Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3834

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
13-060860-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OLWArt. 6, eerste lid, OLWArt. 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLWArt. 12 OLWArt. 22, eerste, derde en vierde lid, OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Amsterdam verklaart officier van justitie niet-ontvankelijk in vordering tot in behandeling nemen Europees aanhoudingsbevel wegens reëel gevaar onmenselijke detentie in Letland

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Letland voor de overlevering van een persoon met de Nederlandse nationaliteit. Na een tussenuitspraak waarin het onderzoek werd geschorst wegens een reëel gevaar op onmenselijke of vernederende behandeling in Letlandse detentie, werd een redelijke termijn gesteld om gewijzigde omstandigheden af te wachten.

De rechtbank ontving aanvullende informatie van Letse autoriteiten over detentieomstandigheden en maatregelen tegen het informele kastenstelsel in Letlandse gevangenissen. Deze informatie was echter algemeen van aard en bood onvoldoende concrete garanties voor de bescherming van de opgeëiste persoon in de specifieke detentie-instelling waar hij waarschijnlijk geplaatst zou worden.

De raadsman van de opgeëiste persoon betoogde dat de aanvullende informatie buiten beschouwing moest blijven omdat deze na de redelijke termijn was ontvangen en onvoldoende concreet was. De officier van justitie stelde dat de informatie wel mocht worden meegewogen.

De rechtbank oordeelde dat de aanvullende informatie wel in de beoordeling kon worden betrokken, maar dat deze geen aanleiding gaf tot het oordeel dat het reële gevaar was weggenomen. Daarom gaf de rechtbank geen gevolg aan het EAB en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot in behandeling nemen van het EAB, waarmee de overleveringsprocedure werd beëindigd.

Uitkomst: De rechtbank weigert het Europees aanhoudingsbevel en verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk wegens reëel gevaar op onmenselijke detentie in Letland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-060860-24
Datum uitspraak: 16 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 17 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 maart 2023 door
the Prosecutor General’s Office of the Republic of Latvia, Letland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[De opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 5 februari 2026
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 5 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. W.R. Jonk, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 19 februari 2026
Bij tussenuitspraak van 19 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst. De rechtbank heeft vastgesteld dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat dat hij in detentie in Letland onmenselijk of vernederend zal worden behandeld, nu met de aanvullende informatie het eerder vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen. Op grond van artikel 11, tweede lid, OLW is de beslissing over de overlevering aangehouden, omdat een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog kan worden uitgesloten. De rechtbank heeft een redelijke termijn van 30 dagen gesteld om af te wachten of een wijzing in de omstandigheden zal optreden. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat als binnen deze termijn zich geen gewijzigde omstandigheden voordoen, geen gevolg zal worden gegeven aan het EAB.
Vervolgens heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vierde lid, onder c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen verlengd. De (geschorste) overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon is op grond van artikel 27, derde lid, OLW met 60 dagen verlengd.
Zitting van 2 april 2026
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB - met instemming van partijen - in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 2 april 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. W.R. Jonk.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak van 19 februari 2026 [3]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de ontvankelijkheid van de officier van justitie (onder 4), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro (onder 5), de strafbaarheid van de feiten (onder 6), de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 7) en de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW (onder 8). De overwegingen van de rechtbank moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro: Letse detentieomstandigheden

Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 9 van de tussenuitspraak van 19 februari 2026. De overwegingen uit de tussenuitspraak dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 6 maart 2026 op de hoogte gesteld van de tussenuitspraak en aanvullende vragen gesteld.
Bij brief van 11 maart 2026 heeft de
Chief Colonelvan
the Department of Imprisonment Institutionsde volgende informatie verstrekt:

With regard to your 1st question: "Could you inform us where Mr [De opgeëiste persoon] will most likely be detained?", the Department would like to note that information on this matter has been provided previously – in our response No. N-1-2026-001919 of 28 January 2026 "On the provision of information".
With regard to your 2nd question: "Could you inform us of specific measures that will be taken for Mr [De opgeëiste persoon] , in the detention centre where he will most likely be placed, to reduce the risk of a violation of his fundamental rights, in light of the informal hierarchy/caste-system in Latvian prisons?", the Department, in addition to the previously provided response, emphasizes that there is no division of prisoners into castes in Latvian prisons, the prison administrations (including the administration of Riga Central Prison (Rigas Centrālcietums) treat all the prisoners equally, respecting the principle of equality and avoiding any form of discrimination on the part of administration or other prisoners. In the prisons of the Department, the rights of prisoners are guaranteed in accordance with applicable laws. Within prisons, among prisoners, there exists a so-called informal prison hierarchy, in which prisoners divide themselves into categories. Thus, the division of prisoners into castes is not related to the actual conduct of the administration of imprisonment institutions and the Department. Prison officials perform their duties in accordance with regulatory enactments, observing all the norms of the Code of Ethics of the Department of Imprisonment Institutions.
With regard to your 3rd question: "Could you inform us of any specific changes that have taken place, or specific measures that will be imposed, in light of the informal hierarchy/caste system, that have an influence on the detention of Mr [De opgeëiste persoon] ?", it should be noted that an action plan to reduce the informal prison hierarchy and to implement the Committee's recommendations has been approved in the Department. It includes, inter alia, the following measures:
1.
Upgrade of the training programs to the Department's staff by training content based on the findings set out in the Judgment of the European Court of Human Rights.
2.
Improvement of staff working conditions:
a) new security facilities, equipped with modern security technologies and equipment to ensure comfortable working conditions, have been built in the renovated building of Valmiera Prison;
b) fitting out staff work and rest areas at the new Liepaja Prison in accordance with modern standards, using modern security, surveillance and safety technologies for the prisoners.
3.
Launch of a pilot project to introduce a model of a contact persons system in one of the prisons, namely, the pilot project trial run was done in Riga Central Prison.
4.
Opening of the new Liepaja Prison.
5.
Adoption of new internal prison regulations by the Cabinet, including by restricting the possibilities for illegal means of communication to reach a prison.
6.
Initiation of the process to amend Section 309 of the Criminal Law, providing criminal liability for bringing unauthorised means of communication into prisons.”
Op 26 maart 2026 heeft het IRC nadere aanvullende vragen gesteld aan de Letse autoriteiten.
Bij brief van 30 maart 2026 heeft de
Chief Colonelvan
the Department of Imprisonment Institutionsonder andere de volgende informatie verstrekt:

The Department informs that the concerned person in case of extradition initially will be placed in Rīga Central Prison Investigation Prison Unit.
(…)
The arrested persons shall be placed into the cells depending on the considerations of the internal security, as well as depending on the personal qualities and psychological compatibility. (…) [T]hearrested persons who have not served the sentence in prisons before arrest shall be placed separately from other arrested and convicted persons.
In all prisons there are set up the prisoners’ deployment commissions responsible for deploying of prisoners according to the medical, safety and crime prevention criteria.
(…)
The Department informs that in case of jeopardy a person shall beimmediatelyrelocated to another cell, but if jeopardy is very high, then a person may be also relocated to another prison. (…)
Uninterrupted (24 hours) surveillance system in prisons ensures active and preventative protection to prisoners, including in case of exposing to violent or inhuman treatment risk due to the informal hierarchy.
The uninterrupted surveillance system includes the following: video-surveillance and regular staff checks. It shall be noted that video-surveillance cameras are allowing to identify quickly any aggressive or suspicious situations. (…)
The video-surveillance is combined with the rapid response of officials, ensuring timely intervention in case of violence or endangerment.
In addition, it shall be noted that the officials of prisons are conducting planned and unplanned checks in the cells (including in wards, living premises, shared-premises etc.)., therefore systematically supervising the conduct of prisoners, existence of bodily injuries and general atmosphere in cells. The continuous 24-hours supervision helps the staff efficiently identify any possible conflicts, pressure or emotional sufferings. The staff who are patrolling on a regular basis ensure that the prisoners are not left without supervision for a longer period of time, thus reducing the possibility of violence.
(…) Namely, while enforcing any type of the criminal punishment, as well as the security measure – arrest, in prisons of the Republic of Latviaare ensured the required guarantees against inhuman or degrading treatment towards prisoners.
(…)
In prisons of the Republic of Latvia a broad and different communication system is ensured that enables the prisoners to directly refer to the officials at any time. Every official who is performing the job duties at that time shall be responsible for prompt respond to the complaint form the prisoner or to the request for assistance in order to provided their safety and to prevent any possible risks to their life and health. (…) The job duties of officials are divided in such a way so that to ensure constant supervision of all prisoners according tot the laid down regime and requirement of the internal rules. The job duties of officials include, for example, mandatory isolation and control of prisoners; response in situations where expedient assistance or protection is required; prevention of unauthorized contacts among prisoners or among prisoners and third parties.
In relation with the specific protection in case of serious endangerment the Department shall inform that that in prisons is ensured the concrete and targeted protection of prisoners in case of existing the serious threats. For example, relocation to another cell or ward for prevention direct contact with the sources of potential endangerment. Relocation to another block, if reinforced protection is required. Relocation to another prison, if other measures are ineffective or inappropriate.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de aanvullende informatie van 30 maart 2026 buiten beschouwing te laten. De aanvullende informatie is door het IRC op 26 maart 2026 opgevraagd, terwijl de door de rechtbank in de tussenuitspraak gestelde redelijke termijn op 20 maart 2026 is verstreken.
Voorts heeft de raadsman zich - onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank [4] - op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De aanvullende informatie is te algemeen van aard en herhaalt gedeeltelijk wat al in eerder verstrekte informatie naar voren is gebracht. De Letse autoriteiten maken op geen enkele wijze concreet hoe het gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht het onderzoek ter zitting aan te houden wegens de medische omstandigheid van de opgeëiste persoon. Uit de verstrekte aanvullende informatie blijkt niet dat de bijzondere medische behandeling van de opgeëiste persoon ook in detentie in Letland kan worden gegeven.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aanvullende informatie die na de redelijke termijn wordt ontvangen, maar vóór de behandeling van de zaak ter zitting, door de rechtbank in behandeling kan worden genomen.
Voor het overige heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt allereerst dat de aanvullende informatie van 30 maart 2026, die is ontvangen na het verstrijken van de in de tussenuitspraak van 19 februari 2026 gestelde redelijke termijn van 30 dagen, in de beoordeling van de gewijzigde omstandigheden kan worden meegenomen. Uit de OLW, het Kaderbesluit of de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) volgt namelijk niet dat bij de aanhoudingsbeslissing als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW een specifieke redelijke termijn moet worden gegeven. De rechtbank stelt doorgaans wel een termijn voor een bepaalde tijd waarin naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kan worden verwacht dat zich wijzigingen kunnen voordoen, mede zodat de verdere behandeling van de zaak op een efficiënte en duidelijke manier kan worden gepland op zitting, maar dit is geen fatale termijn voor het ontvangen van nadere informatie. De toets of binnen de redelijke termijn een wijziging in de omstandigheden is opgetreden vindt uiterlijk plaats op de zitting. Het moment voor het ontvangen van informatie kan worden begrensd door de goede procesorde, maar die is hier niet aan de orde. Hieruit volgt ook dat nadere informatie die is ontvangen naar aanleiding van vragen die de officier van justitie na de door de rechtbank gestelde termijn van 30 dagen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft gesteld, kan worden meegenomen in de afweging of sprake is van gewijzigde omstandigheden.
De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of zich binnen een redelijke termijn een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven weergegeven door de Letse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie van 11 maart 2026 en 30 maart 2026 daartoe onvoldoende aanknopingspunten biedt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak geoordeeld dat de Letse autoriteiten met de verstrekte aanvullende informatie onvoldoende antwoord hebben gegeven op de cruciale vraag naar de concrete bescherming van de opgeëiste persoon tegen geweld en andere negatieve gevolgen van het kastenstelsel indien hij in Letland in detentie wordt geplaatst. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de verstrekte informatie van algemene aard is, niet of nauwelijks op de concrete situatie van de opgeëiste persoon ziet en niet specifiek op de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst ziet.
De rechtbank is van oordeel dat zij - in lijn met de rechtspraak van het HvJ EU in de zaak
ML [5] - in haar beoordeling van de Letse detentieomstandigheden alleen de
Rīga Central Prison Investigation Prison Unitmoet onderzoeken. De aanvullende informatie van 11 maart 2026 en 30 maart 2026 geeft geen aanleiding om te oordelen dat de opgeëiste persoon al binnen een heel korte termijn na zijn aankomst in Letland naar een andere detentie-instelling dan de detentie-instelling in Riga zal worden overgeplaatst. De rechtbank is echter van oordeel dat de aanvullende informatie van 11 maart 2026 en 30 maart 2026 geen antwoord geeft op de cruciale vraag naar de concrete bescherming van de opgeëiste persoon tegen geweld en andere negatieve gevolgen van het kastenstelsel indien hij in Letland in detentie wordt geplaatst. De detentiegarantie blijft van algemene aard en ziet niet of nauwelijks op de concrete situatie van de opgeëiste persoon. Er wordt onvoldoende informatie verschaft over eventuele proactieve maatregelen die binnen de detentie-instelling van Riga worden genomen om de gevaren zoals genoemd in het CPT-rapport [6] , waaronder de in punten 45 tot 60 van dat rapport omschreven vernederende aspecten van het kastenstelsel [7] , tegen te gaan. Voor zover is verwezen naar de zes maatregelen in het
“action plan”, blijkt niet in hoeverre de implementatie van deze maatregelen inmiddels een concreet effect hebben gehad op de negatieve aspecten van het kastenstelsel. De garantie dat in de
Rīga Central Prison Investigation Prison Unitregelmatig inspecties worden uitgevoerd, de opgeëiste persoon 24 uur per dag wordt gemonitord en zal worden overgeplaatst bij een bedreiging, was al uitgebreid beschreven in de eerder verstrekte informatie over de detentieomstandigheden, en kan daarom niet gelden als een gewijzigde omstandigheid als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aanvullende informatie van 11 maart 2026 en 30 maart 2026 niet heeft geleid tot een wijziging in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW, terwijl de redelijke termijn in de zin van artikel 11, vierde lid, OLW inmiddels is verstreken. Het individuele gevaar is voor de opgeëiste persoon niet weggenomen.
De rechtbank zal geen gevolg geven aan het EAB gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW en zal op grond van artikel 11, vierde lid, in verbinding met artikel 28, derde lid, OLW de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee is de overleveringsprocedure beëindigd.

5.Slotsom

De rechtbank zal met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB.

6.Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 11 OLW Pro.

7.Beslissing

GEEFTgeen gevolg aan het EAB.
VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OPde geschorste overleveringsdetentie.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. L. Sanders en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Rb. Amsterdam 19 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1803.
4.De raadsman heeft verwezen naar Rb. Amsterdam 18 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2800.
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak
6.Report to the Latvian Government on the visit to Latvia carried out by the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) from 22 to 31 May 2024, 26 February 2025.