Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3909

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
1330770225
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering Europees aanhoudingsbevel wegens strafovername Nederland

De rechtbank Amsterdam behandelde op 19 februari 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen een Poolse staatsburger die in Nederland verblijft. Het EAB betreft een onvoltooide vrijheidsstraf van ruim twee jaar wegens illegale handel in verdovende middelen.

De rechtbank constateerde dat de strafbare feiten ook gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd, maar dat dit onvoldoende aanleiding gaf om overlevering te weigeren op grond van artikel 13 OLW Pro. Wel werd vastgesteld dat de opgeëiste persoon sinds 2007 rechtmatig in Nederland verblijft en duurzaam EU-burger is, waardoor hij gelijkgesteld kan worden met een Nederlander volgens artikel 6a OLW.

Gezien de economische en familiale banden met Nederland en het belang van maatschappelijke re-integratie, besloot de rechtbank de overlevering te weigeren en de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland over te nemen. Een verzoek tot schorsing van de gevangenhouding tot aan de tenuitvoerlegging werd afgewezen. De opgeëiste persoon werd uit de overleveringsdetentie ontslagen en de gevangenhouding werd bevolen tot aan de strafuitvoering in Nederland.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering en beveelt de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/307702-25
Datum uitspraak: 26 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 8 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 27 oktober 2025 door
the Regional Court in Poznań, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van
the Regional Court in Poznańvan 9 april 2024 (met referentie: III K 41/20).
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar, acht maanden en twaalf dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [4] De raadsman heeft ten aanzien van dit punt geen standpunt ingenomen.
Standpunt van de officier van justitieDe officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan. Het strafrechtelijk onderzoek is in Polen aangevangen en de vervolging en berechting hebben al plaatsgevonden in Polen en de Nederlandse autoriteiten zijn niet voornemens om de opgeëiste persoon voor de feiten te vervolgen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat, in het licht van de door de officier van justitie gegeven argumenten, het gegeven dat de feiten worden geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, onvoldoende aanleiding geeft om de weigeringsgrond toe te passen.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]

7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Standpunt van partijen
De raadsman en de officier van justitie hebben zich beiden op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon een geslaagd beroep kan doen op gelijkstelling met een Nederlander en dat de overlevering dus op grond van artikel 6a OLW kan worden geweigerd, onder gelijktijdige overname van de tenuitvoerlegging van de straf door Nederland.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
Uit een brief van 22 december 2025 van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 15 april 2025 is geregistreerd als duurzaam verblijvend EU-burger. Het oorspronkelijk verblijfsrecht gaat terug tot 30 juli 2007. Daarmee komt de rechtbank tot de conclusie dat voldaan is aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 22 december 2025 volgt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht naar de inschatting van de IND niet zal verliezen naar aanleiding van de opgelegde straf.
Ook aan deze voorwaarde is dus voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
De Poolse autoriteiten hebben toestemming gegeven voor de strafovername middels het toesturen van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis van
the Regional Court in Poznańvan 9 april 2024 (met referentie: III K 41/20).
De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
telkens: het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel;
telkens: het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel.
Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [7] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.

8.Schorsingsverzoek

De raadsman heeft verzocht na de uitspraak het bevel gevangenhouding ex artikel 27, vierde lid, OLW te schorsen tot aan het moment van de tenuitvoerlegging van de overgenomen straf, zodat de opgeëiste persoon de gelegenheid heeft om nog gedurende enkele maanden inkomsten te verwerven.
De officier van justitie heeft zich hiertegen verzet.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet in wat de raadsman heeft aangevoerd geen aanleiding om het bevel gevangenhouding ex artikel 27, vierde lid, OLW te schorsen tot aan de tenuitvoerlegging van de overgenomen straf. Uitgangspunt bij een dergelijk bevel gevangenhouding is dat schorsing slechts in uitzonderlijke gevallen plaatsvindt. De aangevoerde persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon bieden daarvoor onvoldoende grond. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de raadsman af.

9.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd onder gelijktijdige overname van de tenuitvoerlegging van de straf door Nederland.

10.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 6a ,7 en 13 OLW.

11.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Poznań, Polen.
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf van drie jaar in Nederland.
HEFT OPde overleveringsdetentie van
[opgeëiste persoon].
BEVEELTde gevangenhouding van
[opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (