Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4875

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
13/329861-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OLWArt. 28 OLWArt. 4 HandvestArt. 6:162 BWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank weigert overlevering op grond van reëel gevaar onmenselijke behandeling in Franse detentie

De rechtbank Amsterdam behandelde op 20 mei 2026 de vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Franse autoriteiten voor de overlevering van een persoon met de Nederlandse nationaliteit.

Eerder had de rechtbank in een tussenuitspraak vastgesteld dat er een individueel gevaar bestond voor schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vanwege de detentieomstandigheden in de Franse gevangenis Fresnes. De rechtbank stelde een redelijke termijn om gewijzigde omstandigheden af te wachten.

Ondanks aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon in een andere detentie-instelling, Troyes-Lavau, zou worden geplaatst, oordeelde de rechtbank dat deze wijziging onvoldoende garanties bood om het individuele gevaar weg te nemen. De verstrekte informatie was algemeen en gaf geen zekerheid over de leefruimte en omstandigheden voor de opgeëiste persoon.

De rechtbank besloot daarom geen gevolg te geven aan het EAB en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB, waarmee de overleveringsprocedure werd beëindigd.

Uitkomst: De rechtbank weigert overlevering wegens reëel gevaar op onmenselijke behandeling en verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-329861-25
Datum uitspraak: 20 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 5 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 december 2025 door de
Procureur de la Républiquebij de rechtbank van Parijs, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1969 in [geboorteplaats] (Turkije),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 5 maart 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 5 maart 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.J. Korver, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Turkse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 19 maart 2026 [3]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank onder meer vastgesteld dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) bestaat vanwege de detentieomstandigheden in de detentie-instelling Fresnes. De rechtbank heeft de beslissing over de overlevering aangehouden en een redelijke termijn gesteld. De rechtbank heeft voorts op basis van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW met 60 dagen.
Zitting van 6 mei 2026
Op deze zitting is de behandeling van het EAB – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.J. Korver, en door een tolk in de Turkse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 19 maart 2026

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de strafbaarheid van de feiten (onder 4), de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 5) en de weigeringsrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro (onder 6). Deze overwegingen van de rechtbank moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro: detentieomstandigheden in Frankrijk

Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 7 van de tussenuitspraak van 19 maart 2026, die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
De rechtbank heeft naar aanleiding van de door de Franse autoriteiten verstrekte informatie over de detentieomstandigheden in de detentie-instelling Fresnes geoordeeld dat die informatie onvoldoende is om het vastgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Op grond hiervan heeft de rechtbank vastgesteld dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan. De rechtbank heeft daarom de beslissing over de overlevering aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW en een redelijke termijn van 30 dagen gesteld om af te wachten of een wijziging in de omstandigheden zal optreden. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat als binnen deze termijn zich geen gewijzigde omstandigheden voordoen, geen gevolg zal worden gegeven aan het EAB.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op
7 april 2026 en 24 april 2026 aan de Franse autoriteiten gevraagd om aanvullende informatie te verstrekken over de detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon.
Bij brief van 4 mei 2026 heeft de openbare aanklager bij het
Tribunal Judiciairevan Parijs de volgende informatie verstrekt:

(…) Indien hij wordt overgeleverd, zal [de opgeëiste persoon] worden geplaatst in de detentie-instelling van TROYES-LAVAU.
De meeste cellen in deze detentie-instelling hebben een oppervlakte van 10,5 m², met twee gedetineerden per cel. Zij beschikken over een douche in de cel.
De inrichting is recent, aangezien zij op 13 december 2023 in gebruik is genomen.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De aanvullende informatie van 4 mei 2026 dient buiten beschouwing te worden gelaten, omdat de door de rechtbank in de tussenuitspraak gestelde redelijke termijn van 30 dagen op 17 april 2026 is verstreken. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak expliciet overwogen dat, wanneer binnen die redelijke termijn geen wijziging in de omstandigheden optreedt, aan het EAB geen gevolg zal worden gegeven. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om aanvullende informatie op te vragen over de actuele detentieomstandigheden in de detentie-instelling van Troyes-Lavau.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 16 april 2026 [4] op het standpunt gesteld dat aanvullende informatie die na de redelijke termijn, maar vóór de behandeling van de zaak ter zitting wordt ontvangen door de rechtbank in behandeling kan worden genomen. Volgens de officier van justitie is met de verstrekte aanvullende informatie van 4 mei 2026 sprake van gewijzigde omstandigheden, nu de opgeëiste persoon niet langer in Fresnes, maar in de detentie-instelling van Troyes-Lavau zal worden geplaatst. Hoewel de aanvullende informatie van 4 mei 2026 op zichzelf onvoldoende garantie biedt om het individuele gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen, heeft de rechtbank op 24 februari 2026 de overlevering nog toegestaan in een andere overleveringszaak waarin een detentiegarantie voor de detentie-instelling van Troyes-Lavau was verstrekt. [5] De officier van justitie heeft de in die zaak verstrekte garantie overgelegd en aangevoerd dat de daarin opgenomen informatie bevestigt dat de omstandigheden aldaar goed zijn. Zij heeft de rechtbank daarom verzocht de zaak opnieuw aan te houden om eenzelfde detentiegarantie ten behoeve van de opgeëiste persoon op te vragen bij de Franse autoriteiten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt allereerst dat de aanvullende informatie van 4 mei 2026, hoewel deze is ontvangen na het verstrijken van de in de tussenuitspraak gestelde redelijke termijn van 30 dagen, bij de beoordeling kan worden betrokken. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen, betreft de door de rechtbank gestelde redelijke termijn geen fatale termijn voor het ontvangen van nadere informatie, maar een termijn waarbinnen in redelijkheid kan worden verwacht dat zich gewijzigde omstandigheden kunnen voordoen. De beoordeling of daarvan sprake is, vindt uiterlijk plaats op de zitting. [6] De rechtbank zal daarom de aanvullende informatie van 4 mei 2026 betrekken bij de vraag of zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten.
Met de mededeling in de aanvullende informatie van 4 mei 2026 dat de opgeëiste persoon in de detentie-instelling van Troyes-Lavau zal worden geplaatst, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een wijziging van omstandigheden. De opgeëiste persoon zal immers nu in een andere detentie-instelling dan Fresnes worden geplaatst. Deze wijziging van omstandigheden is echter niet van dien aard dat daarmee het individuele gevaar voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen. De op 4 mei 2026 verstrekte informatie vermeldt namelijk alleen waar de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst, maar is verder van algemene aard en ziet niet op de concrete situatie voor de opgeëiste persoon. Hierdoor kan de rechtbank niet vaststellen of de opgeëiste persoon na overlevering ten minste 3 m2 persoonlijke leefruimte, exclusief sanitair, in een meerpersoonscel tot zijn beschikking zal hebben in de detentie-instelling van Troyes-Lavau.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de al eerder geboden redelijke termijn te verlengen om de Franse autoriteiten de gelegenheid te geven concrete informatie over de detentie-omstandigheden van de opgeëiste persoon in de detentie-instelling van Troyes-Lavau te verstrekken. Het IRC heeft binnen de geboden redelijke termijn namelijk al twee keer vragen gesteld over de concrete detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon, waarbij is vermeld dat de overlevering niet kan worden toegestaan op basis van de eerder verstrekte detentiegarantie. De Franse autoriteiten hebben vervolgens volstaan met de informatie zoals verstrekt op 4 mei 2026.
Hieruit volgt dat, ondanks een wijziging in de omstandigheden, nog steeds sprake is van een reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon. De rechtbank zal daarom geen gevolg geven aan het EAB, gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW, en zal op grond van artikel 11, vierde lid, in verbinding met artikel 28, derde lid, OLW de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee is de overleveringsprocedure beëindigd

5.Slotsom

De rechtbank zal met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB.

6.Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 11 OLW Pro.

7.Beslissing

GEEFTgeen gevolg aan het EAB.
VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OPde - geschorste - overleveringsdetentie.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
6.Rb Amsterdam 16 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3834.