Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3907

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
13/038833-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 10 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks artikel 12 OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde op 5 maart 2026 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen voor de overlevering van een Poolse verdachte die in Nederland gedetineerd is. Het EAB betreft meerdere vonnissen en verzamelvonnissen met een resterende straf van tien maanden en negentien dagen.

De verdediging voerde aan dat er onduidelijkheden en tegenstrijdigheden zijn in de grondslag van het EAB, met name over de aanwezigheid van de verdachte bij eerdere processen en de correcte toepassing van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW), dat de overlevering kan weigeren indien de verdachte niet in persoon is verschenen zonder geldige redenen.

De rechtbank oordeelde dat voor de meeste vonnissen de verdachte wel degelijk in persoon was gedagvaard en op de hoogte was van de processen. Voor één vonnis waarbij de verdachte niet in persoon verscheen, zag de rechtbank af van weigering omdat de verdachte kennelijk onzorgvuldig was geweest met het doorgeven van adreswijzigingen en eerdere oproepen had ontvangen. Tevens werd geen concreet individueel gevaar voor schending van het recht op een eerlijk proces vastgesteld ondanks structurele gebreken in de Poolse rechtsorde.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en de overlevering daarom wordt toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks mogelijke bezwaren op grond van artikel 12 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/038833-25
Datum uitspraak: 5 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 27 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 januari 2025 door
the Regional Court in Elblag II Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt als grondslag een verzamelvonnis van
the Braniewo District Court, 2nd Criminal Division,van 7 juni 2022 (II K 556/21) (hierna: verzamelvonnis 1).
In het EAB is opgenomen dat aan verzamelvonnis 1 de volgende (verzamel)vonnissen ten grondslag liggen:
- Een vonnis van
the District Court in Braniewo, II Criminal Division,van 12 december 2018 (II K 490/18) (hierna: vonnis 1).
- Een verzamelvonnis van
the District Court in Braniewo, II Criminal Departmentvan 29 april 2016 (II K 109/16) (hierna: verzamelvonnis 2).
Het EAB vermeldt dat aan verzamelvonnis 2 de volgende vonnissen ten grondslag liggen:
Het vonnis van
the District Court in Braniewovan 7 oktober 2013 (II K 520/13) (hierna: vonnis A);
Het vonnis van
the District Court in Braniewovan 18 oktober 2013 (II K 592/13) (hierna: vonnis B);
Het vonnis van
the District Court in Braniewovan 11 maart 2014 (II K 831/13) (hierna: vonnis C);
Het vonnis van
the District Court in Braniewovan 18 juni 2015 (II K 670/13) (hierna: vonnis D).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaar en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog tien maanden en negentien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij verzamelvonnis 1.
Dit verzamelvonnis 1 betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
De rechtbank merkt op dat het onderhavige EAB is uitgevaardigd voor dezelfde feiten als waarvoor de rechtbank de overlevering van de opgeëiste persoon in een eerdere overleveringsprocedure op grond van het toen uitgevaardigde EAB heeft toegestaan bij uitspraak van 24 februari 2022. [4] Uit het dossier blijkt dat, na die uitspraak van de Internationale Rechtshulp Kamer, op 7 juni 2022 een nieuw verzamelvonnis is gewezen, te weten verzamelvonnis 1. Dit nieuwe verzamelvonnis vormt de grondslag voor het uitvaardigen van het onderhavige EAB. De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar standpunt dat er onduidelijkheid bestaat over de grondslag van het onderhavige EAB en dat de zaak dient te worden aangehouden om hierover opheldering te vragen aan de Poolse autoriteiten.

