Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4486

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
13-399952-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon naar Hongarije ondanks besloten hogerberoepszitting

De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 mei 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Hongarije tegen de opgeëiste persoon, die een resterende gevangenisstraf van bijna drie jaar moet ondergaan. De opgeëiste persoon had hoger beroep ingesteld tegen het vonnis, maar de procedure in hoger beroep vond plaats in een besloten zitting, zonder zijn aanwezigheid.

De raadsman voerde aan dat hierdoor het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro, was geschonden. De rechtbank oordeelde echter dat de opgeëiste persoon en zijn advocaat op de hoogte waren gesteld van de mogelijkheid om binnen acht dagen een verzoek tot een openbare zitting in te dienen, maar dit niet hebben gedaan. Hierdoor is stilzwijgend afstand gedaan van het recht op openbare behandeling.

Verder concludeerde de rechtbank dat er geen objectieve en betrouwbare gegevens waren die een algemeen reëel gevaar op schending van het recht op een eerlijk proces in Hongarije aannemelijk maakten. De rechtbank wees het verweer af en stelde vast dat geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan. De overlevering werd daarom toegestaan.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Hongarije toe ondanks de besloten behandeling in hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-399952-24
Datum uitspraak: 7 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 13 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 juni 2024 door
the Budapest-Capital Regional Court, Sentence Enforcement Group, Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1969 in [geboorteplaats] (Hongarije),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[brp adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 april 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Pest Central District Courtvan 12 april 2022 met kenmerk 27.B.11.079/2021/32, waarover in hoger beroep is geoordeeld en arrest is gewezen door
the Budapest-Capital Regional Courtop 9 maart 2023 met kenmerk 24.Bf.9382/2022/13.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar, negen maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

4.1
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft bepleit dat de overlevering dient te worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon geen absoluut recht heeft gehad om aanwezig te zijn bij de procedure in hoger beroep. Nadat de opgeëiste persoon hoger beroep had ingesteld, werd hij geïnformeerd dat hij binnen acht dagen een verzoek kon indienen voor een openbare behandeling. Indien dat verzoek niet zou worden ingediend, dan zou de zaak achter gesloten deuren worden behandeld. Dit is uiteindelijk ook gebeurd, waardoor de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit moeten worden gesteld over de procedure in het kader van artikel 12 OLW Pro.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is primair de situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub a, OLW van toepassing. Het betreft een strafbeschikking waartegen de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld. De opgeëiste persoon en zijn raadsman zijn ervan op de hoogte gesteld dat de zaak op een besloten zitting zal worden behandeld, tenzij binnen acht dagen een verzoek tot het houden van een openbare zitting wordt gedaan. Zij zijn daarbij ook geïnformeerd wanneer de besloten zitting, de zogenoemde “
panel session”, zou plaatsvinden. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op standpunt gesteld dat de rechtbank kan afzien van weigering. De opgeëiste persoon was immers aanwezig bij de procedure in eerste aanleg en heeft zelf hoger beroep ingesteld vanwege de hoogte van de straf. De opgeëiste persoon noch zijn advocaat hebben vervolgens een verzoek ingediend voor het houden van een openbare zitting in hoger beroep. Hiermee heeft de opgeëiste persoon zelf afstand gedaan van zijn recht om bij die procedure aanwezig te zijn.
4.2
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] Dit betekent dat de rechtbank alleen het arrest van
the Budapest-Capital Regional Courtvan 9 maart 2023 met kenmerk 24.Bf.9382/2022/13 zal toetsen aan artikel 12 OLW Pro.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van
the Penitentiary Enforcement Unit of the Budapes-Capital Regional courtvan 10 april 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij de zitting die heeft geleid tot het vonnis van 12 april 2022, waarbij hij de tenlastegelegde feiten heeft bekend. Verder is vermeld dat de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis, uitsluitend met het doel om een vermindering van de opgelegde straf te krijgen.
Uit de aanvullende informatie blijkt verder dat opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij een zitting in hoger beroep, aangezien een dergelijke zitting niet heeft plaatsgevonden. Er was sprake van een besloten behandeling van de zaak in een zogenoemde “
panel session”, zonder aanwezigheid van de opgeëiste persoon en diens advocaat. Het hof heeft zowel de opgeëiste persoon als zijn advocaat in kennis gesteld dat de zaak op een besloten zitting zou worden behandeld, tenzij binnen acht dagen een verzoek zou worden ingediend om een openbare zitting te houden. Beiden hebben nagelaten een dergelijk verzoek te doen. De opgeëiste persoon heeft dit bericht op 18 januari 2023 in persoon per post ontvangen, wat blijkt uit de ontvangstbevestiging. De advocaat van opgeëiste persoon heeft de oproep ontvangen via een elektronisch gestuurd bericht dat die advocaat heeft ontvangen op 12 januari 2023.
Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure in hoger beroep en van de mogelijkheid om een verzoek voor een openbare behandeling in te dienen. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. De opgeëiste persoon heeft daarom in hoger beroep gebruik kunnen maken van zijn verdedigingsrechten maar heeft daar al dan niet stilzwijgend afstand van gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert.

5.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
informaticacriminaliteit;
georganiseerde of gewapende diefstal;en
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op de feiten naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6. Artikel 11 OLW Pro en artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest)
6.1
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft bepleit dat de opgeëiste persoon geen recht heeft gehad op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in Hongarije. De opgeëiste persoon heeft geen absoluut recht gehad om aanwezig te zijn bij de procedure in hoger beroep, wat in strijd is met het in genoemd artikel gewaarborgde recht op een openbare behandeling.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is geen sprake van een schending van het recht op een eerlijk proces, omdat uit de aanvullende informatie blijkt dat een besloten zitting zal worden gehouden. Dit is anders als de opgeëiste persoon binnen acht dagen een verzoek indient voor het houden van een openbare zitting. Uit de verstrekte informatie blijkt niet dat dit verzoek kan worden afgewezen.
6.2
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat, voordat kan worden toegekomen aan een beoordeling van het individuele gevaar op schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van – zo begrijpt de rechtbank – artikel 47 Handvest Pro, eerst moet worden onderbouwd dat in Hongarije een algemeen reëel gevaar bestaat op een dergelijke schending. [5] De raadsman heeft echter geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd die daarop duiden. De rechtbank is ook ambtshalve niet bekend met dergelijke gegevens. Het feit dat blijkens de verstrekte aanvullende informatie van 10 april 2026 in een hoger beroepsprocedure in Hongarije onder bepaalde omstandigheden sprake is van een
“panel session”,tenzij de persoon in kwestie verzoekt om een openbare behandeling, vormt geen aanleiding om een algemeen reëel gevaar aan te nemen. Aan de vraag of sprake is van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon dat de door de raadsman genoemde rechten in Hongarije zijn geschonden, komt de rechtbank dus niet toe. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aanvullende vragen over de procedure in Hongarije te stellen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5, 7 en 12 van de Overleveringswet.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Budapest-Capital Regional Court, Sentence Enforcement Group, Hongarije, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 (
5.HvJ EU 25 juli 2018, C-216/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:586 (Minister for Justice and Equality), punten 61-67.