Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4207

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
13.092702-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 SrArt. 36f SrArt. 37a SrArt. 38 SrArt. 38a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag, veroordeeld voor mishandeling en openlijke geweldpleging met tbs en schadevergoeding

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte vrijgesproken van medeplegen van poging tot doodslag, zware mishandeling en poging zware mishandeling, maar veroordeelde hem voor mishandeling en openlijke geweldpleging in vereniging. De feiten betreffen twee incidenten in 2024 en 2025 waarbij verdachte samen met anderen geweld heeft gepleegd tegen slachtoffers.

De rechtbank oordeelde dat het niet bewezen kon worden dat verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer, noch dat hij het zware letsel heeft veroorzaakt. Wel is vastgesteld dat verdachte een vuistslag gaf die leidde tot bewusteloosheid, wat mishandeling oplevert. Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 168 dagen op, gelijk aan de tijd die verdachte in voorarrest had doorgebracht, en een tbs-maatregel met voorwaarden. De tbs is opgelegd vanwege de vastgestelde psychische stoornissen en het hoge recidiverisico. De rechtbank wees ook een schadevergoeding toe aan de benadeelde partij van in totaal €7.711, inclusief €6.000 smartengeld, en legde een schadevergoedingsmaatregel op.

De voorwaarden van de tbs omvatten onder meer behandeling, reclasseringstoezicht, middelengebruikbeheersing en verblijf in begeleid wonen. De voorlopige hechtenis werd geschorst onder dezelfde voorwaarden. De rechtbank benadrukte het belang van intensieve begeleiding en toezicht om recidive te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging doodslag, veroordeeld voor mishandeling en openlijke geweldpleging met 168 dagen gevangenisstraf en tbs met voorwaarden, en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoeding van €7.711.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Parketnummers: 13.092702-25 (A) en 13.289212-24 (B)
Datum uitspraak: 28 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven en wonende op het adres [adres 1] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 april 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna respectievelijk zaak A en zaak B genoemd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. van der Veen, en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw mr. K.A. Kieft, naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft voorts M.M. Sprock, psychiater, H.B. Bolding, gz-psycholoog en [reclasseringsmedewerker] , reclasseringswerker, als deskundigen gehoord.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de slachtofferverklaring en de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij] en de toelichting daarop van zijn advocaat mr. D. Fontein.
De zaken tegen de verdachte zijn gelijktijdig behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is in zaak A – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 21 maart 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
medeplegen van poging doodslag op [benadeelde partij] , of medeplegen van zware mishandeling of medeplegen poging van zware mishandeling van [benadeelde partij] of mishandeling van [benadeelde partij] en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen [benadeelde partij] en [slachtoffer 1] .
In zaak B wordt de verdachte er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij zich op 9 augustus 2024 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan openlijk in vereniging geweld plegen tegen [slachtoffer 2] .
De tenlasteleggingen in beide zaken staan in bijlage I en gelden als hier ingevoegd.

3.Bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte vrij te spreken van het in zaak A primair tenlastegelegde (medeplegen van poging tot doodslag). De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de in de zaak A subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling en het in zaak A onder 2 en in zaak B ten laste gelegde openlijk in vereniging plegen van geweld.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit de verdachte vrij te spreken van het in zaak A onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde en zich op het standpunt gesteld dat de gedraging van de verdachte als mishandeling moet worden gekwalificeerd.
De raadsvrouw heeft verder bepleit dat de verdachte van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken en daartoe (samengevat) het volgende aangevoerd. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat er twee confrontaties met [benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij] ) hebben plaatsgevonden. Het eerste moment was buiten bij [horecagelegenheid 1] . De verdachte heeft geen aandeel gehad in de confrontatie die daar heeft plaatsgevonden. Hij heeft daar staan roken en kletsen en heeft niet gezien wat daar gebeurd is. De verdachte heeft bij de tweede confrontatie, die plaatsvond voor [horecagelegenheid 2] , [benadeelde partij] een vuistslag tegen zijn wang gegeven. Er is weliswaar door meerdere personen geweld gepleegd, maar er kan niet worden vastgesteld dat de verdachte zich bewust is geweest van het feit dat hij samen met anderen geweld pleegde.
De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte ook vrij te spreken van het in zaak B ten laste gelegde openlijk in vereniging gepleegde geweld. Zij heeft hiertoe (samengevat) het volgende aangevoerd. De verdachte heeft vanaf het begin af aan verklaard dat hij erbij was, maar dat hij de boel wilde sussen en dat hij heeft getracht de betrokkenen uit elkaar te halen. Er is onvoldoende bewijs dat de verdachte geweldshandelingen heeft verricht.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Zaak A openlijke geweldpleging 21 maart 2025
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II staan waaronder haar eigen waarneming van de camerabeelden en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 21 maart 2025 om 03:03 uur [1] komt [medeverdachte 2] café [horecagelegenheid 2] , dat is gevestigd in de [adres 2] , uitlopen. Hij verlaat samen met een onbekend gebleven jongeman het terras van [horecagelegenheid 2] en loopt naar het terras voor [horecagelegenheid 1] aan de overkant van de straat. Een minuut later komen ook [benadeelde partij] en [slachtoffer 1] uit [horecagelegenheid 2] . Beiden lopen naar rechts het terras van [horecagelegenheid 2] op. Kort daarna (03:04:43 uur) komen [medeverdachte 1] en de verdachte ook uit [horecagelegenheid 2] . Zij verlaten even later het terras en lopen naar links. Zij gaan vervolgens naar het terras voor [horecagelegenheid 1] waar zij om 03:06 uur bij een groepje mensen gaan staan waar kort daarvoor [medeverdachte 2] zich ook bij gevoegd had. De verdachte gaat op om 03:08 uur rechts van het groepje staan roken.
Om 03:09 uur verlaten [benadeelde partij] en [slachtoffer 1] het terras van [horecagelegenheid 2] en lopen ook naar de overkant van de straat. Zij begeven zich naar [medeverdachte 2] met wie [benadeelde partij] eerder die nacht in [horecagelegenheid 2] een woordenwisseling had en die net een paar meter links van het eerdergenoemde groepje is gaan staan. Om 03:09:30 uur gaan [benadeelde partij] en [slachtoffer 1] tegenover [medeverdachte 2] staan. De verdachte beweegt zich vervolgens richting hen. [medeverdachte 2] en [benadeelde partij] krijgen opnieuw een woordenwisseling. Om 03:10 uur komt ook [medeverdachte 1] eraan lopen. Hij geeft [slachtoffer 1] een klap in het gezicht (03:10:15 uur) en loopt vervolgens achteruit de straat op. Om 03:10:19 uur rent [slachtoffer 1] weg en valt of struikelt over een geparkeerde scooter, belandt op straat, staat weer op en voelt aan zijn kaak. Op het moment dat [slachtoffer 1] over de scooter valt, geeft [medeverdachte 2] [benadeelde partij] een trap. [medeverdachte 1] doet vervolgens een paar stappen vooruit en lijkt weer uit te halen. Vervolgens wordt [benadeelde partij] ook door anderen belaagd en valt over de omgevallen scooter heen. Nadat hij overeind gekrabbeld is, wordt hij uitgedaagd door de verdachte en loopt terug, langs de verdachte en [medeverdachte 1] , naar [horecagelegenheid 2] . De verdachte heeft dan contact met [medeverdachte 1] en loopt vervolgens ook in de richting van [horecagelegenheid 2] . Om 03:10:48 uur loopt [benadeelde partij] (met een rode plek in zijn gezicht) het terras van [horecagelegenheid 2] op. Als hij tien seconden later het terras weer wil verlaten, lijkt de verdachte klaar te staan voor een confrontatie. [medeverdachte 1] doet dan een stap naar voren en gaat schuin achter de verdachte staan. Om 03:11:11 uur staan [verdachte] en [benadeelde partij] tegenover elkaar. Op dat moment doen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een stap naar voren. De verdachte balt zijn rechtervuist en geeft [benadeelde partij] een rechtse hoek tegen zijn kaak waardoor [benadeelde partij] neergaat. [medeverdachte 1] heeft al die tijd vlak achter de verdachte gestaan. Nadat [benadeelde partij] op de grond valt, komt [medeverdachte 2] , die aan de andere kant achter de verdachte stond, direct aangerend en geeft [benadeelde partij] een schop tegen zijn hoofd en stampt hem vervolgens in het gezicht. Het is dan 03:11:14 uur.
Feit 1. Vrijspraak (medeplegen) poging doodslag, zware mishandeling en poging zware mishandeling
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het medeplegen van poging tot doodslag, medeplegen van zware mishandeling en medeplegen van poging tot zware mishandeling zoals in zaak A onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegd. Zij licht dat als volgt toe.
Buiten kijf staat dat de verdachte [benadeelde partij] met kracht een vuistslag op zijn (linker)kaak heeft gegeven waardoor [benadeelde partij] knock-out is gegaan en op de grond is gevallen. Op de camerabeelden is te zien dat direct nadat [benadeelde partij] op de grond is gevallen, [medeverdachte 2] , het broertje van de verdachte, eerst tegen het hoofd van [benadeelde partij] schopt en daarna in diens gezicht stampt.
De rechtbank oordeelt – overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie en de verdediging – dat niet bewezen is dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood van [benadeelde partij] . Gelet daarop wordt de verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag.
Ten aanzien van de beschuldiging van (een poging tot) zware mishandeling geldt dat het letsel dat [benadeelde partij] is toegebracht weliswaar als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd, maar dat uit het dossier niet volgt dat de verdachte dat letsel heeft veroorzaakt. De deskundige die onderzoek heeft gedaan naar (de oorzaak van) het letsel is tot de conclusie gekomen dat er bij [benadeelde partij] breuken waren aan beide kaakhoeken, die kunnen zijn ontstaan door zowel een krachtsinwerking op één zijde van de kaak, als door meerdere krachtsinwerkingen op beide zijden van de kaak. Verder heeft de deskundige opgemerkt dat er geen nadere uitspraak gedaan kan worden over de oorzaak van de breuken, aangezien er geen radiologisch beeldmateriaal beschikbaar was. Met andere woorden, het letsel van [benadeelde partij] kan zijn veroorzaakt door de vuistslag die de verdachte heeft gegeven, maar ook doordat [medeverdachte 2] tegen het hoofd van [benadeelde partij] heeft geschopt en op zijn gezicht heeft gestampt. Daar komt bij dat het geven van een (krachtige) vuistslag op iemands kaak niet zonder meer de aanmerkelijke kans in het leven roept dat degene die geslagen wordt daardoor zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Dat betekent dat ook niet bewezen kan worden dat de verdachte zich aan (een poging tot) zware mishandeling heeft schuldig gemaakt.
Mishandeling
Zoals hiervoor al is overwogen staat niet ter discussie dat de verdachte [benadeelde partij] met kracht een vuistslag op zijn (linker)kaak heeft gegeven waardoor [benadeelde partij] knock-out is gegaan en is gevallen. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan mishandeling van [benadeelde partij] , zoals meest subsidiair is ten laste gelegd.
Feit 2. Openlijk ‘in vereniging’ geweld plegen
De rechtbank stelt voorop dat van het ‘in vereniging’ plegen van geweld sprake is, als iemand een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld levert, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt. De rechtbank moet beoordelen of de verdachte een – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict heeft geleverd en of die van voldoende gewicht is. [2]
De rechtbank moet ook beoordelen of (net als bij medeplegen) sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijk geweld plegen tegen personen of goederen. Hierbij kan van belang zijn dat, gelet op de aard van het openlijk in vereniging plegen van geweld, dit zich in verschillende vormen kan voordoen. Er kan sprake zijn van evident nauw en bewust samenwerken, maar de strafbaarstelling van dit delict is mede toepasselijk op – en wordt ook frequent toegepast bij – openlijk geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende, tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen en dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan samenwerkingsverband met een eigen – soms moeilijk doorzichtige – dynamiek. De voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan dus zeker ook bij dit delict verschillende verschijningsvormen hebben. Een bijdrage van voldoende gewicht kan onder omstandigheden ook geheel of ten dele bestaan uit het verrichten van op zichzelf niet-gewelddadige handelingen. [3] Bij geweldshandelingen binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan ontstaan samenwerkingsverband kan uit de omstandigheid dat de verdachte zich ervan bewust was dat ook anderen deelnamen aan de openlijke geweldpleging worden afgeleid dat de verdachte opzet had op het in vereniging plegen van geweld. [4]
De rechtbank stelt vast dat vanaf het moment dat [benadeelde partij] en [slachtoffer 1] bij [medeverdachte 2] zijn gaan staan en er kort daarna een schermutseling tussen hen plaatsvindt, waarbij ook [medeverdachte 1] en de verdachte betrokken zijn en waarbij zowel [slachtoffer 1] als [benadeelde partij] een klap in het gezicht heeft gekregen, en het moment dat [medeverdachte 2] [benadeelde partij] een doodschop geeft nog geen twee minuten zijn verstreken.
De rechtbank oordeelt dat, anders dan de verdediging van mening is, geen sprake is van twee afzonderlijke incidenten, maar dat het openlijke geweld dat de verdachte en zijn mededaders hebben gepleegd een aaneenschakeling van (gewelds)incidenten is.
De verdachte maakte deel uit van de groep die geweld tegen [slachtoffer 1] en [benadeelde partij] heeft gepleegd en was daar vanaf het begin tot het eind bij betrokken. Hij heeft door [benadeelde partij] te slaan een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd en nauw en bewust met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] samengewerkt. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het als feit 2 tenlastegelegde. [5]
Zaak B openlijke geweldpleging 9 augustus 2024
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte samen met zijn vader en twee broertjes achter het slachtoffer is aangerend toen deze wegvluchtte en dat zij het slachtoffer allemaal hebben geslagen en geschopt toen het slachtoffer op de grond lag. De verdachte was vanaf het begin tot het eind bij de openlijke geweldpleging aanwezig en heeft zich op geen enkel moment op enigerlei wijze van het geweld gedistantieerd.
De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de verdediging dat de verdachte de boel wilde sussen en dat hij heeft getracht de betrokkenen uit elkaar. Het is niet aannemelijk geworden dat de verdachte zoals hij heeft verklaard de boel heeft willen de-escaleren.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen (bijlage II) bewezen dat de verdachte de hem in zaak A onder 1 meest subsidiair en 2 en in zaak B ten laste gelegde feiten heeft begaan met dien verstande dat
Zaak A
1. hij op 21 maart 2025 te Amsterdam [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] eenmaal in zijn gezicht te stompen;
2. hij op 21 maart 2025 te Amsterdam openlijk, te weten op/aan [adres 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij] en [slachtoffer 1] , door
ter hoogte van [horecagelegenheid 1]
- die [benadeelde partij] en/of [slachtoffer 1] te stompen en/of slaan in/tegen het gezicht, en
ter hoogte van café [horecagelegenheid 2]
  • die [benadeelde partij] te stompen in zijn gezicht en
  • terwijl die [benadeelde partij] (buiten bewustzijn) op de grond lag tegen zijn hoofd te schoppen en/of in/tegen zijn gezicht te stampen;
Zaak B
hij op 9 augustus 2024 te Amsterdam openlijk, aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] door voornoemde [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal
  • te achtervolgen en
  • te duwen tegen het lichaam en
  • op het hoofd te slaan waardoor voornoemde [slachtoffer 2] op de grond is gevallen en
  • tegen de rug en buik te slaan, althans tegen het lichaam en
  • met geschoeide voet op/tegen het hoofd te trappen en/of te schoppen en
  • met geschoeide voet tegen de rug en de buik te schoppen en/of te trappen.

5.Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie
Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
Zaak A feiten 1 en 2:
eendaadse samenloop van: mishandeling en openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
Zaak B:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

6.Straf en maatregel

6.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden en dat hem de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met voorwaarden zoals de reclassering die heeft geadviseerd in haar maatregelenrapport en de gedragsbeïnvloedende maatregel wordt opgelegd. De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
6.2.
Het pleidooi van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht beide feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De raadsvrouw heeft voorts verzocht een tbs met voorwaarden op te leggen en daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte is van ver gekomen en heeft vanwege de PIJ-maatregel jarenlang gedetineerd gezeten. Sinds 7 maanden is hij met strikte voorwaarden geschorst. Hij doet enorm zijn best om zich aan alle voorwaarden te houden. Er zijn geen strafrechtelijke incidenten geweest sinds zijn schorsing. De verdachte is bereid zich aan alle voorwaarden te houden. Hij heeft nu andere belangen te dienen dan alleen die van hem zelf. Hij heeft geen bezwaar tegen een alcoholverbod. De vraag is of het ook wenselijk en/of noodzakelijk is om dit op te nemen. Het is niet zo dat er een structureel probleem is met alcohol. Het alcoholgebruik heeft op 21 maart 2025 wellicht een rol heeft gespeeld, maar het is niet een structureel probleem in het leven van de verdachte.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
De verdachte heeft zich op 21 maart 2025 en 9 augustus 2024 samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Op 21 maart 2025 heeft de verdachte samen met zijn broertjes tijdens het uitgaan in het centrum van Amsterdam [benadeelde partij] en [slachtoffer 1] in elkaar geslagen. Op 9 augustus 2024 heeft de verdachte samen met zijn vader, broer en een ander broertje een buurtbewoner achtervolgd en in elkaar geslagen. De verdachte heeft daarmee een onaanvaardbare inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers gemaakt. Uit de slachtofferverklaring van [benadeelde partij] komt duidelijk naar voren wat deze vorm van zinloos geweld met hem heeft gedaan en nog altijd doet. Het handelen van verdachte veroorzaakt gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving, niet alleen bij de slachtoffers zelf.
Strafblad
Uit het dossier en het strafblad van 13 januari 2026 van de verdachte blijkt dat hij in 2016 is veroordeeld vanwege diefstal uit een auto in vereniging tot een gedeeltelijk voorwaardelijke werkstraf van 60 uur waarbij hij diende mee te werken aan behandeling bij de [zorginstelling] en een werktraject bij de zorgboerderij. In 2017 heeft de verdachte vanwege vernieling opnieuw een werkstraf gekregen. Datzelfde jaar is sprake van een poging zware mishandeling van een kind gepleegd in september 2016 waarvoor hij tot 90 uur werkstraf en 30 dagen voorwaardelijke jeugddetentie wordt veroordeeld. Hij moest ook meewerken aan bijzondere voorwaarden zoals behandeling bij de [zorginstelling] , dagbesteding bij de zorgboerderij en een locatie- en contactverbod. In 2018 is de verdachte vanwege een mishandeling wederom tot een werkstraf veroordeeld. De verdachte moest meewerken aan behandeling bij [zorgverlener] , meewerken aan schoolgang volgens een rooster en werken op een zorgboerderij. Hij heeft tevens een avondklok gekregen. De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte bij vonnis van 20 juli 2018 veroordeeld tot 6 maanden jeugddetentie en hem een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd. [6] De rechtbank heeft bij beslissing van 18 juni 2024 de PIJ-maatregel voorwaardelijk beëindigd. Op 15 juli 2025 heeft de rechtbank de termijn van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel met een jaar verlengd.
Pro Justitia-rapporten
De rechtbank heeft kennisgenomen van de pro Justitiarapporten betreffende het onderzoek naar de verdachte van H.B. Bolding, gezondheidszorgpsycholoog, van 18 december 2025 en M.M. Sprock, psychiater, van 15 december 2025.
Beide deskundigen zijn tot de conclusie gekomen dat bij de verdachte sprake is van ADHD (een aandachtdeficiëntie/hyperactiviteitsstoornis), een antisociale-persoonlijkheidsstoornis, zwakbegaafdheid en een stoornis in alcoholgebruik. Zij hebben geconcludeerd dat van de ADHD, de antisociale-persoonlijkheidsstoornis en de zwakbegaafdheid ten tijde van beide ten laste gelegde feiten ook sprake was. Van de stoornis in alcoholgebruik was ten tijde van het ten laste gelegde van 21 maart 2025 sprake. Of dit ook geldt voor het ten laste gelegde van 9 augustus 2024 is niet duidelijk geworden.
De deskundigen hebben geadviseerd om de verdachte het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen. Kort samengevat is dat advies als volgt onderbouwd.
Het tenlastegelegde vond plaats in een periode dat de verdachte geen dagbesteding had en in de knel kwam met naleving van de voorwaarden vanwege het verlies van dagbesteding. Volgens de verdachte ging hij in die periode gebukt onder stress; zijn vriendin was ongepland zwanger en hij had zorgen over de gezondheid van zijn oma. Volgens zijn begeleiders had de verdachte er in die periode moeite mee om overzicht te houden en ordening te houden in het vrijere leven dat kwam met veel keuzemogelijkheden die hij niet gewend was. De geconstateerde problematiek heeft doorgewerkt in het tenlastegelegde. De problematiek die op zowel denk- als handelingsniveau samenhangt en gezamenlijk een intensiverend effect heeft, heeft de verdachte belemmerd om tot gedragsalternatieven te komen. De impulscontrole schoot tekort (vanuit ADHD, de antisociale-persoonlijkheidsstoornis en de verstandelijke ontwikkelingsstoornis) en manieren om spanning en emoties te reguleren zijn beperkt (eveneens vanuit de combinatie van de problematiek). De verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde (in zaak A) (naar eigen zeggen) flink onder invloed van alcohol, het is goed voorstelbaar dat dit bovengenoemde dynamiek verder heeft versterkt en gedragsremmingen verder werden weggenomen.
De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen om het tenlastegelegde verdachte in verminderde mate toe te rekenen over en maakt die tot de hare.
De deskundigen hebben geconcludeerd dat sprake is van een hoog risico op herhaling van een geweldsdelict. De verdachte geeft er blijk van beperkt inzicht te hebben in zijn problematiek. Tevens is gebleken dat hij begeleiding nodig heeft op verschillende levensgebieden (wonen, dagbesteding, sociale contacten). De verdachte lijkt open te staan voor begeleiding en het nastreven van positieve levensdoelen, maar in het verleden is ook gebleken dat hij er moeite mee heeft om zich blijvend te committeren aan de begeleiding en zijn doelen. De gestelde pathologie bemoeilijkt hem daarbij vanwege de impulsiviteit, aandachtstekortproblematiek en genoemde persoonskenmerken. Middelengebruik is een belangrijke risicofactor gebleken en werkt versterkend op de al aanwezige impulsiviteit. Hoewel hem geen verbod voor middelen werd opgelegd en hij zich thans houdt (aldus zijn toezichthouder) aan de gestelde voorwaarden omtrent middelen (verschaffen van inzicht in gebruik) en een locatieverbod voor een (bepaald aangewezen) uitgaansgebied is verdachtes bagatelliserende houding ten aanzien van zijn huidige middelengebruik zorgelijk te noemen en getuigt deze van beperkt inzicht in de ernst van de problematiek.
Om het risico op recidive terug te dringen ligt de nadruk op het gebied van begeleiding en directe toezicht, en is aansturing op diverse levensgebieden (wonen, dagbesteding, sociale contacten, financiën) van belang. De verdachte is nog niet in staat gebleken zich op deze gebieden zelfstandig te handhaven, ook niet met de huidige hulpverlening. Vanaf de periode dat de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel overging in de voorwaardelijke fase dienden zich problemen aan ten aanzien van commitment en handelingsdrang om zich te houden aan de gestelde voorwaarden. De lopende hulpverlening lijkt niet passend bij de mate van inzicht, verantwoordelijkheid en zelfstandigheid waarover de verdachte tot zover beschikt. Het is om die reden noodzakelijk dat de begeleiding op alle vlakken strikter omschreven en gehanteerd wordt. Op het gebied van behandeling wordt gedacht aan een intensieve ambulante behandelvorm door een Forensisch FACT-team, met een multidisciplinaire aanpak: gericht op middelengebruik, ADHD, verbeteren van vaardigheden en het voorkomen van delictgedrag. Binnen de behandeling is het van belang dat er aandacht is voor het vergroten van kennis over het gebruik van middelen en gevolgen op gedrag en welbevinden. Een verbod op het gebruik van middelen wordt als noodzakelijk gezien. Hoewel de verdachte al lang bekend is met de diagnose van ADHD, is nadere training op dit gebied van belang. In het bijzonder nu er meer een beroep wordt gedaan op de verantwoordelijkheden en hij meer vrijheden heeft dan voorheen. Herstart van ADHD-medicatie dient ter overweging te worden genomen. Het uitbreiden van het arsenaal aan, en het verbeteren van copingvaardigheden zal binnen de behandeling tevens plaats moeten krijgen. Aandachtspunt bij de zorg en begeleiding is de bejegening: transparante en heldere communicatie is van belang, en overvraging (vanuit de zwakbegaafdheid) ligt op de loer. Resultaten die tijdens de eerdere hulpverlening werden behaald laten deels zien dat als er voldoende toezicht en één-op-één-begeleiding is, gedragsproblemen konden worden ingeperkt en vaardigheden tot ontwikkeling konden komen. De geschiedenis van hulpverlening laat ook zien dat de verdachte erg vatbaar is voor de (negatieve) beïnvloeding van buitenaf (groepsgenoten). Beschermd wonen (24 uurszorg) prevaleert boven de huidige vorm van begeleid wonen. Het is de verwachting dat wanneer de woonsituatie en ambulante begeleiding beter aansluit bij het niveau van functioneren, de verdachte op dat gebied niet langer overvraagd wordt en er meer ruimte komt tot profiteren van een behandeling.
Forensische ambulante behandeling, reclasseringstoezicht en begeleiding bij het realiseren van een stabiele sociaal-maatschappelijke- en financiële situatie wordt noodzakelijk geacht om de kans op recidive te verminderen. Er is sprake van een voorwaardelijk beëindigde PIJ-maatregel die nog tot juni 2026 van kracht is. Gezien deze beperkte termijn en gezien het risico dat de verdachte zich niet aan de voorwaarden zal houden is het niet haalbaar om het (hoge) recidiverisico binnen de huidige kaders duurzaam terug te dringen. Het is de verwachting dat een tbs met voorwaarden toereikend is als een stevige stok achter de deur voor de verdachte om zich aan voorwaarden te houden, teneinde zich op maatschappelijk verantwoorde wijze verder te ontwikkelen en handhaven.
Reclasseringsrapport
De reclassering (Leger des Heils, Jeugdbescherming & Reclassering) heeft in het maatregelenrapport van 16 maart 2026, opgesteld door [reclasseringsmedewerker] , het volgende geconcludeerd en geadviseerd.
De reclassering ziet risico’s op het gebied van psychosociaal functioneren en middelengebruik. Beschermende factoren zijn de aanwezigheid van stabiele huisvesting bij [wooninstelling]. De verdachte verblijft hier in een semi-zelfstandige woning met ambulante begeleiding. Eerder was sprake van structurele dagbesteding in de vorm van schoolgang en stage. De verdachte heeft wat dagbesteding betreft sinds 2026 een wisselend beeld laten zien. De verdachte heeft sinds 9 maart 2026 een dienstverband van 40 uur per week. De verdachte is bekend met harddrugsgebruik. Er zijn in de afgelopen zes maanden urinecontroles afgenomen en hieruit blijkt dat de verdachte veelvuldig positief scoort op cocaïne.
De reclassering schat het recidiverisico in als hoog, daar er sprake is van instabiliteit op meerdere leefgebieden waaronder psychosociaal functioneren en middelengebruik. Er blijkt bij de verdachte geen sprake te zijn van probleembesef, onder andere op het gebied van middelengebruik. Het risico op letsel wordt, gelet op eerdere veroordelingen wegens geweldsdelicten, ingeschat als hoog. Het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt ingeschat als gemiddeld. Gedurende de PIJ-maatregel is er een terugplaatsing geadviseerd, omdat de verdachte zich onvoldoende conformeerde aan de bijzondere voorwaarden. De verdachte zal niet bewust de voorwaarden overtreden, maar onnadenkend handelen kan ertoe leiden dat hij zich niet aan afspraken houdt. Thans lijkt de verdachte meer gemotiveerd om zich te houden aan de bijzondere voorwaarden. Een aandachtspunt blijft echter, dat de verdachte bij stressvolle omstandigheden en tegenslagen verkeerde keuzes kan maken.
Eerdere reclasseringscontacten en hulpverleningstrajecten, waaronder de nu nog lopende PIJ-maatregel, zijn tot op heden onvoldoende toereikend gebleken om stabiliteit op de leefgebieden, waaronder stabiliteit in het psychosociale functioneren van de verdachte, te bewerkstelligen en te werken aan gedragsverandering en recidivevermindering. Gezien eerdere trajecten binnen een forensisch kader thans nog onvoldoende tot gedragsverandering en vermindering van het recidiverisico hebben geleid en de verdachte zijn medewerking heeft toegezegd aan een tbs-maatregel met voorwaarden, maakt dat dat de reclassering gematigd positief adviseert ten aanzien van de uitvoering van een tbs-maatregel met de hierna te noemen voorwaarden. Er zijn twijfels over de uitvoerbaarheid en haalbaarheid vanwege het feit dat de verdachte middelen blijft gebruiken en geen probleeminzicht/besef laat zien.
De door de reclassering voorgestelde voorwaarden zijn:
geen strafbaar feit plegen;
meewerken aan reclasseringstoezicht;
meewerken aan time-out;
niet naar het buitenland;
ambulante behandeling met eventuele klinische opname;
beheersing middelengebruik;
verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
contactverbod;
dagbesteding;
aflossing schulden.
Tbs met voorwaarden
De rechtbank oordeelt dat het nodig is om aan de verdachte tbs met voorwaarden op te leggen. Zij overweegt daartoe het volgende.
De rechtbank stelt allereerst vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten die staan genoemd in artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht om een tbs-maatregel op te leggen:
  • de verdachte is onderzocht door een psychiater en psycholoog die recent hebben gerapporteerd en geadviseerd;
  • bij de verdachte bestond tijdens het plegen van de strafbare feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens: ADHD, een antisociale-persoonlijkheidsstoornis, zwakbegaafdheid en (in zaak A) een lichte stoornis in het gebruik van alcohol;
  • openlijk in vereniging plegen van geweld (artikel 141 Sr Pro) wordt bedreigd met een gevangenisstraf van 4 jaar en 6 maanden en is daarmee een misdrijf, zoals genoemd in artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;
  • verder is er gevaar voor herhaling en gebleken is dat verdachte onder invloed van de bij hem vastgestelde stoornissen een gevaar vormt voor anderen.
De rechtbank is van oordeel dat een tbs-maatregel met voorwaarden het geschiktste middel is om de verdachte op het juiste pad te krijgen en recidive te voorkomen. Eerdere behandelingen hebben niet het noodzakelijke effect gehad en het is van belang dat de verdachte intensief behandeld wordt voor zijn stoornissen. Een minder stringent kader biedt geen soelaas. De verdachte heeft ter zitting duidelijk gemaakt gemotiveerd te zijn. De rechtbank oordeelt dat de tbs-maatregel met voorwaarden daarom passend en geboden is. De verdachte moet ter bescherming van de veiligheid van anderen zich houden aan de voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De verdachte heeft verklaard dat hij bereid is deze voorwaarden na te leven. De rechtbank zal geen volledig alcoholverbod opleggen nu de reclassering ter zitting heeft toegelicht dat het beheersen van middelengebruik de voorkeur heeft.
De rechtbank ziet evenmin aanleiding om naast de tbs-maatregel nog een gedrag beïnvloedende maatregel op te leggen. De tbs-maatregel kan meerdere malen worden verlengd, tot maximaal 9 jaar. De rechtbank gaat ervan uit dat er binnen deze maatregel voldoende tijd is om te werken aan gedragsverandering en recidivevermindering.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Het is noodzakelijk dat de voorwaarden meteen na de uitspraak gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. Zij beveelt vanwege het herhalingsgevaar dat de hierna op grond van artikel 38 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Ongemaximeerde tbs in geval van omzetting
De rechtbank legt de tbs op omdat de verdachte met het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen een misdrijf heeft gepleegd dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Als de tbs met voorwaarden wordt omgezet in een tbs met dwangverpleging, kan ingevolge artikel 38e, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht de dwangverpleging daarom langer duren dan vier jaar.
Gevangenisstraf
De rechtbank is ten slotte van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten en uit een oogpunt van normbevestiging, vergelding en generale preventie het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. De rechtbank houdt er in strafverminderende zin rekening mee dat de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Zij houdt er voorts rekening mee dat de verdachte tbs met voorwaarden krijgt opgelegd en nog een lange weg heeft te gaan waarbij hij zich aan tal van bijzondere voorwaarden moet houden. Alles afwegende wordt de verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 168 dagen (24 weken). De verdachte heeft al 24 weken in voorarrest doorgebracht. Deze tijd wordt van de gevangenisstraf afgetrokken zodat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.

7.Voorlopige hechtenis

De verdachte is op 25 maart 2025 aangehouden en in verzekering gesteld en op 27 maart 2025 in bewaring gesteld. De rechtbank heeft op de pro-formazitting van 4 september 2025 het bevel tot voorlopige hechtenis geschorst met ingang van 8 september 2025. De rechtbank heeft het bevel tot voorlopige hechtenis bij het begin van de inhoudelijke behandeling opnieuw geschorst tot aan de uitspraak.
De officier van justitie heeft gevorderd het bevel tot voorlopige hechtenis bij eindvonnis opnieuw te schorsen onder de voorwaarden van de tbs-maatregel.
De rechtbank beveelt (voor de periode dat dit vonnis nog niet onherroepelijk is geworden) dat de voorlopige hechtenis van de verdachte wordt geschorst. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verbindt zij dezelfde voorwaarden als die zij aan de tbs-maatregel verbindt. De rechtbank bepaalt dat de schorsing van de voorlopige hechtenis in duur beperkt is tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden. Als de verdachte de in het kader van de tbs-maatregel te stellen voorwaarden (en daarmee de schorsingsvoorwaarden) niet naleeft terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, kan de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen. Op die manier kunnen ook in die situaties de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen worden gewaarborgd. [7] Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.

8.Vordering schadevergoeding [benadeelde partij]

8.1.
De vordering tot schadevergoeding
[benadeelde partij] , slachtoffer in zaak A, heeft zich als benadeelde partij in deze strafzaak gevoegd. Hij vordert € 2.291,67 aan vergoeding van materiële schade en € 6.000,00 aan vergoeding van immateriële schade (smartengeld), in totaal € 8.291,67 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Hij heeft voorts verzocht een contactverbod aan de verdachte op te leggen.
De (gestelde) materiële schade bestaat uit:
- inkomstenderving € 1.200,00;
- kosten extra (vloeibaar) voedsel € 45,67;
- twee maal ziekenhuisdaggeldvergoeding, in totaal € 76,00;
- medische kosten (eigen risico – de rechtbank begrijpt: 2025 en 2026) 2 x € 385,00;
- kleding (vest) € 100,00;
- reiskosten € 100,00.
8.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen en gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.
8.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft opgemerkt dat de schadepost ‘inkomensderving’ onvoldoende is onderbouwd, de ‘overige kosten’ in het geheel niet zijn onderbouwd en dat de benadeelde partij daarom in zoverre niet-ontvankelijk is. Zij heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het niet redelijk is om de kosten extra voeding te vergoeden omdat het de vraag is of dat kosten zijn die niet anders ook waren gemaakt. De raadsvrouw heeft zich ten slotte ten aanzien van de ‘daggeldvergoeding’ aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
8.4.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële-schadevergoeding
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het geweld dat de verdachte en zijn mededaders in vereniging tegen hem hebben gepleegd. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van de materiële schade toe tot een bedrag van in totaal € 1.711,00 zoals hierna gespecificeerd. De schadeposten die moeten worden vergoed, zijn voldoende onderbouwd en de verdediging heeft deze posten met onvoldoende argumenten weersproken. De rechtbank merkt op dat de benadeelde partij bij de politie heeft verklaard dat hij de dag na de openlijke geweldpleging weer wilde gaan werken maar dat dit echt niet ging. Zijn werkgever heeft schriftelijk verklaard dat de benadeelde partij drie weken (vijftien dagen) niet heeft kunnen werken, en ook hoeveel uur hij werkte en wat hij in die periode per uur verdiende.
- inkomstenderving € 1.200,00;
- daggeld ziekenhuis € 76,00;
- medische kosten (eigen risico 2025) € 385,-;
- kleding vest € 50,00.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de posten ‘kosten extra voeding (vloeibaar voedsel)’, ‘eigen risico (2026)’ en ‘reiskosten’ niet-ontvankelijk in zijn vordering. De verdediging heeft deze onderdelen van de vordering met argumenten betwist en de rechtbank stelt vast dat deze posten niet of onvoldoende zijn onderbouwd of zijn toegelicht. Zo is niet duidelijk of de benadeelde partij in 2026 medische kosten heeft gemaakt en zijn eigen risico heeft moeten betalen en welke reiskosten hij heeft moeten maken. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een verdere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. Dat zou betekenen dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden. De zaak is al meer dan een jaar oud en de verdachte en zijn medeverdachten hebben in voorlopige hechtenis gezeten en lopen nu in een schorsing van de voorlopige hechtenis. Zij hebben het recht dat de zaak tegen hen binnen een redelijke termijn wordt afgedaan en de benadeelde partij heeft voldoende tijd gehad de vordering te onderbouwen. De behandeling van dit deel van de vordering vormt daarom een te grote belasting voor het strafproces. De rechtbank neemt daarom geen inhoudelijke beslissing over dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan naar de burgerlijke rechter om vergoeding van dit deel van de schade te vorderen van de verdachte.
De rechtbank heeft ten aanzien van het vest van haar schattingsbevoegdheid gebruikgemaakt. Zij wijst de vordering ten aanzien van het vest voor het overige af.
Immateriële-schadevergoeding (smartengeld)
De benadeelde partij heeft als gevolg van de strafbare feiten in zaak A rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft op grond van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b eerste en derde onderdeel Burgerlijk Wetboek (BW) recht op schadevergoeding aangezien de benadeelde partij lichamelijk en psychisch letsel is toegebracht (kaakbreuken en PTSS).
De rechtbank heeft bij het begroten van de schade in het bijzonder rekening gehouden met de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. [8] De rechtbank heeft daarbij ook de indeling volgens de ‘Rotterdamse Schaal’ betrokken. De ‘Rotterdamse Schaal’ is een ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen. Het vormt een hulpmiddel voor de rechtbank bij de vaststelling van de omvang van smartengeld in concrete gevallen. De schaal biedt in één oogopslag een indicatie voor een passend smartengeldbedrag voor een bepaald gevalstype. In deze zaak is categorie 9.1 onder e sub III (een eenvoudige breuk waarvoor immobilisatie van de kaak nodig is, maar die volledig herstelt) van toepassing, waarin een bandbreedte van € 4.500,00 tot € 6.000,00 wordt beschreven. De rechtbank oordeelt dat, mede gelet op de psychische schade (PTSS), het gevorderde bedrag van € 6.000,00 billijk is. De rechtbank wijst de gevorderde schadevergoeding dan ook toe tot dit bedrag.
Conclusie
De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 7.711,00. De vordering tot vergoeding van de schade van het vest wordt voor het overige afgewezen en de benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering. De benadeelde partij kan dat deel nog wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Hoofdelijkheid
Artikel 6:166 lid 1 BW Pro bepaalt dat, als een van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn als deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend. De hoofdelijke aansprakelijkheid van de tot een groep behorende personen die deze bepaling in het leven roept, leidt ertoe dat de benadeelde die ten gevolge van een gedraging in groepsverband schade heeft geleden ter verkrijging van volledige vergoeding daarvan ermee kan volstaan een van de tot de desbetreffende groep behorende personen aan te spreken. Blijkens de wetsgeschiedenis voorziet de regeling van artikel 6:166 BW Pro in een individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende personen (deelnemers) voor onrechtmatig vanuit de groep toegebrachte schade. De mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatig handelen is niet van belang. Deze individuele aansprakelijkheid vindt haar rechtvaardiging in eenieders bijdrage aan het in het leven roepen van de kans dat zodanige schade zou ontstaan. Zij vindt haar begrenzing in de eis dat de kans op het aldus toebrengen van schade hen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband. [9]
De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met anderen gepleegd. De verdachte heeft net als zijn mededaders door zijn bijdrage meegewerkt aan het scheppen van de kans op schade en deze kans had hem van deelname aan het geweld behoren te weerhouden, maar dat is niet gebeurd. De verdachte is daarom hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schade. Dat betekent dat de benadeelde partij het gehele bedrag op de verdachte kan verhalen. Als de mededaders of een van hen de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer te betalen.
Wettelijke rente
De benadeelde partij heeft gevorderd dat de verdachte wettelijke rente moet betalen over de gevorderde schadevergoeding. De benadeelde partij kan betaling van de wettelijke rente vorderen over het bedrag dat hij aan schade heeft geleden. In beginsel is de wettelijke rente op grond van artikel 6:83, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden. [10] De rechtbank wijst de wettelijke rente over de vergoeding van de immateriële schade en het vest toe vanaf 21 maart 2025, het moment van het ontstaan van de schade. Voor de overige materiële schade heeft de benadeelde partij niet toegelicht wanneer die is geleden. Daarom wijst de rechtbank over dat deel de wettelijke rente toe vanaf 8 april 2026, het moment van het indienen van de vordering.
Proceskosten
De vordering van de benadeelde partij wordt (grotendeels) toegewezen. De verdachte moet daarom de proceskosten van de benadeelde partij betalen. Hetzelfde geldt voor de kosten die de benadeelde partij nog moet maken om de schadevergoeding door de verdachte betaald te krijgen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. De schadevergoedingsmaatregel ziet op het hoofdelijk toegewezen materiële- en immateriële-schadebedrag vermeerderd met de wettelijke rente.
Als de verdachte niet betaalt, kan de staat hem in totaal maximaal 63 dagen gijzelen. Dat verandert niets aan de betalingsverplichting van de verdachte, hij moet dan nog steeds de schadevergoeding betalen.
De rechtbank merkt op dat het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel meebrengt dat de benadeelde partij op grond van de voorschotregeling het gehele bedrag als voorschot van de staat kan krijgen aangezien hij slachtoffer is van een geweldsdelict (openlijke geweldpleging, artikel 141 van Pro het Wetboek van Strafrecht). De voorschotregeling houdt kort gezegd in dat het slachtoffer de schadevergoeding bij wijze van voorschot krijgt uitgekeerd door de staat, als de veroordeelde niet (volledig) binnen acht maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan (artikel 6:4:2 lid 7 Sv Pro juncto art. 6:4:8 lid 3 Sv Pro). De benadeelde partij hoeft dus zelf geen actie te ondernemen.

9.Wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 55, eerste lid, 57, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit zoals in zaak A primair, subsidiair en meer subsidiair is ten laste gelegd, heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten in zaak A onder 1 meest subsidiair en onder 2 en in zaak B, zoals in hoofdstuk 4 is omschreven, heeft begaan;
Kwalificatie en strafbaarheid
- stelt vast dat het bewezenverklaarde respectievelijk de volgende strafbare feiten oplevert:
Zaak A feiten 1 en 2:
eendaadse samenloop van: mishandeling en openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
Zaak B:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
  • verklaart het bewezene strafbaar;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Gevangenisstraf
  • veroordeelt de verdachte tot een
  • beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, van de gevangenisstraf wordt afgetrokken;
Tbs met voorwaarden
- beveelt dat de verdachte
ter beschikking gesteld wordten stelt daarbij de volgende
voorwaarden:
1.
Geen strafbaar feit plegen
De verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
2.
Meewerken aan reclasseringstoezicht
De verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere het volgende in:
  • de verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering, die bepaalt hoe vaak dat nodig is;
  • de verdachte laat – ter vaststelling van zijn identiteit – een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien;
  • de verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
  • de verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is in verband met opsporing van de verdachte bij ongeoorloofde afwezigheid;
  • de verdachte werkt mee aan huisbezoeken;
  • de verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
  • de verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
  • de verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.
3.
Niet naar het buitenland
De verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
4.
Ambulante behandeling
De verdachte laat zich behandelen door [zorgverlener] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Als sprake is van een terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname (onvrijwillige time-out) in een Forensisch Psychiatrisch Centrum of andere instelling voor stabilisatie, observatie, diagnostiek en/of crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat de verdachte – nadat deze time-out op vordering van het Openbaar Ministerie door de rechter-commissaris is bevolen – zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Deze time-out duurt maximaal 7 weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken per jaar.
5.
Time-out
Als de reclassering dat nodig vindt – en alleen als de verdachte daarmee instemt, – kan de verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum of andere instelling. Deze (vrijwillige) time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal 7 weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken per jaar.

6. Beheersing middelengebruik

De verdachte werkt mee aan controles om zicht te krijgen op en het leren beheersen van het gebruik van alcohol en/of verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) van de Opiumwet en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA (designerdrugs) van de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urine- en/of ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

7. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

De verdachte verblijft – zolang de reclassering dat nodig vindt –in [wooninstelling] of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

8. Dagbesteding

De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van een opleiding of betaald werk, onbetaald werk en vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

9. Aflossing schulden

De verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

10. Contactverbod

De verdachte zoekt of heeft op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met
  • [benadeelde partij] , geboren 19 mei 2007;
  • [slachtoffer 1] , geboren 24 mei 2007 en
  • [slachtoffer 2] , geboren op 17 april 1979.
Opdracht reclassering
- geeft opdracht aan de reclassering toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte bij de naleving van die voorwaarden hulp en steun te verlenen;
Dadelijk uitvoerbaar
- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden en het uit te voeren reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
Voorlopige hechtenis
  • beveelt de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis worden de hiervoor onder 1 tot en met 10 genoemde voorwaarden verbonden en de voorwaarden dat:
  • de verdachte, indien de opheffing van de schorsing wordt bevolen, zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis zal onttrekken;
  • de verdachte, in het geval hij wegens een feit, waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, tot een andere dan vervangende vrijheidsstraf wordt veroordeeld, zich niet aan de tenuitvoerlegging daarvan zal onttrekken.
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden;
- stelt vast dat – gelet op artikel 6:3:14 lid 1 aanhef Pro en onderdeel a sub 3 en 6 van het Wetboek van Strafvordering – het Openbaar Ministerie is belast met het toezicht op de naleving van de voorwaarden gesteld bij het bevel tot terbeschikkingstelling en de schorsing van de voorlopige hechtenis;
Vordering schadevergoeding [benadeelde partij]
  • veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde partij] , te betalen een bedrag van
  • verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de schadeposten ‘eigen risico 2026’, ‘vloeibaar voedsel’ en ‘reiskosten’ niet-ontvankelijk in de vordering;
  • bepaalt dat dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
  • wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige (‘vest’) af;
  • veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten om dit vonnis ten uitvoer te leggen;
schadevergoedingsmaatregel
  • legt aan de verdachte voor zaak A feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat € 7.711,00 te betalen, en de wettelijke rente tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald;
  • bepaalt dat als volledig verhaal niet mogelijk blijkt, de verdachte kan worden gegijzeld voor de duur van maximaal
  • bepaalt dat als de verdachte en/of zijn mededaders (een deel van) de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben betaald, de verdachte (dat deel) niet meer hoeft te betalen;
Wettelijke rente
  • bepaalt dat de wettelijke rente ingaat op
  • materiële-schadevergoeding minus schade vest (in totaal € 1.661,00): 8 april 2026;
  • immateriële-schadevergoeding en vergoeding materiële schade vest (in totaal € 6.050,00): 21 maart 2025.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.A. Brunner, voorzitter,
mr. A.M. Grüschke en mr. B.J. Blok, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 april 2026.
De oudste rechter is niet
in de gelegenheid te tekenen.
De jongste rechter is niet
in de gelegenheid te tekenen.
[…]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]

[…]

1.[…]

[…]

1.[…]

  • […]
  • […]
  • […]

2.[…]

3.[…]

4.[…]

4.1
[…]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
4.2
[…]

5.[…]

5.1
[…]
5.2
[…]
5.2.1
[…]
5.2.2
[…]

6.[…]

14.[…]

Voetnoten

1.Op de camerabeelden van [horecagelegenheid 2] (overzicht buiten entree) staat (ten onrechte) 03:17 uur dit moet, gelet op de andere camerabeelden waarover in het dossier staat dat die tijden wel (ongeveer) juist zijn, 03:03 uur zijn.
2.Hoge Raad 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9029,
3.Hoge Raad 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1320,
4.Hoge Raad 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191,
5.Vgl. Hoge Raad 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132,
6.Rechtbank Amsterdam 20 juli 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:5055.
7.Vgl. Hoge Raad 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729.
8.O.a. Rechtbank Amsterdam 24 maart 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1724 (€ 5.000,00), Rechtbank Gelderland 10 februari 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:1167 (€ 6000,00) en Rechtbank Amsterdam 15 augustus 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5586 (€ 7.000,00).
9.Hoge Raad 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1055 (Mallorca-zaak) en Hoge Raad 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914 (Project-X).
10.Hoge Raad 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,