Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4716

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
14 mei 2026
Zaaknummer
13-051280-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verweer over strafrestant

De rechtbank Amsterdam behandelde op 30 april 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor de overlevering van een persoon geboren in 1995 zonder vaste verblijfplaats in Nederland. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van twee jaar, waarvan nog tien maanden en zestien dagen resten.

De raadsman van de opgeëiste persoon verzocht om aanhouding van de procedure om aanvullende vragen te stellen over de aftrek van de tijd die de opgeëiste persoon in Nederland in overleveringsdetentie heeft doorgebracht. De rechtbank wees dit verzoek af omdat dit geen weigeringsgrond vormt en de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten bevestigde dat deze tijd is afgetrokken van het strafrestant.

Verder werd het verweer op grond van artikel 12 OLW Pro, dat ziet op de aanwezigheid van de verdachte bij de procedure en de vertegenwoordiging door een advocaat, verworpen. De rechtbank bevestigde haar eerdere oordeel uit 2022 dat aan de vereisten van artikel 12 OLW Pro is voldaan en dat de procedure in hoger beroep correct is verlopen.

De rechtbank constateerde dat het strafbare feit valt onder de lijst van bijlage 1 OLW en dat de straf in Polen een maximum van ten minste drie jaar heeft, waardoor dubbele strafbaarheid niet hoeft te worden onderzocht. Hoewel er structurele gebreken zijn in de Poolse rechtsorde, is niet gebleken dat deze een individueel reëel gevaar voor een eerlijk proces vormen in deze zaak.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en geen weigeringsgronden aanwezig zijn, waardoor de overlevering wordt toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks het verweer over het strafrestant en mogelijke weigeringsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-051280-26
Datum uitspraak: 13 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 23 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 september 2025 door
the Regional Court in Zamość, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1995,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 30 april 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court in Biłgorajvan 29 januari 2020 met kenmerk II K 312/17 en een arrest van
the Regional Court in Zamośćvan 10 juli 2020.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog tien maanden en zestien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Uit onderdeel F) van het EAB en de aanvullende informatie van
the District Court in Biłgorajvan 24 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon een deel van de straf heeft uitgezeten en op 26 april 2023 voorwaardelijk in vrijheid is gesteld. De voorwaardelijke invrijheidsstelling is herroepen bij beslissing van
the Regional Court in Nowy Sącz Second Criminal Divisionvan 10 december 2024, met kenmerk II Kow 435/24.
Het arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Strafrestant
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft verzocht de behandeling van het EAB aan te houden om aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen over het restant van de straf. De opgeëiste persoon heeft in Nederland eerder in overleveringsdetentie gezeten voor dezelfde zaak. Het is niet duidelijk of de tijd die de opgeëiste persoon in Nederland in overleveringsdetentie heeft doorgebracht, daadwerkelijk is afgetrokken van het restant van de straf zoals vermeld in het EAB.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich verzet tegen het verzoek van de raadsman omdat deze vraag niet relevant is voor de toelaatbaarheid van de overlevering.
Oordeel van de rechtbank
Het verzoek van de raadsman levert geen weigeringsgrond op in de zin van de OLW. De rechtbank ziet dan ook geen reden om hierover vragen te laten stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit en wijst het verzoek om aanhouding af. Overigens blijkt uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 3 mei 2026 dat de tijd die de opgeëiste persoon in Nederland in overleveringsdetentie heeft doorgebracht is afgetrokken van het strafrestant. Op grond van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie.
3.2
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Standpunt van de raadsman
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 10 mei 2022 [4] de procedure in hoger beroep die heeft geleid tot het arrest van
the Regional Court in Zamośćvan 10 juli 2020 getoetst aan artikel 12 OLW Pro. De rechtbank heeft in die uitspraak overwogen dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW, aangezien de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd, deze advocaat aanwezig was bij de procedure in hoger beroep en dat deze advocaat de verdediging van de opgeëiste persoon heeft gevoerd. Uit onderdeel D) van het onderhavige EAB blijkt daarentegen dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces, terwijl niet duidelijk wordt of deze informatie ziet op de procedure in eerste aanleg of de procedure in hoger beroep. De raadsman heeft de rechtbank verzocht hierover aanvullende vragen te stellen.
Standpunt van de officier van justitie
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 10 mei 2022 geoordeeld dat ten aanzien van de procedure in hoger beroep sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. Net als in het eerdere EAB uit 2021 is in het onderhavige EAB aangekruist dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces. Dat kruisje moet worden geacht betrekking te hebben op de procedure in eerste aanleg. De Poolse autoriteiten hebben namelijk op vragen van het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) - uitgezet in het kader van de eerdere overleveringsprocedure - geantwoord dat de opgeëiste persoon in hoger beroep is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat. Er bestaat geen reden om op het oordeel van de rechtbank zoals opgenomen in de uitspraak van 10 mei 2022 terug te komen.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het arrest vanthe Regional Court in Zamośćvan 10 juli 2020
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [5]
Op grond van het EAB stelt de rechtbank vast dat het arrest van
the Regional Court in Zamośćvan 10 juli 2020 moet worden getoetst aan artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. In haar uitspraak van 10 mei 2022 [6] heeft de rechtbank ten aanzien van de procedure in hoger beroep die heeft geleid tot het arrest van
the Regional Court in Zamośćvan 10 juli 2020 het volgende overwogen:
“Uit de aanvullende informatie van 9 februari 2022, 14 en 22 april 2022 blijkt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de procedure in hoger beroep en dat in de procedure in hoger beroep definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en zijn veroordeling tot een straf, nadat de zaak, in feite en in rechte, opnieuw ten gronde is behandeld. Uit deze aanvullende informatie volgt ook dat de opgeëiste persoon zijn advocaat heeft gemachtigd, dat deze advocaat aanwezig was bij de procedure in hoger beroep en dat deze advocaat de verdediging van de opgeëiste persoon heeft gevoerd. Daarmee doet zich de situatie voor als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De omstandigheid dat de gemachtigd advocaat ter zitting geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd, maakt dit niet anders, te meer waar in de brief van 14 april 2022 is aangegeven dat “
the defence counsel of [de opgeëiste persoon] supported the appeal filed”.”
De rechtbank ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen aanleiding om nu anders te oordelen dan in 2022. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
Ten aanzien van de beslissing vanthe Regional Court in Nowy Sącz Second Criminal Divisionvan 10 december 2024 (met kenmerk II Kow 435/24)
Uit onderdeel F) van het EAB en de aanvullende informatie van 24 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op 26 april 2023 voorwaardelijk in vrijheid is gesteld. Bij beslissing van
the Regional Court in Nowy Sącz Second Criminal Divisionvan 10 december 2024 is de voorwaardelijke invrijheidsstelling herroepen wegens het overtreden van de gestelde voorwaarden.
De beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van 10 december 2024 is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [7] Nu de herroeping niet het gevolg is geweest van een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit, hoeft de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW Pro te toetsen dan de hiervoor genoemde veroordeling in hoger beroep waarbij de vrijheidsstraf is opgelegd.

4.Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5. Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [8]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [9]

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Zamość(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4068.
5.HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 (
6.Rb. Amsterdam 10 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4068.
7.HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 77.
8.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
9.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (