Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4659

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
13-345438-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 OverleveringswetArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek aanvullende toestemming tenuitvoerlegging straf Griekse overlevering wegens onduidelijke detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam heeft op 30 april 2026 een verzoek van de officier van justitie behandeld namens Griekenland, gericht op het verkrijgen van aanvullende toestemming voor de tenuitvoerlegging van een straf opgelegd voor feiten die vóór de overlevering zijn begaan. De overgeleverde persoon, geboren in 1985, is momenteel gedetineerd in Nederland.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de overgeleverde persoon voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren tegen het verzoek kenbaar te maken. Uit eerdere zaken is bekend dat er in bepaalde Griekse detentie-instellingen een reëel gevaar bestaat op onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Omdat onduidelijk is in welke instelling de overgeleverde persoon zal worden geplaatst en er onvoldoende actuele informatie is over de detentieomstandigheden, mede gezien een recent kritisch CPT-rapport, acht de rechtbank het niet verantwoord om toestemming te verlenen. Gezien de overschrijding van de beslistermijn wordt het verzoek afgewezen, met de mogelijkheid voor Griekenland om een nieuw verzoek in te dienen.

Uitkomst: Het verzoek om aanvullende toestemming voor tenuitvoerlegging van de straf wordt afgewezen wegens onvoldoende informatie over detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-345438-24
Datum beslissing: 30 april 2026
BESLISSING
op de vordering op grond van artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 4 december 2024, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend door
the Prosecutor’s Office of the Appeal Court of Thessaloniki(Griekenland) op 24 september 2024 en betreft:
[overgeleverde persoon]
geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] (Griekenland),
thans gedetineerd in [detentieplaats],
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.

1.Beoordeling

Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De voorhanden zijnde stukken zijn toereikend om - met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Hoorrecht
Uit het proces-verbaal van het verhoor door
the Chair of the Appeal Court of Thessalonikivan 11 februari 2026 blijkt dat de overgeleverde persoon door een rechter is gehoord over het verzoek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de overgeleverde persoon voldoende de mogelijkheid gehad om zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek om aanvullende toestemming kenbaar te maken. [1]
Het verzoek betreft feiten waarvoor op grond van de OLW overlevering had kunnen worden toegestaan.
Detentiegarantie
De rechtbank heeft in eerdere zaken geoordeeld dat in de detentie-instellingen in Komotini [2] , Thessaloniki [3] en Trikala [4] een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). [5]
Onduidelijk is in welke instelling de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst in het kader van de zaak waarvoor aanvullende toestemming wordt verzocht, terwijl er al in drie instellingen (hiervoor genoemd) een algemeen gevaar is vastgesteld.
Er is een nieuw, kritisch CPT-rapport van 4 maart 2026 dat daarnaast ook aanleiding zou kunnen geven voor het opvragen van aanvullende informatie over de detentieomstandigheden.
Op dit moment is er dus onvoldoende informatie over de detentieomstandigheden.
Gelet op de geldende beslistermijn – die al is overschreden – dient de beslissing op het verzoek niet langer te worden aangehouden. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
De rechtbank merkt hierbij op dat dit onverlet laat dat de Griekse autoriteiten desgewenst een nieuw verzoek tot aanvullende toestemming kunnen doen.
De rechtbank zal daarom het verzoek afwijzen.

2.Beslissing

De rechtbank:
wijst afhet verzoek om toestemming van
the Prosecutor’s Office of the Appeal Court of Thessaloniki(Griekenland) voor tenuitvoerlegging van de straf van
[overgeleverde persoon]voor de feiten zoals vermeld in het verzoek.
Deze beslissing is genomen op 30 april 2026 door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier.

Voetnoten

1.Vgl. HvJ EU 26 oktober 2021, C-428/21 PPU en C-429/21 PPU, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63.
2.o.a. Rb. Amsterdam 22 juni 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3306.
3.o.a. Rb. Amsterdam 14 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2324 en Rb. Amsterdam 31 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3097.
4.Rb. Amsterdam 18 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1897.
5.Zie onder meer Rb. Amsterdam 5 april 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:1995) en Rb. Amsterdam 28 april 2016 (ECLI:NL:RBAMS:20 16:2630).