Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4862

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
11465139 \ CV EXPL 24-16380
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m BWArt. 6:233 BWArt. 6:237 BWArt. 6:248 BWRichtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing consumentenrecht en oneerlijke bedingen in plaatsingsovereenkomst particulier onderwijs

Eisende partij, Junior College V.O.F., vordert betaling van onbetaald cursusgeld en bijkomende kosten van gedaagde partij, die zich had ingeschreven voor particulier onderwijs voor haar zoon. De overeenkomst bevat algemene voorwaarden met bedingen over rente, incassokosten en gerechtelijke kosten.

De kantonrechter stelt vast dat de overeenkomst tussen een handelaar en een consument is gesloten en toetst ambtshalve de naleving van informatieplichten en de oneerlijkheid van bedingen aan Richtlijn 93/13 EG. Eisende partij heeft onvoldoende onderbouwd hoe zij aan de informatieplichten heeft voldaan.

De renteclausule van 1% per maand, het incassokostenbeding zonder verwijzing naar wettelijke regeling en het beding over volledige proceskosten worden als oneerlijk beoordeeld en buiten toepassing gelaten. Eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. De zaak wordt aangehouden en verwezen voor nadere akte.

Uitkomst: De gevorderde rente, incassokosten en proceskosten worden afgewezen wegens oneerlijke bedingen; de zaak wordt aangehouden voor nadere uitlatingen van eisende partij.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11465139 \ CV EXPL 24-16380
Vonnis van 23 april 2026
in de zaak van
de vennootschap onder firma
JUNIOR COLLEGE V.O.F.,
gevestigd te Almere,
eisende partij,
gemachtigde: B.A. den Blanken,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 september 2024, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij stelt dat gedaagde partij zich op 22 juli 2022 bij eisende partij heeft ingeschreven voor het volgen van particulier onderwijs voor haar zoon. Naast een inschrijvingsformulier heeft gedaagde partij een plaatsingsovereenkomst ondertekend. Het jaarlijkse cursusgeld bedraagt € 13.800,00. Op de plaatsingsovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard. In totaal heeft gedaagde partij over de periode van november 2022 tot en met mei 2024 een bedrag van € 21.090,00 onbetaald gelaten, aldus – steeds – eisende partij.
2.2.
Eisende partij vordert veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 21.090,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met contractuele rente van 1% per maand vanaf 2 januari 2025, € 2.677,77 aan contractuele rente berekend tot 2 januari 2025, € 1.192,94 aan buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
2.3.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.4.
Eisende partij heeft in de dagvaarding niet gesteld op welke wijze de overeenkomst is gesloten, welke informatieplichten van Afdeling 2b, Titel 5 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) onder die omstandigheden van toepassing zijn en op welke wijze zij aan deze informatieplichten heeft voldaan. Eisende partij dient zich hierover bij akte gemotiveerd uit te laten. Deze stellingen moeten zoveel mogelijk worden onderbouwd.
2.5.
In de op de overeenkomst van toepassing verklaarde algemene voorwaarden staan meerdere bedingen die aan de onderhavige vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd. Deze bedingen moeten worden getoetst op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter, ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op een bepaald beding in de overeenkomst, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
2.6.
De betreffende bedingen luiden, voor zover voor de onderhavige vordering van belang:
“Financiële verplichtingen
De ouders ontvangen van Juniorcollege een factuur voor het cursusgeld.(…)

Bij te late betaling is een rente verschuldigd van 1% per maand, een gedeelte van een maand wordt voor een volle maand gerekend.

Alle op de inning vallende kosten, zowel gerechtelijk als buitengerechtelijk (deze zijn 15% met een minimum van € 40,--), zijn voor rekening van de nalatige contractant.”
2.7.
Het hiervoor geciteerde gedeelte uit de algemene voorwaarden bevat een beding over rente, buitengerechtelijke kosten en gerechtelijke kosten (proceskosten). Nu deze bepalingen geen zodanig verband met elkaar hebben dat zij niet van elkaar kunnen worden gescheiden zonder de inhoud van de bedingen te herzien, worden deze afzonderlijk getoetst.
2.8.
Het rentebeding bepaalt dat gedaagde partij bij te late betaling een rente van 1% per maand in rekening kan brengen. Dat beding wordt vermoed oneerlijk te zijn, omdat het rentepercentage aanzienlijk hoger is dan de ten tijde van het sluiten van de overeenkomst geldende wettelijke rente en daarmee een onevenredig hoge schadevergoeding kan worden gevraagd. Het beding is daarmee oneerlijk zodat het buiten toepassing moet worden gelaten. Gevolg hiervan is dat eisende partij daarop geen beroep meer kan doen. Dat leidt tot afwijzing van de gevorderde rente.
2.9.
Het beding over incassokosten wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling, die van dwingend recht is. Op grond van het beding kunnen namelijk ongelimiteerd incassokosten in rekening worden gebracht. Een verwijzing naar de wettelijke regeling ontbreekt, zodat het beding een aanzienlijk bredere strekking heeft. Als er wordt afgeweken van dwingend recht, levert dat oneerlijkheid op (zie ECLI:NL:HR:2023:198). Dat leidt tot afwijzing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten.
2.10.
Het beding over gerechtelijke kosten geeft eisende partij de mogelijkheid om alle door haar gemaakte kosten in rechte bij de consument in rekening te brengen. Dus ook de volledige kosten van bijvoorbeeld een advocaat. Dat is normaal gesproken slechts het geval wanneer sprake is van misbruik van recht of onrechtmatig handelen. Het beding is daarom oneerlijk, zoals ook door de Hoge Raad is bevestigd (ECLI:NL:HR:2025:820). Ondanks dat de Hoge Raad in het aangehaalde arrest de vraag over de gevolgen daarvan op zijn beurt heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, is de kantonrechter voornemens de proceskosten af te wijzen, gelet op artikel 6 lid 1 van Pro Richtlijn 93/13/EG en de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de ‘terugvalleer’ (o.a. ECLI:EU:C:2021:68 en ECLI:EU:C:2022:971).
2.11.
Voordat de kantonrechter de hiervoor besproken bedingen die als oneerlijk zijn aangemerkt buiten toepassing laat, mag eisende partij zich over de oneerlijkheid en de gevolgen daarvan uitlaten.
2.12.
De zaak wordt naar de rol verwezen voor akte uitlating door eisende partij over het bepaalde in overwegingen 2.4 (informatieplichten) en 2.11 (buiten toepassing laten van oneerlijke bedingen).
2.13.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
2.14.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
donderdag 28 mei 2026 om 10.00 uurvoor het nemen van een akte door eisende partij,
3.2.
bepaalt dat eisende partij de akte aan gedaagde partij moet sturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.13,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.
991