6.3.Motivering
6.3.1.De volgende vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of de (beperkte) weergave van de feiten waarop de beschikking is gebaseerd en de (eveneens beperkte) motivering van de beslissing van de rechter-commissaris voldoende zijn om de statustoekenning aan de getuige te kunnen dragen.
6.3.2.Om een getuige aan te kunnen merken als een bedreigde getuige dient te zijn voldaan aan de eisen die zijn gesteld in artikel 226a Sv.
6.3.3.Vaststaat dat de getuige [nummer 1] de rechter-commissaris te kennen heeft gegeven dat hij/zij zich dermate bedreigd voelt dat hij/zij geen verklaring zal afleggen, tenzij hij/zij anoniem blijft. Aan de in artikel 226a, eerste lid onder b Sv genoemde voorwaarde is voldaan.
6.3.4.Verder moet worden vastgesteld dat de getuige of een ander, met het oog op de door de getuige af te leggen verklaring, zich zodanig bedreigd kan achten dat – naar redelijkerwijze moet worden aangenomen – voor het leven, de gezondheid of de veiligheid dan wel de ontwrichting van het gezinsleven of het sociaal-economisch bestaan van de getuige of die ander moet worden gevreesd.
6.3.5.De rechter-commissaris heeft naast de hiervoor genoemde stukken ook kennisgenomen van de volledige (bruto-)verklaring die de getuige tegenover verbalisanten van het Team Bijzondere Getuigen heeft afgelegd, en de mondelinge toelichting van CI-officier van justitie mr. R. Bosman met betrekking tot de actualiteit van de ‘gerechtvaardigde vrees’.
6.3.6.Omwille van de afscherming van de identiteit van getuige heeft de rechter-commissaris slechts zeer beperkt inzicht kunnen geven in de gemaakte afwegingen.
6.3.7.De rechter-commissaris heeft overwogen dat sprake is van verdenking die ziet op een zeer ernstig misdrijf, te weten kort gezegd: moord in vereniging gepleegd. Er zou sprake zijn geweest van een geplande liquidatie in het criminele milieu; de verdachte zou een moordopdracht hebben aangenomen en tegen betaling het slachtoffer hebben doodgeschoten. De rechter-commissaris heeft verder overwogen dat aannemelijk is dat de getuige of een ander persoon zich bedreigd kan achten als bedoeld in artikel 226a, eerste lid, aanhef en onder a. Sv, dat hij of zij wegens deze bedreiging niet wil verklaren, dat de verklaring van de getuige de kern van de verdenking raakt en dat de bescherming van de getuige niet kan worden bewerkstelligd met minder vergaande maatregelen.
6.3.8.Uit de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis blijkt dat de bedreiging niet noodzakelijk uit concrete handelingen of uitingen van de verdachte hoeft te bestaan, maar dat soms kan worden uitgegaan van het criminele milieu waarin de verdachte zich bevindt.
6.3.9.Met de beantwoording van de door de rechter-commissaris gestelde vragen aan de getuige [nummer 1] , beschikte de rechter-commissaris kennelijk over voldoende (concrete, objectiveerbare) informatie om, in samenhang met hetgeen hiervoor is overwogen, te beoordelen of in dit geval sprake is van gegronde vrees zoals bedoeld in artikel 226a, eerste lid onder a Sv. Dat nergens in het dossier feiten of omstandigheden te vinden die er – enigszins – concreet op duiden dat valt te vrezen dat de verdachte de getuige zal bedreigen, zoals de verdediging heeft aangevoerd, doet daar niet aan af.
6.3.10.De rechtbank is van oordeel dat ook de grief van de verdediging dat het Openbaar Ministerie tot op heden niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom niet kan worden volstaan met minder verstrekkende maatregelen, zoals omschreven in artikel 190, derde lid, Sv, niet slaagt.
6.3.11.De rechter-commissaris heeft zich er rekenschap van gegeven of de getuige [nummer 1] in een minder vergaande beschermingsconstructie als getuige kan worden gehoord. Zij heeft alle mogelijke manieren van afscherming van de identiteit van de getuige – waaronder die in artikel 190, derde lid, Sv worden genoemd – uitdrukkelijk onderzocht maar te risicovol bevonden.
6.3.12.Het oordeel van de rechter-commissaris dat moet worden gekozen voor volledige anonimiteit dient te worden eerbiedigd. De rechtbank merkt op dat artikel 190, derde lid Sv ziet op de gevallen waarin een getuige ‘slechts’ overlast zou kunnen ondervinden als zijn personalia bij de verdachte (of anderen) bekend zouden worden en biedt dus een veel minder vergaande bescherming dan de regeling van artikel 226a Sv.
6.3.13.De rechtbank ziet, gelet op de stukken en het voorgaande, geen aanleiding te veronderstellen dat niet de meest vergaande bescherming geboden is. Bovendien heeft de getuige laten weten niet te zullen verklaren als bekend wordt wie hij of zij is.
6.3.14.Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de beschikking voldoet aan de in artikel 226a, eerste lid, sub a en sub b, Sv neergelegde voorwaarden en dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot haar beslissing heeft kunnen komen.