Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4497

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
13-042433-26 (EAB I)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 8 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verweer gelijkstelling Nederlander en detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 mei 2026 het verzoek tot overlevering van een persoon aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de onderzoeksrechter in Brugge. De opgeëiste persoon, met meerdere nationaliteiten, werd verdacht van georganiseerde of gewapende diefstal, een lijstfeit onder de Overleveringswet (OLW).

De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld moest worden met een Nederlander omdat hij langer dan vijf jaar onafgebroken en rechtmatig in Nederland zou verblijven. De rechtbank verwierp dit verweer omdat onvoldoende bewijs werd geleverd van rechtmatig verblijf en levensonderhoud. Tevens werd het detentiegevaar in België besproken: hoewel er een algemeen risico is op onmenselijke behandeling, werd een individuele detentiegarantie verstrekt die voldoende werd bevonden om het gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan de wettelijke eisen voldoet, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat de overlevering toegestaan kan worden. De uitspraak is onherroepelijk en de opgeëiste persoon zal worden overgeleverd aan de Belgische autoriteiten voor het strafbare feit zoals omschreven in het EAB.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan België toe na afwijzing van het gelijkstellingsverweer en acceptatie van de individuele detentiegarantie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-042433-26 (EAB I)
Datum uitspraak: 7 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 2 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 januari 2026 door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[BRP-adres] ,
uit anderen hoofde gedetineerd in [J.C.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 april 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om bij de behandeling op zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam.
Het EAB in deze zaak is gelijktijdig behandeld met het EAB in de zaak met het parketnummer
13-059872-26 (EAB II).
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Franse, Poolse en Turkse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB – in samenhang gelezen met het A-formulier – vermeldt een aanhoudingsmandaat bij verstek van 29 januari 2026 uitgevaardigd door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, met kenmerk 2025/281.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het strafbare feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

5.1
Standpunten partijen
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om – ondanks dat daartoe geen stukken zijn overgelegd – de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij langer dan vijf jaar onafgebroken en rechtmatig in Nederland woonachtig is, binding heeft met Nederland en dat ook zijn kinderen in Nederland verblijven. Niet bekend is of de opgeëiste persoon beschikt over een verblijfsvergunning en zo ja, wat voor soort vergunning dat is.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie kan een beroep op artikel 6 OLW Pro niet slagen. De opgeëiste persoon heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij vijf jaar onafgebroken en rechtmatig in Nederland heeft verbleven
5.2
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000. De opgeëiste persoon staat weliswaar vanaf zijn geboorte, met uitzondering van een aantal perioden, ingeschreven op een adres in Nederland, maar dat is onvoldoende om te voldoen aan de eis van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland. De opgeëiste persoon heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt op welke wijze hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Dit betekent dat niet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de tweede voorwaarde. De rechtbank verwerpt het verweer.

6.Artikel 11 OLW Pro: detentieomstandigheden in België

6.1
Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [4]
Bij brief van 12 maart 2026, afkomstig van het Diensthoofd bij het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie in Brussel, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven:
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”

6.2
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft naar voren gebracht dat hij van de Belgische advocaat van de opgeëiste persoon heeft vernomen, dat in België ongeveer 700 gedetineerden op een matras op de grond slapen. De opgeëiste persoon zal worden geplaatst in de detentie-instelling in Brugge waar eveneens zorgen bestaan over de zogenoemde grondslapersproblematiek. De kans is daardoor aanwezig dat de rechten van de opgeëiste persoon zullen worden geschonden, zodat artikel 11 OLW Pro aan de overlevering in de weg staat.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie heeft het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden betrekking op de zogenoemde grondslapersproblematiek. Dit gevaar wordt voor de opgeëiste persoon weggenomen door de verstrekte individuele garantie, omdat daarin is gewaarborgd dat voor de opgeëiste persoon een bed beschikbaar zal zijn. Artikel 11 OLW Pro staat daarom niet aan de overlevering in de weg.
6.3
Oordeel van de rechtbank
De ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie van 12 maart 2026 is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid in de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. [5]
De rechtbank is, gelet op de toezeggingen van de Belgische autoriteiten in de garantie van
12 maart 2026, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden).
Hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Waar de Belgische advocaat op heeft gewezen ziet, wat daar verder ook van zij, op het al eerder aangenomen algemene reële gevaar. Vanwege dat algemene gevaar heeft de rechtbank, voordat de overlevering kan worden toegestaan, een individuele detentiegarantie nodig. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen, wordt met de in deze zaak verstrekte individuele detentiegarantie het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weggenomen.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, België, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.