Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4697

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
13-036033-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLWArt. 9 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Europees aanhoudingsbevel ondanks verweren gelijkstelling en verjaring

De rechtbank Amsterdam behandelde op 21 april 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen voor de overlevering van een Poolse verdachte. De opgeëiste persoon werd bijgestaan door een advocaat en een tolk. De rechtbank verlengde de beslistermijn en schorste de gevangenhouding tot uitspraak.

De opgeëiste persoon voerde verweren aan op grond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW) over schending van verdedigingsrechten, maar de rechtbank oordeelde dat de procedures in hoger beroep voldeden aan de vereisten en dat de weigeringsgrond niet van toepassing was. Daarnaast werd betoogd dat de verdachte gelijkgesteld moest worden met een Nederlander op grond van zijn verblijfsstatus, wat zou leiden tot weigering van overlevering en strafuitvoering in Nederland. De rechtbank verwierp dit omdat de verblijfstitel niet gelijkstaat aan een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en de verdachte niet vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verbleef.

Ook het beroep op verjaring van de tenuitvoerleggingstermijn werd afgewezen. De rechtbank constateerde dat er geen concreet individueel gevaar was dat het recht op een eerlijk proces in Polen zou worden geschonden. Het evenredigheidsverweer faalde omdat de uitvaardiging van het EAB door de Poolse rechter als proportioneel werd beschouwd en er geen bijzondere omstandigheden waren om overlevering te weigeren.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat de overlevering aan Polen moet worden toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks verweren van gelijkstelling, verjaring en evenredigheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-036033-26
Datum uitspraak: 30 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 12 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 7 januari 2026 door
the Regional Court in Gdańsk,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
feitelijk verblijvende aan de [feitelijk verblijfadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 april 2026 in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. G.L.P. Biesmans, advocaat te Heerlen, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor het sluiten van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een:
judgement of the District Court in Sopot of 13 March 2024, case ref. II K 301/23,
upheld in the judgement of the Regional Court in Gdańsk of 13 August 2024, case ref. V Ka 1115/24;
judgement of the District Court in Sopot of 12 April 2023, case ref. II K 70/23, upheld in the judgement of the Regional Court in Gdańsk of 6 October 2023, case ref. V Ka 1477/23;
judgement of the District Court in Sopot of 27 November 2017, case ref. II K 299/15, upheld in the judgement of the Regional Court in Gdańsk of 9 July 2018, case ref. V. Ka 581/18.
Ten aanzien van vonnis I met referentienummer I K 301/23:
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
Ten aanzien van vonnis II met referentienummer II K 70/23:
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
Ten aanzien van vonnis III met referentienummer II K 299/15:
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vijf maanden en 21 dagen.
De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsvrouwDe raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon is bij één van de procedures in persoon verschenen, maar weet niet meer of hij in de andere procedures door een gemachtigd advocaat is verdedigd, zoals in het EAB staat vermeld. Dit betekent dat hij in zijn verdedigingsrechten is geschaad.
Standpunt van de officier van justitieDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat. Uit de aanvullende informatie volgt namelijk dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest bij de procedure in hoger beroep met referentienummer V Ka 581/18. Ten aanzien van de arresten met referentienummers V Ka 1115/24 en V Ka 1477/23 is sprake van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet van de juistheid van de verstrekte informatie worden uitgegaan. Dat de opgeëiste persoon zich niet meer kan herinneren of hij door een gemachtigd advocaat is vertegenwoordigd is onvoldoende om hieraan te twijfelen.
Oordeel van de rechtbankAls een proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] De rechtbank zal daarom de procedures in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW Pro.
Ten aanzien van arrest I en II met referentienummers V Ka 1115/24 en V Ka 1477/23
Op grond van de aanvullende informatie van 15 en 16 april 2026 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de voorgenomen processen, een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren en dat deze advocaat tijdens de processen de verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing. Het verweer van de raadsvrouw op dit punt wordt verworpen.
Ten aanzien van arrest III met referentienummer V Ka 581/18:
De aanvullende informatie van 15 april 2026 vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot deze beslissing heeft geleid, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro voor dit arrest niet van toepassing is.

5.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten naar Nederlands recht op:
  • telkens: meerdaadse samenloop van overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
  • overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.

6.Weigeringsgronden als bedoeld in artikel 6a en 9 OLW

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft betoogd dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. De opgeëiste persoon beschikt namelijk over de verblijfstitel “Vw 2000 art. 8, onder e, toetsing aan het gemeenschapsrecht, arbeid vrij”. De overlevering moet daarom op grond van artikel 6a OLW worden geweigerd onder gelijktijdige strafovername door Nederland. Ten aanzien van het vonnis met het kenmerk V Ka 581/18 dient de overlevering te worden geweigerd op grond van artikel 9, eerste lid sub f, OLW, omdat naar Nederlands recht de tenuitvoerleggingtermijn is verjaard. De raadvrouw heeft de rechtbank verzocht om het bevel gevangenhouding te schorsen tot het moment van daadwerkelijke tenuitvoerlegging, gelet op het verzoek dat in Polen is ingediend om de tenuitvoerlegging van de straf aan Nederland over te dragen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, omdat geen stukken zijn overgelegd die aantonen dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Bovendien heeft de opgeëiste persoon zelf verklaard dat hij pas sinds 2024 in Nederland verblijft. Aangezien de opgeëiste persoon niet gelijk kan worden gesteld met een Nederlander heeft Nederland geen rechtsmacht, zodat verjaring naar Nederlands recht niet aan de orde is.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsvrouw aldus dat de opgeëiste persoon een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in Nederland heeft gelet op zijn EU-verblijfsrecht. Dit is echter onjuist, nu de verblijfstitel “Vw 2000 art. 8, onder e, toetsing aan het gemeenschapsrecht, arbeid vrij” niet gelijk staat aan een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De opgeëiste persoon heeft ook geen stukken overgelegd die aantonen dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Dit betekent dat niet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de tweede voorwaarde.
Gelet op het voorgaande heeft Nederland geen rechtsmacht, zodat de rechtbank niet toekomt aan het verweer van de raadsvrouw dat sprake zou zijn van verjaring van de tenuitvoerleggingstermijn naar Nederlands recht. Nu de weigeringsgrond van artikel 6a OLW niet van toepassing is en de straf niet kan worden overgenomen, komt de rechtbank eveneens niet toe aan het verzoek tot schorsing van het bevel gevangenhouding na uitspraak tot aan de tenuitvoerlegging in Nederland. De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsvrouw op deze punten.

7.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld en bestaat er ook geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen. [6]

8.Beroep op evenredigheidsbeginsel

Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft een beroep gedaan op de evenredigheid van het EAB en daartoe aangevoerd dat de overlevering wordt gevraagd, terwijl de opgeëiste persoon inmiddels een leven in Nederland heeft opgebouwd. Hij heeft hier samen met zijn partner twee jonge kinderen en is kostwinner van het gezin. Bovendien is sprake van een uitzonderlijke omstandigheid nu namens de opgeëiste persoon een verzoek bij de Poolse autoriteiten is ingediend dat zou kunnen leiden tot intrekking van het EAB.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de afweging om een EAB uit te vaardigen is voorbehouden aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Nu geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd en de uitvaardigende justitiële autoriteit er niet voor heeft gekozen om het EAB in te trekken, moet de overlevering worden toegestaan.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt in lijn met eerdere uitspraken dat voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.
Uit het stelsel van overlevering en een kaderbesluitconforme uitleg volgt dat een evenredigheidsafweging in beginsel is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. De Poolse rechter heeft in deze zaak de afweging gemaakt om een EAB uit te vaardigen. Hiermee is de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB gegeven. Wat de raadsvrouw heeft aangevoerd maakt dat niet anders. De keuze voor het uitvaardigen van een EAB door de Poolse autoriteiten gaat niet verder dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit – het voorkomen van straffeloosheid – te verwezenlijken.
Dat neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Gelet op de stelselevenredigheid kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de (persoonlijke) belangen van de opgeëiste persoon, is naar het oordeel van de rechtbank van zulke bijzondere omstandigheden in het onderhavige geval niet gebleken. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.

9.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

10.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 8, 9, 176 van de Wegenverkeerswet 1994, en 2, 5 en 7 OLW.

11.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Gdańsk, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier voorzitter,
mrs. E. de Rooij en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (