Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4660

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
13-019702-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 OverleveringswetArt. 8 Kaderbesluit 2002/584/JBZArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek aanvullende toestemming tenuitvoerlegging straffen Griekenland wegens onduidelijke detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam heeft op 30 april 2026 een verzoek van het Parket van het Hof van Beroep van Thessaloniki, Griekenland, beoordeeld. Het verzoek betrof het verlenen van toestemming voor de tenuitvoerlegging van straffen opgelegd voor feiten die vóór de overlevering zijn begaan, maar waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd.

De overgeleverde persoon is gehoord en heeft voldoende gelegenheid gehad om zijn bezwaren kenbaar te maken. De rechtbank constateerde dat er in eerdere zaken een reëel gevaar bestaat op onmenselijke of vernederende behandeling in bepaalde Griekse detentie-instellingen. Hoewel er een individuele detentiegarantie was afgegeven in een eerdere zaak, kon de rechtbank niet vaststellen of deze garantie nog actueel is voor het onderhavige verzoek.

Er is onvoldoende actuele informatie over de detentieomstandigheden, mede door een recent kritisch CPT-rapport. Gezien de overschrijding van de beslistermijn en het ontbreken van voldoende garanties, besloot de rechtbank het verzoek af te wijzen. De Griekse autoriteiten kunnen een nieuw verzoek indienen met aanvullende informatie.

Uitkomst: Het verzoek om aanvullende toestemming voor tenuitvoerlegging van straffen in Griekenland is afgewezen wegens onvoldoende actuele garanties over detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-019702-23
Datum beslissing: 30 april 2026
BESLISSING
op de vordering op grond van artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 11 juli 2023, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van straffen die zijn opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend door het Parket van het Hof van Beroep van Thessaloniki (
Eisaggelia Efeton Thessalonikis), Griekenland, op 30 december 2022 en betreft:
[overgeleverde persoon]
geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] (Griekenland),
thans gedetineerd in [detentieplaats],
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.

1.Beoordeling

Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De voorhanden zijnde stukken zijn toereikend om - met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Hoorrecht
Uit het proces-verbaal van het verhoor door
the Chair of the Appeal Court of Thessalonikivan 11 februari 2026 blijkt dat de overgeleverde persoon door een rechter is gehoord over het verzoek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de overgeleverde persoon voldoende de mogelijkheid gehad om zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek om aanvullende toestemming kenbaar te maken. [1]
Het verzoek betreft feiten waarvoor krachtens de OLW overlevering had kunnen worden toegestaan.
Detentiegarantie
De rechtbank heeft in eerdere zaken geoordeeld dat in de detentie-instellingen in Komotini [2] , Thessaloniki [3] en Trikala [4] een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). [5]
Het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft op 19 januari 2023 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gevraagd of de individuele detentiegarantie van
the General Secretariat for Anti-Crime Policyvan 15 december 2022, die is verstrekt in de eerdere overleveringszaak en op grond waarvan de rechtbank destijds heeft geoordeeld dat het vastgestelde individuele gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor de overgeleverde persoon is weggenomen, ook geldt voor het feit waarop het verzoek om aanvullende toestemming ziet.
Bij brief van 20 januari 2023 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt:

We confirm that the assurance provided under the ref.no. 32072oik. dated 15-12-2022 document of the General Secretariat for Anti-Criminal Policy of the Ministry of Citizen Protection is also valid in the present case.
De rechtbank kan, gelet op het tijdsverloop tussen de brief van 20 januari 2023 en de beslissing op het verzoek om aanvullende toestemming, niet vaststellen of de detentiegarantie van 15 december 2022 op dit moment nog actueel is.
Het is onduidelijk in welke instelling de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst in het kader van de zaak waarvoor aanvullende toestemming wordt verzocht, terwijl er al in drie instellingen (hiervoor genoemd) een algemeen gevaar is vastgesteld.
Er is een nieuw, kritisch CPT-rapport van 4 maart 2026 dat daarnaast ook aanleiding zou kunnen geven voor het opvragen van aanvullende informatie over de detentieomstandigheden. Op dit moment is er dus onvoldoende informatie over de detentieomstandigheden. Gelet op de geldende beslistermijn – die al is overschreden – dient de beslissing op het verzoek niet langer te worden aangehouden. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. De rechtbank merkt hierbij op dat dit onverlet laat dat de Griekse autoriteiten desgewenst een nieuw verzoek tot aanvullende toestemming kunnen doen.
De rechtbank zal daarom het verzoek afwijzen.

2.Beslissing

De rechtbank:
wijst afhet verzoek om toestemming van het Parket van het Hof van Beroep van Thessaloniki (
Eisaggelia Efeton Thessalonikis), Griekenland, voor tenuitvoerlegging van de straffen van
[overgeleverde persoon]voor de feiten zoals vermeld in het verzoek.
Deze beslissing is genomen op 30 april 2026 door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier.

Voetnoten

1.Vgl. HvJ EU 26 oktober 2021, C-428/21 PPU en C-429/21 PPU, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63.
2.o.a. Rb. Amsterdam 22 juni 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3306.
3.o.a. Rb. Amsterdam 14 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2324 en Rb. Amsterdam 31 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3097.
4.Rb. Amsterdam 18 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1897.
5.Zie o.a. Rb. Amsterdam 5 april 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:1995) en Rb. Amsterdam 28 april 2016 (ECLI:NL:RBAMS:20 16:2630).