Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3839

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
13-316298-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel naar België

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, voor de overlevering van een persoon zonder vaste verblijfplaats in Nederland. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de zittingen, maar werd vertegenwoordigd door een gemachtigde raadsman. Na een tussenuitspraak waarbij de rechtbank vragen stelde over de detentieomstandigheden in België, werd aanvullende informatie ontvangen die de zorgen over onmenselijke of vernederende behandeling wegneemt.

De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de opgeëiste persoon correct was vastgesteld en dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen. De Belgische autoriteiten garandeerden dat de detentieomstandigheden, waaronder voldoende persoonlijke ruimte en afgescheiden sanitair, zouden worden nageleefd. De rechtbank concludeerde dat er geen weigeringsgronden waren en dat de overlevering in overeenstemming is met fundamentele rechten en internationale standaarden.

Op basis van deze overwegingen besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open. De uitspraak werd gedaan in aanwezigheid van de voorzitter en twee rechters, en is openbaar uitgesproken op 16 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan België toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-316298-25
Datum uitspraak: 16 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 22 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 oktober 2025 door de onderzoeksrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 24 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op deze zitting, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is - conform de door hem ondertekende afstandsverklaring van 23 februari 2026 - niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn daartoe gemachtigd raadsman, mr. N. Stegerhoek, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak van 10 maart 2026 [3]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen over de detentieomstandigheden in Mechelen waar de opgeëiste persoon mee te maken zal krijgen als de overlevering wordt toegestaan.
Voorts heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 2 april 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is - conform de door hem ondertekende afstandsverklaring van 1 april 2026 - niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn daartoe gemachtigd raadsman, mr. N. Stegerhoek.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Marokkaanse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 10 maart 2026

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3) en de strafbaarheid van de feiten (onder 4). De overwegingen van de rechtbank moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro: Belgische detentieomstandigheden

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 5.1 en 5.4 van de tussenuitspraak van 10 maart 2026. De overwegingen uit de tussenuitspraak dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Naar aanleiding van vragen die de rechtbank in de tussenuitspraak heeft geformuleerd heeft het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken – Centrale autoriteit op 23 maart 2026 de volgende antwoorden verstrekt:

1. In hoerveer(de rechtbank begrijpt: hoeverre)heeft het interview van 16 december 2025 verstrekte informatie over de overbevolking en het niet afgescheiden sanitair gevolgen voor de verstrekte garantie? Welke gevolgen zijn dat?
Het interview in het artikel van 16 december 2025 heeft geen gevolgen voor de verstrekte garantie. België garandeert dat de detentiegarantie van [de opgeëiste persoon] zal worden gerespecteerd.
2. Voor zover (nog steeds) wordt gegarandeerd dat de opgeëiste persoon na overlevering ten minste 3 m2 persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel (exclusief sanitaire voorzieningen) en met afgescheiden sanitair tot zijn beschikking zal hebben, hoe wordt dat feitelijk gerealiseerd gelet op de overbevolkingscijfers in de instelling?
België garandeert dat gedetineerden die worden overgebracht met detentiegaranties, worden geplaatst in cellen die aan de vereiste garanties tegemoet komen. Gedetineerden worden geplaatst in een cel met maximum 1 andere persoon met apart sanitair. Deze wordt expliciet gecommuniceerd aan de Directie voor Penitentiaire instellingen en aan de gevangenis is kwestie door het parket bij overbrenging van de persoon.
3. Mocht dit aanleiding geven om de opgeëiste persoon in een andere detentie-instelling te plaatsen na zijn overlevering, kunt u aangeven welke dat zal zijn en welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in die detentie-instelling?
België behoudt de gevangenis van Mechelen daar alle detentiegaranties zullen worden nageleefd en er dus geen noodzaak is tot plaatsing in een andere instelling.
De rechtbank is, gelet op de individuele garantie van de Belgische autoriteiten van 7 januari 2026, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Uit de aanvullende informatie van 23 maart 2026 blijkt dat alle afgegeven detentiegaranties zullen worden nageleefd.
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de aanvullende informatie van 7 januari 2026 en 23 maart 2026. [4] Het voorgaande leidt er aldus toe dat met de brief van 23 maart 2026 ook de twijfels omtrent de detentiegarantie van 7 januari 2026 met betrekking tot de opgeëiste persoon zijn weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden).

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de onderzoeksrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen (België) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. L. Sanders en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Rb. Amsterdam 10 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2639.
4.HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.