Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Grondslag en inhoud van het EAB
4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
judgment of the court of appeal in Ghent // opposition not possible”. Bovendien heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit geen antwoord gegeven op de vraag van het openbaar ministerie van 13 maart 2026 of de zaak na het instellen van verzet in België in aanwezigheid van de opgeëiste persoon opnieuw ten gronde zal worden behandeld en of dan nieuw bewijsmateriaal zal worden toegelaten. In de zaken waarnaar de officier van justitie heeft verwezen, hebben de Belgische autoriteiten deze informatie wel gegeven.
Uit uw antwoord op onderstaande mail kan ik opmaken dat de beslissing niet aan [de opgeëiste persoon] in persoon is betekend en hij ook geen raadsman heeft gehad tijdens de procedure bij de correctionele rechtbank en het hof van beroep. Zou u mij over het volgende kunnen informeren:
“een gedetailleerde bespreking van alle mogelijke rechtsmiddelen en hun termijnen”. Deze informatie kan naar het oordeel van de rechtbank als een onvoorwaardelijke toezegging beschouwd worden dat de opgeëiste persoon gebruik kan maken van het rechtsmiddel van verzet binnen 15 dagen nadat de beslissing aan hem in persoon is betekend. Dat in deze aanvullende informatie niet nader is gespecificeerd dat dit (ook) inhoudt dat ‘de zaak opnieuw in aanwezigheid van de opgeëiste persoon ten gronde zal worden behandeld en nieuw bewijsmateriaal zal worden toegelaten’ bij eventueel gebruik van die rechtsmiddelen, is onvoldoende om aan die onvoorwaardelijke toezegging te twijfelen.
5.Genoegzaamheid
perpetratoris aangemerkt. Anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, vereist artikel 2 OLW Pro niet dat wordt vermeld onder welke omstandigheden de feiten zijn gepleegd. Het betoog dat de naam van het bedrijf dat betrokken zou zijn geweest bij de strafbare feiten niet is vermeld in de feitomschrijving slaagt evenmin, nu uit de feitomschrijving voldoende blijkt wat de pleegdatum, pleegplaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon is. In verband met het voorgaande is de naleving van het specialiteitsbeginsel naar het oordeel van de rechtbank gewaarborgd.
6.Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6 OLW Pro
8.Artikel 11 OLW Pro: Belgische detentieomstandigheden
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden
personal spacezal beschikken, hetgeen niet aan de orde is.
9.Slotsom
10.Toepasselijke wetsbepalingen
11.Beslissing
[de opgeëiste persoon]aan het Parket bij het hof van beroep in Gent, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.