Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3900

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
13/289180-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLWArt. 8 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verweer gelijkstelling

De rechtbank Amsterdam behandelde op 5 februari 2026 het verzoek tot overlevering van een persoon aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Rybnik. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van één jaar en tien maanden, waarvan nog bijna twee jaar resteert.

De opgeëiste persoon voerde verweer op grond van artikel 12 OLW Pro, stellende dat hij niet in persoon was gedagvaard en dat hij al vóór de dagvaarding in Nederland verbleef. De rechtbank stelde echter vast dat hij op 18 augustus 2020 in persoon was gedagvaard en dat er geen objectief bewijs was dat hij toen al in Nederland verbleef of zijn adres had doorgegeven aan de Poolse autoriteiten. Hierdoor faalde het verweer op artikel 12 OLW Pro.

Daarnaast voerde de opgeëiste persoon een gelijkstellingsverweer op grond van artikel 6a OLW, stellende dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verbleef. De rechtbank oordeelde dat dit niet was aangetoond, omdat er geen bewijs was over de jaren 2021 en 2022. Dit verweer werd daarom verworpen.

De rechtbank constateerde dat er geen sprake was van een individueel reëel gevaar op schending van het recht op een eerlijk proces in Polen. Het EAB voldeed aan de wettelijke eisen en er waren geen weigeringsgronden. Daarom werd de overlevering toegestaan.

De uitspraak is onherroepelijk en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/289180-25
Datum uitspraak: 5 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 10 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 oktober 2025 door de
Regional Court of Rybnik 3rd Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 14 januari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 14 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft de zaak voor bepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen te stellen ten behoeve van de toetsing aan artikel 12 OLW Pro.
Zitting 29 januari 2026
De behandeling van het EAB is, met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling, voortgezet op de zitting van 29 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court inżoryvan 23 september 2020, met referentie II K 291/20.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, negen maanden en 29 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro. De opgeëiste persoon betwist dat hij de dagvaarding in zijn handen heeft gekregen en verklaart dat hij reeds vóór die datum naar Nederland was vertrokken en zijn Nederlandse adres als correspondentieadres aan de Poolse autoriteiten had doorgegeven. Ter onderbouwing heeft de raadsman gewezen op een Poolse opsporingswebsite waarop een onjuiste spelling van het Nederlands adres van de opgeëiste persoon staat vermeld (namelijk [adres 2] ), waaruit blijkt dat de Poolse autoriteiten beschikten over zijn Nederlandse adres maar dit onjuist hebben geregistreerd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over het op de website onjuist vermelde Nederlandse adres.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW van toepassing is, nu in onderdeel d) van het EAB is aangekruist dat de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen en de aanvullende informatie van 20 januari 2026 dit bevestigt. Op basis van het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van deze informatie. Subsidiair kan worden afgezien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro, omdat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft gekregen waarbij hij is gewezen op de consequenties van het niet doorgeven van een adreswijziging. Op de Poolse website is te zien dat de informatie over de opgeëiste persoon pas in 2023 is geüpload, terwijl zijn strafzaak in 2020 speelde. Op basis van de informatie op de website kan dus niet worden gesteld dat de opgeëiste persoon zijn adres al in 2020 heeft doorgegeven aan de Poolse autoriteiten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.
De rechtbank stelt op grond van het EAB en het antwoord van de Poolse autoriteiten van 20 januari 2026, in samenhang gelezen met de door het Internationaal Rechtshulpcentrum gestelde vragen, vast dat de opgeëiste persoon op 18 augustus 2020 in persoon is gedagvaard, daarbij op de hoogte is gesteld van het tijdstip en de plaats van de zitting en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt.
De stelling van de opgeëiste persoon en de verwijzing naar de Poolse opsporingswebsite bieden geen aanknopingspunten om aan de juistheid van die informatie te twijfelen, nu daaruit niet blijkt dat hij vóór 18 augustus 2020 in Nederland verbleef of dat hij zijn Nederlandse adres in 2020 al aan de Poolse autoriteiten had doorgeven. Verder zijn er geen andere objectieve stukken overgelegd waaruit dit blijkt.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.

5.Strafbaarheid; Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
telkens: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de
schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Standpunten van partijen
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander op basis van de door hem overgelegde stukken. Hoewel de opgeëiste persoon niet voldoende inkomen heeft gegenereerd, doet hij een beroep op gelijkstelling, omdat hij naar eigen zeggen vijf jaar in Nederland woont en sinds december 2022 staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen.
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW onder meer zijn voldaan aan het vereiste dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank is van oordeel dat niet aan dit vereiste is voldaan. Op grond van de overgelegde stukken kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft. Er zijn geen stukken overgelegd die zijn verblijf in Nederland in 2021 en 2022 onderbouwen.
Nu niet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan, komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de tweede voorwaarde. Het gelijkstellingsverweer wordt verworpen.

7.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 141 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de
Regional Court of Rybnik 3rd Criminal Division, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (