagen aan te houden om na te gaan of een schikking mogelijk is.
1.4.
Nadat partijen hebben meegedeeld dat zij er niet zelf uit zijn gekomen, hebben zij beide schriftelijk een tweede termijn voor beide zaken ingediend.

2.De feiten

2.1.
[verweerder] , geboren [geboortedatum] 1987, is op 1 augustus 2023 in dienst gekomen bij [verzoeker] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 31 juli 2023. De functie van [verweerder] is Intern Begeleider op [school] met een deeltijdfactor 0,8 en een loon van € 4.389,60 bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Primair Onderwijs (hierna: de cao PO) van toepassing.
2.2.
[verweerder] volgt tevens een universitaire opleiding.
2.3.
De arbeidsovereenkomst is na afloop van het eerste jaar voortgezet, zonder dat partijen daar met elkaar over hebben gesproken. Bij die verlenging heeft [verzoeker] zonder overleg de deeltijdfactor verlaagd naar 0,6.
2.4.
Een docent op [school] heeft [verweerder] in een gesprek en e-mailwisseling van begin november 2024 – kort gezegd – op een beledigende wijze verteld dat [verweerder] niet geschikt was voor haar functie. Een collega-docent heeft later verklaard dat zij niet achter de wijze van communiceren van haar collega staat, dat zij wel goed contact en goede ervaringen met [verweerder] heeft, maar wel de kritiek herkent dat –samengevat – afspraken niet altijd goed verlopen.
2.5.
In de loop van november 2024 heeft [verweerder] een gesprek met haar leidinggevende [naam] , waarbij zij verklaart dat haar gevoel van veiligheid op de werkvloer is aangetast, wat haar welzijn en functioneren heeft aangetast. Zij kondigt verder aan dat zij haar toekomst ziet in een wetenschappelijke loopbaan.
2.6.
In een e-mail van 28 november 2024 aan [naam] en het bestuur van [verzoeker] schrijft zij dat het voor haar tijd is een nieuwe weg in te slaan, omdat haar passie niet bij Intern Begeleider maar in de wetenschap ligt, in combinatie met haar gevoel van onveiligheid binnen de organisatie. Zij constateert dat de pogingen om het conflict met haar collega tot een oplossing te brengen niet zijn gelukt en bedankt [naam] voor zijn inspanningen haar hierbij te ondersteunen. Zij schrijft verder dat zij haar werk bij [school] graag goed wil overdragen en achterlaten en komt met een voorstel om vanaf januari 2025 haar werk af te bouwen tot één dag in de week en om haar opgebouwde studieverlof op te nemen.
2.7.
In een brief van 18 december 2024 heeft [verzoeker] geschreven dat volgens haar geen sprake is van een dienstverband voor onbepaalde tijd, maar van een verlengde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Verder heeft zij afspraken geformuleerd voor de beëindiging van het dienstverband, onder meer dat [verzoeker] de eenzijdige aanpassing van de deeltijdfactor naar 0,6 terugdraait, dat de ontslagdatum 1 mei 2025 is, [verweerder] voor 1 januari 2025 per e-mail zal verzoeken om eervol ontslag, zij haar werk overdraagt en dat zij haar werk als Intern Begeleider per 14 februari 2025 beëindigt. Die afspraken heeft [verweerder] niet voor akkoord getekend.
2.8.
[verweerder] heeft enige dagen later op de kerstlunch van [school] een gedicht voorgedragen dat onder meer luidt:
Een gedicht voor [school]
(…)
Zelf heb ik ook mijn hobbels gekend,
Een zieke vader, niet één, maar twee keer in die tijd, wat een vent.
Een studie afgerond en weer een gestart,
En in de wetenschap verloor ik mijn hart.
Ik ben geen Ib’er, dat weten we wel,
Cijfers onthouden, dat is meer mijn spel.
Meer onderzoeker dan coördinator van aard,
Een teken, misschien, dat mijn keuze verklaart.
Na de vakantie werk ik nog een paar dagen,
Om alles netjes af te ronden, en jullie niet achter te laten met nog meer vragen.
Bedankt lieve mensen, voor alles wat was,
(…)
Ik kies nu voor de wetenschap, een nieuwe tijd,
Maar [school] , dat blijft een mooie en leerzame herinnering, altijd.”
Het gedicht heeft [verweerder] op [datum] 2025 ook op Parro, de ouder-app, geplaatst.
2.9.
Vanaf half januari 2025 heeft [verzoeker] meermaals aan [verweerder] gevraagd om het ontslagverzoek in te dienen. Dat is niet gebeurd. Verzoeken van [verzoeker] om een gesprek met [verweerder] zijn op niets uitgelopen.
2.10.
[verweerder] heeft vervolgens verzocht om zorgverlof voor haar zieke vader, heeft om ondertekening verzocht van een aanvraag voor een lerarenbeurs en heeft een klacht ingediend over een onveilige werksituatie.
2.11.
[verweerder] heeft sinds eind februari, begin maart 2025 geen werkzaamheden meer verricht.
2.12.
[verzoeker] heeft met de brief van 30 mei 2025 aangezegd dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege afloopt en per augustus 2025 niet zal worden verlengd.
2.13.
[verweerder] heeft zich op 25 juli 2025 ziekgemeld.
2.14.
[verzoeker] heeft [verweerder] tot en met juli 2025 salaris betaald.

3.De verzoeken en de verweren

In zaak I, het verzoek van [verzoeker]
3.1.
verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] – voor zover die nog zou bestaan – te ontbinden, primair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, subsidiair op basis van een andere grond die zodanig is dat in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsverhouding voort te laten duren (h-grond), meer subsidiair vanwege een combinatie van gronden.
3.2.
Volgens [verzoeker] is de verlengde arbeidsovereenkomst ook voor bepaalde tijd en is die per 1 augustus 2025 van rechtswege geëindigd. Omdat [verweerder] betwist dat de overeenkomst voor bepaalde tijd is, stelt [verzoeker] dat zij een gerechtvaardigd belang heeft bij zekerheid. Volgens [verzoeker] zijn er ook redelijke gronden om de overeenkomst, voor zover die nog bestaat, alsnog te ontbinden.
3.3.
[verweerder] voert aan dat de verlengde arbeidsovereenkomst volgens de regels van de cao PO van onbepaalde tijd is, zodat die ten onrechte is opgezegd. Verder betwist zij dat er gronden zijn voor ontbinding. Daarbij kan zij herplaatst worden, omdat [verzoeker] 21 scholen omvat. Ook wijst zij erop dat ze ziek is. Voor zover de overeenkomst ontbonden wordt, verzoekt zij om een billijke vergoeding en een transitievergoeding.
In zaak II, het verzoek van [verweerder]
3.4.
[verweerder] verzoekt primair voor recht te verklaren dat de verlengde arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan, de opzegging van 30 mei 2025 te vernietigen en [verzoeker] te veroordelen tot doorbetaling van het loon vanaf 1 augustus 2025, te verhogen met wettelijke verhoging en wettelijke rente. Verder verzoekt zij om – kort gezegd – het opstarten van het wettelijke re-integratietraject met oplegging van een dwangsom als dat niet gebeurt.
Voor zover de verlengde arbeidsovereenkomst niet van onbepaalde tijd was, verzoekt zij subsidiair om [verzoeker] te veroordelen – kort gezegd – een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden per 1 augustus 2025 en een re-integratietraject op te starten.
Voor zover dat niet wordt toegewezen, verzoekt zij meer-subsidiair om [verzoeker] te veroordelen om het UWV te melden dat zij ziek uit dienst in getreden, met oplegging van een dwangsom als dat niet gebeurt.
3.5.
Volgens [verweerder] volgt uit de cao PO dat de tweede arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan, temeer omdat dit stilzwijgend is gegaan. Er is dus geen sprake van een zeer uitzonderlijk geval als genoemd in de cao PO, waarbij de tweede arbeidsovereenkomst nog voor bepaalde tijd kan worden aangegaan.
3.6.
[verzoeker] voert met name aan dat de verlengde overeenkomst voor bepaalde tijd is aangaan, omdat die volgens de cao PO onder dezelfde voorwaarden wordt voortgezet.

4.De beoordeling van de verzoeken in beide zaken

4.1.
Beide zaken gaan over dezelfde rechtsvragen en dezelfde feiten, zodat ze samen worden beoordeeld.
4.2.
Het gaat in beide zaken allereerst om de vraag of de verlengde arbeidsovereenkomst voor bepaalde of voor onbepaalde tijd is aangegaan. Voor zover die voor onbepaalde tijd is verlengd, moet de verzoeken van zaak I worden beantwoord, namelijk of die nog lopende arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden. Voor zover de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is verlengd, moeten de subsidiaire en meer-subsidiaire verzoeken van zaak II worden beantwoord, namelijk of [verzoeker] een nieuwe overeenkomst moet aanbieden, althans of [verzoeker] aan [verweerder] een billijke vergoeding moet betalen.
Is de verlengde arbeidsovereenkomst voor bepaalde of voor onbepaalde tijd aangegaan?
4.3.
De regels voor het aanbieden en verlengen van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zijn vastgelegd in de artikelen 3.1 en 3.3 van de cao PO, die in de relevante versies steeds gelijkluidend waren. Partijen zijn het er over eens dat [verweerder] geen vervanging of werkzaamheden van tijdelijke aard deed. In dat geval is op grond van artikel 3.1 lid 2 cao PO het uitgangspunt dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is, maar dat eenmaal een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan worden aangegaan en slechts in zeer bijzondere gevallen hierna nogmaals voor maximaal twaalf maanden. Verder erkennen partijen dat [verzoeker] heeft nagelaten om [verweerder] aan te zeggen of de arbeidsovereenkomst al dan niet zou worden verlengd en zo de aanzegplicht van artikel 3.3 lid 2 cao PO heeft geschonden. Artikel 3.3 lid 3 cao PO bepaalt dat als de aanzegplicht geschonden wordt, de werknemer geacht wordt werkzaam te zijn in een verlengd dienstverband voor bepaalde tijd onder dezelfde voorwaarden.
4.4.
In hun reacties na de mondelinge behandeling hebben beide partijen gewezen op een beschikking van het hof Den Haag van 30 januari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:10. In die beschikking overweegt het hof dat het aanbieden van een tweede contract voor bepaalde tijd slechts in uitzonderlijke situaties is toegestaan. Verder wordt geoordeeld dat achter artikel 3.1 lid 2 cao PO een beschermingsgedachte zit, waarbij – kort gezegd – een conversie naar een contract voor onbepaalde tijd als sanctie op het onterecht aanbieden van een tweede contract voor bepaalde tijd beter in het systeem van deze cao past. Hierbij wijst het hof op artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.5.
Volgens [verweerder] is de beschikking van 30 januari 2026 van het hof Den Haag op haar situatie van toepassing, omdat het uitgangspunt van de cao PO een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is en de beschermingsgedachte ook hier de doorslag geeft. Daarbij wijst [verweerder] erop dat een werkgever die de uitzondering van een zeer bijzondere situatie niet kan aantonen, deze zou kunnen omzeilen door eenvoudigweg de aanzegplicht te schenden. Want dan zou met artikel 3.3 lid 3 cao PO de overeenkomst voor bepaalde tijd worden voortgezet, wat nooit de bedoeling kan zijn.
4.6.
Volgens [verzoeker] valt de situatie tussen haar en [verweerder] niet onder deze beschikking. In de zaak bij het hof had de werkgever de werknemer wel een tweede contract aangeboden. Dat is hier niet gebeurd, zodat volgens [verzoeker] op artikel 3.3 lid 3 cao PO moet worden teruggevallen. Zij wijst hierbij op een beschikking van het hof Amsterdam van 29 november 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3327, waarin dat is geoordeeld.
4.7.
In deze beschikking van 29 november 2022 van het hof Amsterdam had de werkgever te laat aangezegd dat de eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet verlengd zou worden. Het hof oordeelt dat de sanctie op het schenden van de aanzegplicht in de cao PO is bepaald en duidelijk is, namelijk dat het dienstverband is verlengd voor opnieuw dezelfde bepaalde tijd.
4.8.
Met [verzoeker] wordt geoordeeld dat het in de zaak van het hof Den Haag om een andere situatie gaat dan in die van het hof Amsterdam. In de zaak waar het Hof Den Haag over heeft geoordeeld, was een tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangeboden omdat volgens de werkgever sprake was van een zeer bijzonder geval. Het hof Den Haag heeft een oordeel gegeven of sprake was van een zeer bijzondere geval als bedoeld in de laatste zin van artikel 3.1 lid 2 cao PO en wat de sanctie is als die voorwaarde wordt geschonden. In de zaak bij het hof Amsterdam werd over iets anders geoordeeld, namelijk wat de sanctie is als de aanzegverplichting van artikel 3.3 lid 2 cao PO werd geschonden. Het hof Amsterdam oordeelde dat de sanctie daarvan in het huidige artikel 3.3 lid 3 cao PO staat.
4.9.
Weliswaar heeft [verweerder] een punt dat het in situaties als deze voor de werkgever gunstiger uit kan pakken om de aanzegplicht te schenden, dan aan te zeggen en ten onrechte te verlengen voor bepaalde tijd. De sanctie op het schenden van de aanzegplicht is dan immers aanzienlijk gunstiger voor de werkgever.
4.10.
Het is alleen niet aan de rechter, maar aan de cao-partijen om artikel 3.3 lid 3 cao PO hierop aan te passen. [verweerder] ziet namelijk over het hoofd dat artikel 3.3 lid 3 cao PO op meer situaties betrekking heeft dan de situatie die hier speelt, te weten het uitgangspunt dat eenmaal een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan worden aangegaan. Het artikel ziet immers ook op de situatie waarin sprake is van vervanging of van het verrichten van werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard. In die situaties staat de cao PO meer opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van bepaalde tijd toe.
4.11.
Dat betekent dat de verlengde arbeidsovereenkomst van [verweerder] verlengd is voor bepaalde tijd, overeenkomstig het oordeel van het hof Amsterdam in zijn beschikking van 29 november 2022.
4.12.
Omdat niet betwist is dat [verzoeker] tijdig [verweerder] heeft aangezegd dat de verlengde arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd, is het dienstverband geëindigd met ingang van 1 augustus 2025.
4.13.
Het gevolg hiervan is dat in zaak II de door [verweerder] primair verzochte verklaring voor recht dat de verlengde arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan, niet slaagt. Verder volgt uit het voorgaande dat de verzoeken van [verzoeker] in zaak I – de voorwaardelijke ontbindingsverzoeken – niet meer besproken hoeven te worden.
De beantwoording van de subsidiaire en meer-subsidiaire verzoeken van [verweerder] in zaak II
4.14.
[verweerder] heeft subsidiair in zaak II verzocht dat [verzoeker] haar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd moet aanbieden op grond van goed werkgeverschap, althans haar een billijke vergoeding moet betalen op grond van artikel 7:673 lid 9 onder Pro a BW. [verzoeker] betwist dat.
4.15.
In artikel 7:673 lid 9 onder Pro a BW is bepaald dat een werknemer een billijke vergoeding toekomt als de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd en het niet voortzetten daarvan het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
4.16.
[verweerder] voert aan dat het ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] bestaat uit het in stand houden van een onveilige werkplek na grensoverschrijdend gedrag richting haar door enkele collegas en verder door het eenzijdig verlagen van de omvang van het dienstverband van 0,8 naar 0,6, het geweigerde zorgverlof voor zorg aan haar vader en de weigering haar aanvraag om een lerarenbeurs te ondertekenen waardoor zij studievertraging heeft opgelopen.
4.17.
[verweerder] heeft zich bij haar leidinggevende, [naam] , beklaagd over de bejegening door haar collega over haar functioneren. Vaststaat dat de leidinggevende vervolgens in gesprek is gegaan met die collega, waarna [verweerder] haar leidinggevende voor de inspanningen heeft bedankt met de e-mail van 28 november 2024 (zie onder 2.6). Later heeft [verweerder] aangevoerd dat [verzoeker] hiermee niet genoeg heeft gedaan om een veilige werkomgeving voor haar te garanderen. Het ontstane werkklimaat zal ongetwijfeld hebben meegespeeld bij [verweerder] beslissing dat ze weg wilde bij [verzoeker] . Maar dat neemt niet weg dat [verweerder] daarbij expliciet heeft meegedeeld dat zij haar carrière voort wilde zetten in de wetenschap, dat de functie bij de [verzoeker] niet bij haar past en dat zij haar werkzaamheden bij de [verzoeker] op korte termijn zal afbouwen. Een mededeling die zij niet alleen bij haar leidinggevende, maar ook voor een breed publiek op school heeft gedaan met het uitspreken van het gedicht tijdens de kerstlunch en het publiceren van het gedicht daarna op een social-mediakanaal van de school. Vervolgens heeft zij haar werkzaamheden ook daadwerkelijk afgebouwd en geheel beëindigd eind februari, begin maart 2025, dus nog voor zij zich ziek meldde eind juli 2025. Onder deze omstandigheden kan [verweerder] niet langer volhouden dat zij niet werkelijk de intentie had haar carrière op een andere wijze invulling te geven en voorrang te geven aan haar studie, zelfs als haar beslissing mede was ingegeven door de onheuse bejegening van andere collega’s richting haar. Hieruit volgt dus niet dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten, waardoor de arbeidsovereenkomst niet werd voortgezet.
4.18.
Verder had de [verzoeker] onterecht de dienstomvang verlaagd naar 0,6, maar onbetwist heeft de [verzoeker] aangevoerd dat zij daar zelf achter is gekomen en dat recht hebben gezet. Ook is niet in geschil dat [verzoeker] de lerarenbeurs niet had getekend terwijl [verzoeker] geen reden had om dat niet te doen. Volgens [verzoeker] was het de bedoeling om die aanvraag te tekenen bij een gesprek met [verweerder] , maar dat gesprek heeft nooit plaatsgevonden. Vervolgens was [verzoeker] zich niet bewust dat de sluiting van de aanvraag vervroegd was, aldus [verzoeker] . Onbetwist is gebleven dat [verzoeker] [verweerder] daarna hiervoor financieel gecompenseerd heeft. Verder is onduidelijk gebleven of [verzoeker] de aanvraag voor zorgverlof daadwerkelijk heeft ontvangen. Al met al volgt hieruit dat [verzoeker] steken heeft laten vallen, wat wel als verwijtbaar maar niet als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten kan worden gekwalificeerd. Evenmin komt vast te staan dat dit verwijtbaar handelen of nalaten in relatie staat tot het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst.
4.19.
Uit het voorgaande volgt dat de [verzoeker] geen billijke vergoeding verschuldigd is op grond van artikel 7:673 lid 9 onder Pro a BW.
4.20.
Gelet op overweging 4.17, waaruit blijkt dat [verweerder] zelf meedeelde dat de functie niet bij haar paste, wat zij ook tijdens de kerstlunch richting school heeft geuit, bestaat evenmin aanleiding [verzoeker] te veroordelen om haar een nieuw dienstverband aan te bieden.
4.21.
De subsidiaire vorderingen in zaak II worden dan ook afgewezen.
4.22.
Meer-subsidiair heeft [verweerder] in zaak II allereerst verzocht om een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 lid 1 BW Pro ter hoogte van € 85.000,– bruto.
4.23.
In artikel 7:681 lid 1 BW Pro is bepaald dat een werknemer kan verzoeken om – kort gezegd – een opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werkgever te vernietigen of daarvoor in de plaats een billijke vergoeding toe te kennen. Met [verzoeker] wordt vastgesteld dat [verzoeker] de arbeidsovereenkomst hier niet heeft opgezegd, maar dat deze van rechtswege is geëindigd. Voor zover [verweerder] heeft bedoeld dat de brief van [verzoeker] aan [verweerder] van 30 mei 2025 een opzegging is, wordt zij daarin niet gevolgd. In die brief heeft [verzoeker] namelijk aangezegd dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd. Hiervoor is geoordeeld dat die arbeidsovereenkomst een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is. De brief van 30 mei 2025 is dus geen opzegging als bedoeld in artikel 7:681 lid 1 BW Pro, maar een aanzegging als bedoeld in artikel 7:668 BW Pro in samenhang met artikel 3.3 lid 2 cao PO.
4.24.
De meer-subsidiair verzochte billijke vergoeding wordt dan ook afgewezen.
4.25.
Verder heeft [verweerder] meer-subsidiair gevorderd om [verzoeker] te veroordelen het UWV te melden dat [verweerder] ziek uit dienst is getreden. Uit het verhandelde op de zitting en uit de schriftelijke tweede termijn begrijpt de kantonrechter dat het hier niet zozeer gaat om de door het UWV toegekende ziektewetuitkering, maar om de aanvullende ZAPO-uitkering op grond van de cao PO. [verzoeker] heeft verklaard dat [verweerder] deze aanvullende uitkering zelf had behoren aan te vragen, maar [verzoeker] heeft in de tweede termijn aangeboden dat als die ZAPO-uitkering niet met terugwerkende kracht toegekend kan worden, zij de misgelopen aanvullende ZAPO-uitkering voor haar rekening neemt.
4.26.
Partijen hebben zich verder niet uitgelaten of [verweerder] al dan niet ziek uitdienst is gemeld. Omdat dat niet is vast komen te staan, zal dit verzoek worden toegewezen voor zover dat niet is gebeurd. Gelet op het standpunt van [verzoeker] over de ZAPO-uitkering, wordt geen aanleiding gezien hier een dwangsom aan te verbinden.
De proceskosten in beide zaken
4.27.
Gelet op het verhandelde in beide zaken ziet de kantonrechter aanleiding om in beide zaken te bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
op de verzoeken van [verzoeker] in de zaak met het nummer EA VERZ 25-1037 (zaak I)
5.1.
wijst de (voorwaardelijke) verzoeken af,
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
op de verzoeken van [verweerder] in de zaak met het nummer EA VERZ 25-1122 (zaak II)
5.3.
wijst het primair en subsidiair verzochte af,
5.4.
veroordeelt [verzoeker] – voor zover dat niet is gebeurd – tot het doen van een melding bij het UWV dat [verweerder] ziek uit dienst is getreden binnen een week na betekening van deze beschikking,
5.5.
verklaart de veroordeling onder 5.4 uitvoerbaar bij voorraad [1] ,
5.6.
wijst het meer-subsidiair meer of anders verzochte af,
5.7.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. Otten en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.
761

Voetnoten

1.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.