Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4719

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
14 mei 2026
Zaaknummer
13-046568-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 7 OLWArt. 8 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks bezwaren detentieomstandigheden Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor de overlevering van een persoon die een gevangenisstraf van drie jaar en zeven maanden moet ondergaan. De opgeëiste persoon verscheen persoonlijk en werd bijgestaan door een raadsman en tolk.

De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de opgeëiste persoon correct was en dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen. De feiten waarvoor overlevering werd verzocht, betroffen onder meer roekeloos rijgedrag met lichamelijk letsel en overtredingen van de Opiumwet, die ook onder Nederlands recht strafbaar zijn.

Hoewel de verdediging bezwaar maakte tegen overlevering op grond van mogelijke schendingen van het recht op een eerlijk proces en onmenselijke detentieomstandigheden in Polen, concludeerde de rechtbank dat er geen concreet individueel gevaar was aangetoond. Er was geen algemeen gevaar voor onmenselijke behandeling in Poolse gevangenissen en onvoldoende objectieve gegevens om individuele risico's te onderbouwen.

De rechtbank verwierp het verweer en besloot de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks aangevoerde bezwaren over detentieomstandigheden en het recht op een eerlijk proces.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-046568-26
Datum uitspraak: 13 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 17 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 april 2024 door
the Regional Court of Przemyśl,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1998,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 14 april 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 14 april 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB aangehouden tot de zitting van 30 april 2026 omdat er vanwege problemen met het telehoren te weinig tijd was om de zaak inhoudelijk te behandelen.
Zitting van 30 april 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court of Przeworskvan 10 november 2022, met kenmerk II K 66/22.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren en zeven maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994;
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van deze wet;
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.Artikel 11 OLW Pro

5.1
Artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
5.2
Poolse detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 11 OLW Pro moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon vreest dat hij gevaar loopt bij terugkeer in Polen omdat hij als informant heeft gewerkt en zijn vader een politieagent is. Het toetsingskader van
Aranyosi en Căldăraru [6] brengt met zich mee dat, indien geen algemeen gevaar is vastgesteld, individuele gevallen aanleiding kunnen geven tot een beoordeling van de detentieomstandigheden in de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. Aangezien concrete informatie over de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd ontbreekt, kan toetsing van de detentieomstandigheden in het licht van de individuele omstandigheden van het geval niet plaatsvinden. Subsidiair moet aanvullende informatie worden gevraagd aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat. Er is geen algemeen gevaar aangenomen voor een onmenselijke of vernederende behandeling ten aanzien van de gevangenissen in Polen voor de executie van opgelegde straffen. Voor zover ruimte is voor een individuele beoordeling, moet dit plaatsvinden op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens. Deze gegevens zijn niet door de raadsman overgelegd en er bestaat dat ook geen aanleiding om vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat geen sprake is van een algemeen gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling in de gevangenissen in Polen voor gedetineerden die een gevangenisstraf moeten ondergaan. [7] Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsman geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat er, in tegenstelling tot wat de rechtbank eerder heeft geoordeeld, wel sprake is van een algemeen gevaar ten aanzien van veroordeelde gedetineerden in Polen. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over dergelijke gegevens.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of voor deze opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling in detentie bestaat. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de overlevering te weigeren of de behandeling van de zaak aan te houden om vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 6, 8, 9, 175 en 176 Wegenverkeerswet 1994, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court of Przemyśl(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016,
7.Zie o.a. Rb. Amsterdam 24 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3202.