Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4695

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
13-394306-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 SrArt. 311 SrArt. 312 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering en gelijktijdige tenuitvoerlegging gevangenisstraf op grond van artikel 6a Overleveringswet

De rechtbank Amsterdam behandelde op 21 april 2026 het verzoek tot overlevering van een persoon uit Polen op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd op 9 september 2024. De opgeëiste persoon verscheen ter zitting en werd bijgestaan door een raadsman en tolk. De rechtbank had eerder op 12 maart 2026 een tussenuitspraak gedaan waarin zij reeds oordeelde over de grondslag van het EAB, de verdedigingsrechten, dubbele strafbaarheid en het gelijkstellingsverweer.

Op 23 maart 2026 ontving de rechtbank het certificaat en het veroordelende vonnis van de uitvaardigende lidstaat, waarmee toestemming werd gegeven voor de strafuitvoering in Nederland conform het arrest C.J. van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank concludeerde dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is en besloot daarom de overlevering te weigeren.

Gelijktijdig beveelt de rechtbank de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van twee jaren in Nederland en beveelt de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van deze straf. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering en beveelt gelijktijdige tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-394306-24
Datum uitspraak: 21 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 31 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 september 2024 door
the Circuit Court in Łodź, 4th Criminal Division (Sąd Okręgowy w Łodźi, IV Wydział Karny), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 26 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 26 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak 12 maart 2026 [3]
De behandeling van de zaak is heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om, in het kader van artikel 6a OLW, de verstrekking van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het veroordelende vonnis af te wachten.
Zitting 21 april 2026
De behandeling is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 21 april 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en direct uitspraak gedaan.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak

De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van deze rechtbank van 12 maart 2026 reeds is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel 12 OLW Pro, de dubbele strafbaarheid van de feiten en het gelijkstellingsverweer zoals bedoeld in artikel 6a OLW. Hetgeen de rechtbank heeft overwogen moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De rechtbank verwijst allereerst naar de overwegingen zoals opgenomen onder 6.1 tot en met 6.5 in de tussenuitspraak van 12 maart 2026. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
In deze zaak is op 23 maart 2026 het certificaat, opgesteld door
the Circuit Court in Łódźop 23 maart 2026, en het veroordelende vonnis van 16 oktober 2018 (eerste aanleg) en 4 april 2019 (hoger beroep) ontvangen. Hiermee heeft de uitvaardigende lidstaat als beslissingsstaat toestemming gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland zoals bedoeld in het door het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gewezen arrest in de zaak C.J. [4]
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 56, 311, 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6a en 7 OLW.

7.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court in Łodź, 4th Criminal Division (Sąd Okręgowy w Łodźi, IV Wydział Karny), Polen.
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 van de tussenuitspraak bedoelde vrijheidsstraf in Nederland, zijnde een gevangenisstraf van 2 jaren.
HEFT OPde overleveringsdetentie van
[opgeëiste persoon].
BEVEELTde gevangenhouding van
[opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier voorzitter,
mrs. E. de Rooij en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (