Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4164

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
25 april 2026
Zaaknummer
13-082525-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor georganiseerde diefstal

De rechtbank Amsterdam behandelde op 22 april 2026 het verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Belgische openbaar ministerie. De verdachte, geboren in 1993, is in Nederland gedetineerd en wenste geen beroep te doen op de terugkeergarantie.

De rechtbank stelde vast dat het EAB gebaseerd is op een nationaal aanhoudingsbevel van de rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout, en dat voldaan is aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming. Dit volgt uit de omstandigheden waaronder het aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en eerdere jurisprudentie.

De strafbare feiten betreffen georganiseerde of gewapende diefstal, een lijstfeit onder de Overleveringswet, waardoor dubbele strafbaarheid niet hoeft te worden onderzocht. De rechtbank beoordeelde ook de detentieomstandigheden in België aan de hand van een individuele garantie, die voldoende waarborgen biedt tegen onmenselijke behandeling.

Gelet op het ontbreken van weigeringsgronden en de naleving van wettelijke vereisten, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan België toe op grond van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-082525-26
Datum uitspraak: 22 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 31 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 maart 2026 door het Parket van de procureur des Konings Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 april 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om bij de behandeling op zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. A.G.A. Aben, advocaat in Eindhoven.
De raadsvrouw heeft geen verweren gevoerd.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB (in samenhang gelezen met het A-formulier) vermeldt een aanhoudingsbevel betreffende de voorlopige hechtenis uitgevaardigd door de rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen - afdeling Turnhout van 9 maart 2026 met referentienummer 26NZ3316.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [2]

4.Uitvaardigende justitiële autoriteit

Het gaat in deze zaak om een vervolgings-EAB dat is uitgevaardigd door het Belgische openbaar ministerie en dat berust op een door een Belgische rechtbank uitgevaardigd nationaal aanhoudingsbevel (NAB). Dit roept de vraag op of is voldaan aan het vereiste van toetsing van de evenredigheid van het uitvaardigen van een EAB. De rechtbank heeft in een andere zaak geoordeeld dat in sommige gevallen bij de uitvaardiging van een vervolgings-EAB door het Belgische openbaar ministerie is voldaan aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming. [3] De rechtbank heeft in die uitspraak toen het volgende overwogen:
“Naar Belgisch recht mag het openbaar ministerie slechts in twee uitzonderingsgevallen een vervolgings-EAB uitvaardigen. Eén van die twee uitzonderingen is de situatie dat het NAB niet door een onderzoeksrechter, maar door de zittingsrechter is uitgevaardigd, iets wat hier het geval is. De Belgische zittingsrechter mag namelijk een NAB uitvaardigen als de opgeëiste persoon niet in persoon op de zitting kan verschijnen vanwege een detentie in het buitenland - waar hier sprake van is - en de opgeëiste persoon zelf heeft verzocht om persoonlijk aanwezig te zijn op de zitting.
Naar het oordeel van de rechtbank kan worden vastgesteld dat de zittingsrechter bij de uitvaardiging van het NAB wist dat dit NAB de basis zou vormen voor de uitvaardiging van het vervolgings-EAB door het Openbaar Ministerie. Dat is immers de reden dat het NAB is uitgevaardigd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de zittingsrechter met de uitvaardiging van het NAB – en dus vóór de overlevering – in elk geval impliciet een positief oordeel heeft gegeven over de voorwaarden voor en de evenredigheid van de uitvaardiging van het vervolgings-EAB.”
Ook in deze zaak zit de opgeëiste persoon in Nederland uit anderen hoofde gedetineerd waardoor hij niet op de zitting bij de rechtbank in België kan verschijnen. Voorts blijkt uit het EAB dat de Belgische raadsman van de opgeëiste persoon op de zitting van 9 maart 2026 de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout, heeft verzocht om de opgeëiste persoon tijdelijk over te leveren, omdat hij persoonlijk wenst te verschijnen bij de behandeling van de zaak in België. Vervolgens heeft de zittingsrechter het aanhoudingsbevel van 9 maart 2026, dat hiervoor onder punt 3 als grondslag genoemd is, uitgevaardigd. Op grond van deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat voldaan is aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming.

5.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op deze strafbare feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de strafbare feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Ter zitting heeft de raadsvrouw namens de opgeëiste persoon medegedeeld dat hij geen beroep wenst te doen op artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de overlevering afhankelijk moet worden gemaakt van een terugkeergarantie.

7.Artikel 11 OLW Pro: detentieomstandigheden in België

Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [4]
Bij brief van 2 april 2026, afkomstig van het Diensthoofd bij het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie in Brussel, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven:
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Turnhout indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”

Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de garantie van 2 april 2026. [5] De rechtbank is, gelet op de daarin gedane toezeggingen van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden).

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan het Parket van de procureur des Konings Antwerpen, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. M.L. Kole en B.C.M. Burger, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie onderdeel e) van het EAB.
3.Rb. Amsterdam 10 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1387.
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.