Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4874

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
13/062048-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks ontbreken dubbele strafbaarheid voor niet betalen kinderalimentatie

De rechtbank Amsterdam behandelde op 6 mei 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse justitiële autoriteit tegen een Poolse onderdaan die in Nederland werd gedetineerd. Het EAB betrof de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van zes maanden wegens het niet betalen van kinderalimentatie.

Hoewel het niet betalen van kinderalimentatie in Nederland geen strafbaar feit is, stelde de raadsman dat de overlevering geweigerd moest worden wegens het ontbreken van dubbele strafbaarheid. De officier van justitie betoogde dat de rechtbank kon afzien van deze weigeringsgrond omdat de feiten geen aanknopingspunten hebben met de Nederlandse rechtsorde en de straf is opgelegd door een Poolse rechter.

De rechtbank oordeelde dat de overlevering toegestaan kon worden omdat weigering zou leiden tot straffeloosheid, hetgeen in beginsel moet worden voorkomen. Tevens werd vastgesteld dat er geen concreet gevaar is voor schending van het recht op een eerlijk proces ondanks structurele gebreken in de Poolse rechtsorde.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan. De overlevering werd daarom toegestaan.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering toe ondanks het ontbreken van dubbele strafbaarheid voor het niet betalen van kinderalimentatie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-062048-26
Datum uitspraak: 20 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 5 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 december 2024 door de
Sąd Okręgowy w Zielonej Górze (Circuit Court of Zielona Góra), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court of Zielona Góravan 25 juni 2021, met referentie: VII K 243/21.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

4.1
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten, waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de dubbele strafbaarheid ontbreekt. Anders dan de rechtbank eerder heeft overwogen, zou de overlevering niet moeten worden toegestaan voor feiten die naar Nederlands recht een civiele kwestie betreffen.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie kan worden afgezien van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW Pro, omdat de feiten geen aanknopingspunten hebben met de Nederlandse rechtsorde. De feiten zijn begaan in Polen, door een onderdaan van Polen tegen andere onderdanen van Polen en zijn door een Poolse rechter bestraft.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat in dit geval het niet betalen van kinderalimentatie naar Nederlands recht geen strafbaar feit oplevert, nu uit het EAB niet volgt dat door het niet betalen van alimentatie de kinderen in een hulpbehoevende situatie zijn gebracht. Daarom is niet voldaan aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank overweegt verder dat met de inwerkingtreding van de Wet herimplementatie Europees strafrecht ook artikel 7 OLW Pro is gewijzigd. Artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, OLW houdt sindsdien een
facultatieveweigeringsgrond in met betrekking tot het ontbreken van strafbaarheid naar Nederlands recht van een zogenoemd niet-lijstfeit als het EAB strekt tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Dat betekent dat de rechtbank kan afzien van weigering van de overlevering, ook als niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid.
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om van weigering af te zien. Daarvoor is van belang dat de feiten geen aanknopingspunten hebben met de Nederlandse rechtsorde. De feiten zijn immers begaan in Polen, door een Poolse onderdaan tegen andere Poolse onderdanen. Weigering van de overlevering op deze grond zou bovendien leiden tot straffeloosheid en dat moet in beginsel worden voorkomen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.

5.Artikel 11 OLW Pro; artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
8. Beslissing
STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
Sąd Okręgowy w Zielonej Górze (Circuit Court of Zielona Góra), Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.5Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (