Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4673

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
AMS 25/4535
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WvoArt. 7 WvoArt. 8 WvoArt. 285b SrArt. 285 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering verklaring van geen bezwaar voor vertrouwensfunctie op Schiphol wegens strafbare feiten en gedragspatroon

Eiser, werkzaam als medewerker luchtvracht op Schiphol, verzocht om een verklaring van geen bezwaar (VGB) voor zijn vertrouwensfunctie, maar verweerder weigerde deze vanwege meerdere strafbare feiten binnen de beoordelingsperiode en een vastgesteld gedragspatroon.

De strafbare feiten omvatten onder meer belaging, bedreiging en het opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, waarvoor eiser een taakstraf van 150 uur kreeg opgelegd. Verweerder achtte onvoldoende waarborgen aanwezig dat eiser zijn vertrouwensfunctie onder alle omstandigheden naar behoren zou vervullen, mede gelet op het belang van nationale veiligheid.

Eiser voerde aan dat hij geen toegang heeft tot de vracht en dat de strafbare feiten zich voordeden vóór de aanwijzing van zijn functie als vertrouwensfunctie, en dat hij sindsdien geen strafbare feiten heeft gepleegd. Ook stelde hij dat de individuele omstandigheden rondom de feiten onvoldoende zijn meegewogen en dat het belang van evenredigheid in zijn voordeel pleit.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de terugkijktermijn van acht jaar hanteerde en dat het gedragspatroon en de aard van de strafbare feiten een weigering rechtvaardigen. Hoewel het bestreden besluit een motiveringsgebrek vertoonde door onvoldoende aandacht voor individuele omstandigheden, werd dit gebrek gepasseerd omdat de uitkomst voor eiser hetzelfde blijft.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bepaalde dat verweerder het griffierecht en proceskosten aan eiser moet vergoeden, en bevestigde dat het belang van nationale veiligheid zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiser bij het vervullen van de vertrouwensfunctie.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van de verklaring van geen bezwaar voor de vertrouwensfunctie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4535

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Ben Tarraf),
en

de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van den Bercken).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van verweerder om een verklaring van geen bezwaar (VGB) af te geven op grond van de Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: Wvo).
1.1.
Verweerder heeft dit besluit op 23 augustus 2024 (het primaire besluit) genomen. Met het bestreden besluit van 9 juli 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is verweerder bij het primaire besluit gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.

Feiten en omstandigheden en het bestreden besluit

2. Eiser heeft in 2008 zijn diploma MBO+ Luchtvaartlogistiek behaald en heeft daarna de opleiding Medewerker Luchtvracht afgerond. Eiser werkte toen het bestreden besluit werd genomen ongeveer vijftien jaar als medewerker luchtvracht op de luchthaven Schiphol.
2.1.
De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) heeft in 2022 aanleiding gezien het beleid bij de vracht- en toeleveringsketen voor de burgerluchtvaart aan te scherpen. Het is volgens de NCTV belangrijk om die keten te beschermen tegen de dreiging van insiders: enerzijds personen die vanwege hun functie toegang hebben tot de veilige goederen en die kunnen manipuleren en anderzijds personen die vanwege hun functie kennis hebben over de beveiligingscontroles en deze kunnen manipuleren. De functie van eiser valt onder die tweede categorie.
2.2.
Een vertrouwensfunctie is een functie waarin iemand de mogelijkheid heeft om de nationale veiligheid schade aan te doen. De functie van eiser is per 1 mei 2022 aangewezen als vertrouwensfunctie in de zin van artikel 3 van Pro de Wvo. Daardoor moet eiser, anders dan voorheen, over een VGB beschikken. Voorheen werd volstaan met een verklaring omtrent het gedrag (VOG), die tot eind 2021 steeds aan eiser is verleend. Eiser is op 27 november 2023 door [bedrijf] aangemeld voor een veiligheidsonderzoek op veiligheidsniveau B (burgerluchtvaart) bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) voor de functie van export luchtvracht medewerker.
2.3.
Op 17 juni 2024 heeft verweerder eiser laten weten voornemens te zijn de afgifte van een VGB te weigeren. Eiser heeft hierover zijn zienswijze kenbaar gemaakt.
2.4.
Met het primaire besluit heeft verweerder geweigerd een VGB af te geven, omdat er onvoldoende waarborgen zijn dat eiser de vertrouwensfunctie onder alle omstandigheden naar behoren zal vervullen. Hieraan ligt een beoordeling van justitiële gegevens van eiser aan ten grondslag. Uit het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) is namelijk onder meer gebleken dat eiser op 20 juni 2024 door het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld voor:
  • Belaging (artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht) met pleegperiodes 20 mei 2020 tot en met 1 oktober 2020 en 18 mei 2020 tot en met 10 juni 2020;
  • Bedreiging (artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht) met pleegperiode 21 mei 2020 tot en met 10 juni 2020; en
  • Het opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing (artikel 184a van het Wetboek van Strafrecht) met pleegperiode 12 juli 2020 tot en met 5 oktober 2020
tot een werkstraf van 150 uur.
2.5.
Binnen de beoordelingsperiode is eiser daarnaast nog regelmatig in aanraking geweest met politie en justitie. Het gaat daarbij onder andere om het meermaals rijden onder invloed en het meermaals rijden na ongeldig verklaard rijbewijs of tijdens rijontzegging, het aanwezig hebben dan wel opzettelijk handelen van harddrugs, het opgeven van valse gegevens bij het vragen door bevoegd gezag, bedreiging en opzettelijk en wederrechtelijk vernielen.
2.6.
Eiser heeft tegen de weigering bezwaar gemaakt.
2.7.
Op 20 juni 2025 heeft de Bezwarencommissie Veiligheidsonderzoeken (de commissie) advies uitgebracht. De commissie adviseert verweerder om het primaire besluit te handhaven. Op 9 juli 2025 heeft verweerder, onder overname van het advies van de commissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Het juridisch kader

3. Voor de tekst van de toepasselijke bepalingen uit de Wvo, de Beleidsregel veiligheidsonderzoeken 2021 en van de Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op burgerluchthavens (de Beleidsregel), wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak.

Standpunt van verweerder

4. Verweerder heeft de VGB geweigerd, omdat op grond van het veiligheidsonderzoek is gebleken dat er onvoldoende waarborgen zijn dat eiser onder alle omstandigheden de uit zijn vertrouwensfunctie voortvloeiende verplichtingen getrouwelijk zal vervullen. Om te kunnen beoordelen of de VGB kan worden afgegeven, worden de gegevens over in beginsel een periode van acht jaar bekeken, voorafgaand aan de aanmelding voor het onderzoek. Dit heet de terugkijktermijn. In dit geval liep de beoordelingsperiode van 27 november 2015 tot 27 november 2023. De beoordeling ziet op gegevens zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wvo. In het geval van eiser heeft dit onderzoek nadelige gegevens opgeleverd. Eiser is namelijk op 20 juni 2024 veroordeeld voor belaging, bedreiging en het opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing tot een taakstraf van 150 uur. Alle drie de feiten staan niet expliciet genoemd in de Beleidsregel, maar volgens verweerder is geen van de gepleegde feiten een feit dat past bij de vertrouwensfunctie. Van iemand met een vertrouwensfunctie mag namelijk worden verwacht dat hij de grenzen en veiligheid van mensen en spullen beschermt, dat hij zich op zodanige wijze gedraagt dat de veiligheid van personen en goederen op geen enkele wijze in gevaar wordt gebracht en dat hij regels en normen in acht neemt en instructies afgegeven door daartoe bevoegden opvolgt. Verweerder hanteert daarnaast een vaste gedragslijn waarbij de ondergrens voor een zware taakstraf 40 uur is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft deze gedragslijn niet onredelijk geacht. [1] De aan eiser opgelegde taakstraf van 150 uur overschrijdt deze norm ruimschoots. Daarnaast is er volgens verweerder sprake van een gedragspatroon in de periode van juni 2007 tot oktober 2020. In deze periode kwam eiser vaak in contact met politie en justitie vanwege verschillende strafbare feiten. Verweerder acht daarom onvoldoende waarborgen aanwezig als bedoeld in artikel 8 van Pro de Wvo. Verder stelt verweerder dat het belang van bescherming van de nationale veiligheid zwaarder weegt dan het belang van eiser bij het kunnen uitoefenen van zijn functie in het beveiligde gebied van Schiphol.

Standpunt van eiser

5. Eiser is het niet eens met het besluit van verweerder. Eiser stelt dat hij in zijn functie op geen enkele wijze toegang heeft tot de vracht en deze evenmin kan manipuleren, omdat sprake is van een vier ogen principe. Eiser vindt verder dat geen sprake is van een gedragspatroon in de periode van 2007 tot 2020. Door de coronapandemie en bijbehorende beperkende maatregelen is eiser vastgelopen en heeft hij bepaalde strafbare feiten gepleegd waarvoor hij ook is veroordeeld. Eiser is na die veroordeling begonnen aan een nieuw deel van zijn leven waarin hij zich heel anders gedraagt. Dit heeft het gerechtshof Amsterdam ook gezien en betrokken in de uitspraak en bij de strafoplegging. Als wordt gekeken naar de gehele context vindt eiser daarom dat geen sprake is van een gedragspatroon. Eiser voert aan dat vanuit het oogpunt van evenredigheid zijn belang bij het toekennen van een VGB in deze zaak moet prevaleren. In dit kader speelt volgens eiser mee dat de strafbare feiten die hij heeft gepleegd zich hebben voorgedaan vóór de aanwijzing van de functie als vertrouwensfunctie en dat hij na die aanwijzing geen strafbaar feit meer heeft begaan. Daarnaast voert eiser dit werk al vijftien jaar probleemloos uit. Eiser vindt het te kort door de bocht dat verweerder onder deze omstandigheden alleen maar kijkt naar de hoogte van de straf. Eiser heeft geprobeerd te solliciteren, maar voor alle functies waarvoor hij is opgeleid is een VGB vereist. Eiser stelt dat zijn werk heel belangrijk voor hem is en dat zijn hele toekomst op het spel staat.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden heeft geweigerd een VGB aan eiser te verlenen.
6.1.
Niet in geschil is dat de functie van eiser is aangewezen als vertrouwensfunctie en dat verweerder ter beoordeling van het al dan niet verlenen van een VGB, voor de functie van eiser, een veiligheidsonderzoek B – Burgerluchtvaart verricht, zoals bedoeld in artikel 2 van Pro de Beleidsregel veiligheidsonderzoeken 2021.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de beoordeling of onvoldoende waarborgen aanwezig zijn als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wvo, beoordelingsvrijheid toekomt die door de rechtbank moet worden gerespecteerd. Verweerder gebruikt bij de invulling van deze vrijheid de Beleidsregel.
7. Verweerder heeft ter zitting toegelicht waarom de functie van eiser is aangewezen als vertrouwensfunctie. De rechtbank begrijpt dat het bij de functie van eiser specifiek gaat om een risico op manipulatie van de beveiligingscontroles van bepaalde vracht. De rechtbank is van oordeel dat de stelling van eiser dat hij geen toegang heeft tot de veilige goederen en deze niet kan manipuleren, omdat er sprake is van een twee ogen principe, niet leidt tot de conclusie die hij voorstaat. Een vier ogen principe maakt manipulatie immers op zichzelf nog niet onmogelijk. Bovendien geldt dat medewerkers met deze functie tot op zekere hoogte bekend zijn met de werkwijze rondom de beveiligingscontroles. Daaronder valt mogelijke kennis over kwetsbaarheden in de beveiligingscontroles, hoe de controles verlopen en wie deze controles uitvoeren. Dit is voor personen die kwaadwillend zijn zeer waardevolle informatie, dus ook daarin zit een risico. Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet.
8. De rechtbank is verder van oordeel dat de terugkijktermijn, zoals verweerder deze heeft gehanteerd, niet onredelijk is. Dit wordt ook bevestigd in de vaste rechtspraak van de Afdeling. [2] Zoals in overweging 2.3. is overwogen, is eiser onherroepelijk veroordeeld voor belaging, bedreiging en het opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing. Deze veroordeling van strafbare feiten moet verweerder op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvo betrekken bij de beoordeling. Daarnaast zijn de feiten ruimschoots binnen de terugkijktermijn gepleegd. Hoewel de feiten die eiser heeft gepleegd niet expliciet genoemd zijn in artikel 1, tweede lid, van de Beleidsregel, heeft verweerder de feiten toch meegenomen in de beoordeling, omdat het allemaal strafbare feiten zijn die niet bij een vertrouwensfunctie passen. De rechtbank kan dat volgen. Daarnaast ligt de opgelegde taakstraf van 150 uur ruim boven de grens van de in de vaste gedragslijn gehanteerde 40 uur.
9. Daarnaast heeft verweerder eisers gedrag buiten de terugkijktermijn van acht jaar in zijn afweging betrokken. Wat betreft de vraag of sprake is van een gedragspatroon overweegt de rechtbank als volgt. In de toelichting op artikel 3, aanhef en onder d, van de Beleidsregel veiligheidsonderzoeken 2021 staat dat strafrechtelijke gegevens van buiten de beoordelingsperiode een rol in de afweging kunnen spelen, als sprake is van recidive of een gedragspatroon. Van een gedragspatroon kan sprake zijn indien de betrokkene herhaaldelijk voor strafbare feiten is veroordeeld. Nu eiser binnen enkele maanden meermaals de strafbare feiten belaging en bedreiging heeft gepleegd, kan de rechtbank verweerder volgen in diens stelling dat sprake is van een gedragspatroon. De rechtbank vindt het niet onredelijk dat verweerder dit gegeven heeft laten meewegen. .
10. De rechtbank overweegt verder dat verweerder in het kader van de evenredigheid een belangenafweging heeft gemaakt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [3] is het uitgangspunt van verweerder dat het belang van de nationale veiligheid, bij afweging van de betrokken belangen, zwaarder weegt dan de persoonlijke belangen van degene die de vertrouwensfunctie vervult, gelet op het bijzondere karakter van een dergelijke functie, niet onredelijk. Een bijzondere omstandigheid om van dit uitgangspunt af te wijken doet zich naar het oordeel van de rechtbank hier niet voor. Dat eiser zijn functie altijd correct heeft uitgevoerd kan niet als een zodanige bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. De rechtbank vindt het begrijpelijk dat eiser in deze functie bij zijn werkgever wil blijven, maar het niet kunnen vervullen van de vertrouwensfuncties omdat eiser niet beschikt over een VGB is inherent aan het systeem van de Wvo en de daarmee samenhangende belangen van verweerder. Daarom kan dit belang van eiser er niet toe leiden dat toch een VGB wordt verleend. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat eiser, gelet op zijn achtergrond en ervaring, voldoende mogelijkheden heeft om elders werkzaamheden te verrichten waarvoor geen VGB is vereist. Ook hierom weegt het belang van nationale veiligheid zwaarder dan het persoonlijke belang van eiser. De rechtbank kan deze weging van belangen volgen. Dat geldt ook als dat betekent dat eiser een achteruitgang in salaris zal moeten accepteren. Verweerder heeft er in dat kader ten slotte nog terecht op gewezen dat eiser niet voor altijd van de vertrouwensfunctie is uitgesloten.
10.1.
In het licht van het evenredigheidsbeginsel heeft de rechtbank aan verweerder gevraagd of er ook naar de individuele omstandigheden rondom de strafbare feiten is gekeken en of deze feiten zijn meegewogen in de beoordeling [4] . Voor een correcte afweging is van belang dat verweerder de nodige kennis heeft en bij de beoordeling betrekt over de relevante feiten en belangen, zoals de omstandigheden waaronder het strafbare feit is begaan. Daarbij kan niet worden volstaan met de constatering dat de strafrechter de omstandigheden al heeft afgewogen in het kader van de veroordeling. De wijze waarop de omstandigheden in dat kader zijn gewogen kan immers verschillen van de afweging die de minister moet maken ten behoeve van de VGB. [5]
10.2.
Verweerder heeft op de zitting uitgelegd dat in eerste instantie wordt gekeken naar de hoogte van de opgelegde straf. Volgens verweerder heeft een strafrechter bij het bepalen van de strafmaat gekeken naar alle verzwarende en verzachtende omstandigheden. Bij het nemen van het primaire besluit wordt wel het politiedossier opgevraagd en ingezien door verweerder. Deze gegevens worden dan gebruikt ter onderbouwing van het besluit. Wanneer een belanghebbende in bezwaar gaat, bestuderen verweerder en de commissie ook het politiedossier om de individuele omstandigheden rondom de strafbare feiten te bekijken en te betrekken in het oordeel. Volgens verweerder zijn de omstandigheden rondom het strafbare feit dus wel voldoende meegewogen bij de totstandkoming van het bestreden besluit. Onder meer was het al langere arbeidsverleden als medewerker op Schiphol bekend, maar dit is afgezet tegen de gepleegde feiten en het risico dat moet worden beoordeeld niet doorslaggevend geacht.
10.3.
Eiser heeft op de zitting aangegeven dat het feit dat de motivering is gebaseerd op basis van het politiedossier voor hem nieuwe informatie is. Eiser heeft aangevoerd dat in dit kader moet worden meegewogen dat bepaalde feiten zijn gepleegd in een persoonlijke context tussen eiser als werknemer en zijn werkgever en dus niet kunnen worden teruggevoerd naar een eventueel veiligheidsrisico op de werkvloer. In het politiedossier staat als de pleegplaats van de strafbare feiten Schiphol genoemd, maar dit is volgens hem feitelijk niet juist. Eiser heeft toen hij in een conflict met zijn werkgever was verwikkeld uit frustratie meerdere mails gestuurd. Dit was in de periode dat eiser geen rechtsbijstand had en er erg doorheen zat. De bedreiging is dus schriftelijk geweest. Deze omstandigheid moet volgens eiser worden meegewogen.
10.4.
De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit geen kenbare motivering is opgenomen met betrekking tot de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd. In het besluit en het onderliggende advies staat alleen beschreven wat de strafbare feiten zijn en waarom deze strafbare feiten niet passen bij iemand die een vertrouwensfunctie wil uitvoeren. Het bestreden besluit bevat daarmee een motiveringsgebrek. De rechtbank zal dit gebrek echter passeren, omdat de einduitkomst voor eiser hetzelfde blijft. De rechtbank meent dat eiser uiteindelijk niet in zijn belangen is geschaad door het gebrek. [6] Eiser heeft in zijn beroepschrift en op de zitting op verschillende omstandigheden kunnen wijzen en heeft dat ook gedaan. Verweerder heeft daar tijdens de zitting op gereageerd en heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat geen van deze omstandigheden ertoe had moeten leiden dat alsnog een VGB diende te worden verstrekt. Nu de strafbare feiten zijn gepleegd tegen zijn werkgever die op Schiphol werkzaam is, heeft verweerder dit wel kunnen terugvoeren naar een veiligheidsrisico bij zijn werkgever. Ook de lange periode dat eiser goed op Schiphol heeft gefunctioneerd heeft verweerder niet doorslaggevend hoeven achten.
11. De rechtbank begrijpt dat dit voor eiser een teleurstellende uitkomst is. Daar staat tegenover dat het hier gaat om een vertrouwensfunctie, waarvoor voldoende waarborgen aanwezig moeten zijn dat deze onder alle omstandigheden naar behoren zal worden vervuld. Verweerder mag de lat daarbij hoog leggen, omdat al bij een klein risico op misbruik van de functie, de consequenties voor de veiligheid van personen en zaken heel groot kan zijn. De door eiser aangevoerde omstandigheden zijn niet zodanig bijzonder dat verweerder op grond hiervan van het door hem gehanteerde uitgangspunt had moeten afwijken. Dat betekent dat verweerder heeft kunnen aannemen dat er onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen en de VGB heeft kunnen weigeren.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de weigering van de VGB in stand blijft. Verweerder moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden, omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Eiser krijgt daarom ook een vergoeding van zijn in beroep gemaakte proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door zijn gemachtigde als beroepsmatige rechtsbijstandverlener krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling op basis van een puntensysteem. In de beroepsfase heeft een punt voor een proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen, hetgeen neerkomt op twee punten. De vergoeding bedraagt dus in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. de Vos, voorzitter, en mr. T.L. Fernig - Rocour en mr. M. Frishert, leden, in aanwezigheid van mr. J.Y. Exterkate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE

Wet veiligheidsonderzoeken

Artikel 7
1. Alvorens een verklaring wordt afgegeven of geweigerd, wordt ten aanzien van de betrokken persoon door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst een veiligheidsonderzoek ingesteld.
2. Het veiligheidsonderzoek omvat het instellen van een onderzoek naar gegevens die uit het oogpunt van de nationale veiligheid van belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende vertrouwensfunctie. Hierbij wordt uitsluitend gelet op:
a. justitiële en strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en gegevens als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES alsmede van gegevens als bedoeld in de Wet politiegegevens en van gegevens verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak op Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
b. gegevens betreffende deelneming of steunverlening aan activiteiten die de nationale veiligheid kunnen schaden;
c. gegevens betreffende lidmaatschap van of steunverlening aan organisaties die doeleinden nastreven, dan wel ter verwezenlijking van hun doeleinden middelen hanteren, die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde;
d. gegevens betreffende overige persoonlijke gedragingen en omstandigheden, naar aanleiding waarvan betwijfeld mag worden of de betrokkene de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen.
Artikel 8
Een verklaring kan slechts worden geweigerd, indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om daarover een oordeel te geven.

Beleidsregel veiligheidsonderzoeken 2021

Artikel 2
1. Bij een veiligheidsonderzoek op niveau A worden de gegevens over in beginsel een periode van tien jaar direct voorafgaande aan de aanmelding van de betrokkene voor het veiligheidsonderzoek beoordeeld. Bij een veiligheidsonderzoek op niveau B geldt in beginsel een periode van acht jaar. Bij een veiligheidsonderzoek op niveau C geldt in beginsel een periode van vijf jaar.
2. Met betrekking tot de partner van betrokkene worden in beginsel de gegevens over een periode van vijf jaar direct voorafgaande aan de aanmelding van betrokkene voor het veiligheidsonderzoek beoordeeld.

Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op burgerluchthavens

Artikel 1
1. Bij het afgeven van een verklaring als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de Wet veiligheidsonderzoeken, in verband met de vervulling van een vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven, wordt, indien het naar de betrokken persoon ingestelde veiligheidsonderzoek gegevens heeft opgeleverd als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken, bij de beoordeling van die gegevens rekening gehouden met:
a. de aard van de gegevens;
b. de ouderdom van de gegevens;
c. de aard en de zwaarte van de delicten waarop de gegevens betrekking hebben;
d. de zwaarte van de opgelegde straffen of maatregelen;
e. het aantal in een bepaalde tijdsspanne vastgelegde gegevens;
f. de leeftijd van betrokkene ten tijde van het vastleggen van de gegevens.
2. Bij de beoordeling van de in de aanhef van het eerste lid bedoelde gegevens wordt in het bijzonder gelet op gegevens betreffende:
a. gebruik of handel in harddrugs;
b. handel in grotere hoeveelheden softdrugs;
c. voorhanden hebben of handel in vuurwapens of schijnvuurwapens;
d. zwaardere vormen van diefstal, inbraak of heling;
e. verduistering, oplichting of valsheid in geschriften;
f. misdrijven tegen het leven gericht;
g. openlijke geweldpleging of zware vormen van mishandeling;
h. afpersing of afdreiging;
i. misdrijven tegen de veiligheid van de Staat;
j. deelneming aan een criminele organisatie, of deelneming aan de voortzetting van een verboden en ontbonden rechtspersoon;
k. luchtvaartmisdrijven of
l. andere feiten die een risico kunnen opleveren voor de veiligheid van de burgerluchtvaart.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1739.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1739.
3.Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2304.
4.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2699.
5.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1249 in een zaak over de afgifte van een VOG.
6.Onder toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.