4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft verzocht de zaak aan te houden om duidelijkheid te verkrijgen over tegenstrijdigheden in de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. Volgens haar bestaat er een discrepantie tussen de informatie in het onderhavige EAB en de informatie die is verstrekt in het kader van de eerdere overleveringsprocedure in 2022, die betrekking had op dezelfde vonnissen. In het bijzonder wijst de raadsvrouw erop dat ten aanzien van vonnis D het onderhavige EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon bij de procedure aanwezig zou zijn geweest, terwijl uit de uitspraak van deze rechtbank van 24 februari 2022 en de aanvullende informatie van 19 januari 2026 blijkt dat er een betekening in persoon op 26 mei 2015 heeft plaatsgevonden. In het onderhavige EAB wordt bij een ander vonnis ook nog de datum 26 mei 2022 genoemd, wat bijzonder toevallig is volgens de raadsvrouw. Gelet daarop is het onvoldoende duidelijk of, en zo ja, wanneer, de opgeëiste persoon voor de zitting voorafgaand aan vonnis D is opgeroepen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van
24 februari 2022, op het standpunt gesteld dat voor verzamelvonnis 2, vonnis 1 en vonnis A t/m C de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is en dat van weigering kan worden afgezien voor vonnis D. Voor verzamelvonnis 1 is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro ook niet van toepassing, omdat uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard op 26 mei 2022.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank merkt allereerst op dat de aanvullende informatie van 18 januari 2022 van de uitvaardigende justitiële autoriteit die reeds in de eerdere overleveringsprocedure in 2022 door de rechtbank in het kader van artikel 12 OLW Pro is beoordeeld, in het onderhavige dossier is gevoegd door het Openbaar Ministerie.
Uitgangspunten beoordeling weigeringsgrond artikel 12 OLW Pro
De rechtbank stelt op grond van het EAB vast dat aan het EAB het verzamelvonnis 1 ten grondslag ligt, waaraan vonnis 1 en verzamelvonnis 2 onderliggend zijn. Vonnissen A, B, C en D zijn onderliggend aan verzamelvonnis 2.
Zowel de onderliggende vonnissen als de verzamelvonnissen moeten worden getoetst aan artikel 12 OLW Pro. Bij de onderliggende vonnissen is namelijk onherroepelijk uitspraak gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en zijn hem op grond daarvan vrijheidsstraffen opgelegd. De verzamelvonnissen vallen ook onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro, omdat daarin de duur van de straffen is gewijzigd en de bevoegde autoriteit daarbij over een beoordelingsmarge heeft beschikt.
De onderliggende vonnissen B en C
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de processen die tot vonnis B en vonnis C hebben geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.
Verzamelvonnis 1 en 2 en onderliggend vonnis A
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de processen die tot bovengenoemde beslissingen hebben geleid.
Voor verzamelvonnis 1 geldt dat uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard op 26 mei 2022 en voor verzamelvonnis 2 en onderliggend vonnis A geldt dat uit het EAB en de aanvullende informatie van 18 januari 2022 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard, respectievelijk op 19 april 2016 en 10 september 2013. Hiermee is de opgeëiste persoon op de hoogte gebracht van de datum en plaats van de processen die tot de beslissingen hebben geleid en ervan in kennis gesteld dat bij niet verschijnen een beslissing bij verstek zou worden uitgesproken. Op basis hiervan concludeert de rechtbank dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW zich voordoet en de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro dus niet van toepassing is.
De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de in het EAB vermelde informatie ten aanzien van verzamelvonnis 1. De opgeëiste persoon heeft weliswaar verklaard dat hij niet van dit verzamelvonnis op de hoogte was, en hij zelf ook geen verzoek heeft ingediend tot het wijzen van een nieuw verzamelvonnis, maar hij heeft tegelijkertijd op de zitting van 19 februari 2026 ten overstaan van de rechtbank bevestigd dat hij een oproep voor verzamelvonnis 1 heeft ontvangen.
Onderliggend vonnis D
In het EAB is aangekruist dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot vonnis D heeft geleid. Uit de aanvullende informatie van 19 januari 2026 blijkt echter dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was, maar in persoon is gedagvaard op 26 mei 2015. Hiermee is de opgeëiste persoon op de hoogte gebracht van de datum en de plaats van het proces en is hij ervan in kennis gesteld dat een beslissing kon worden genomen wanneer hij niet zou verschijnen. Dit betekent dat de omstandigheid zoals genoemd in artikel 12, sub a, OLW zich voordoet ten aanzien van vonnis D zodat de weigeringsgrond niet van toepassing is.
Anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, ziet de rechtbank in de enkele toevallige omstandigheid dat het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon op
26 mei2022 is opgeroepen voor verzamelvonnis 1 en op
26 mei2015 voor vonnis D geen aanleiding om nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten.
Onderliggend vonnis 1
In het EAB is aangekruist dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot onderliggend vonnis 1heeft geleid. Tevens staat vermeld dat hij in deze zaak in persoon is gedagvaard op 31 oktober 2018 voor de behandeling van zijn zaak. Uit de aanvullende informatie van 18 januari 2022 blijkt dat de opgeëiste persoon op 31 oktober 2018 is opgeroepen voor een zitting van 16 november 2018, waar hij niet in persoon is verschenen. Nadien heeft er nog een tweede zitting plaatsgevonden op 12 december 2018, waarvoor de opgeëiste persoon niet in persoon is opgeroepen.
De rechtbank stelt daarom vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Evenmin is er een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van
18 januari 2022 blijkt dat de oproeping voor de tweede zitting is verstuurd naar het adres dat de opgeëiste persoon zelf tijdens de voorbereidende procedure heeft opgegeven en op welk adres hij een eerdere oproeping wel in ontvangst heeft genomen, maar geen gehoor heeft gegeven aan deze oproeping om op zitting te verschijnen. Op 29 mei 2018 is de opgeëiste persoon ervan op de hoogte gesteld dat hij eventuele adreswijzigingen diende door te geven aan de justitiële autoriteiten. Overlevering houdt daarom naar het oordeel van de rechtbank geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.

5.Strafbaarheid

5.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit vermeld in het EAB onder a, dat ten grondslag ligt aan vonnis C, aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van dit feit achterwege moet blijven.
5.2
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige 13 feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan ten aanzien van de feiten die in het EAB onder b en c staan vermeld, die ten grondslag liggen aan vonnis C, en de feiten die ten grondslag liggen aan vonnis B, vonnis D en vonnis 1.
Deze feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal door twee of meer verenigde personen;
diefstal, voorafgegaan door geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
telkens opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
telkens poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
telkens diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
telkens medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen;
medeplegen van opzetheling;
medeplegen van mishandeling.
Bij vonnis A is de opgeëiste persoon veroordeeld voor het niet betalen van alimentatie voor twee minderjarige kinderen. De rechtbank overweegt dat in dit geval het niet betalen van kinderalimentatie naar Nederlands recht geen strafbaar feit oplevert, nu uit het EAB niet volgt dat door het niet betalen van alimentatie de kinderen in een hulpbehoevende situatie zijn gebracht. Er is derhalve niet voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid.
De rechtbank ziet echter aanleiding om van weigering af te zien. Het feit heeft geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde. Het feit is immers begaan in Polen, door een Poolse onderdaan met betrekking tot kinderen met de Poolse nationaliteit. Daar komt bij dat de overlevering voor de overige 13 feiten toelaatbaar wordt geacht.

6.Artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 45, 47, 300, 311, 312, 350 en 416 Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 Opiumwet en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Elblag II Criminal Department, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (