Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4876

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
13/033144-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 HandvestArt. 6, eerste lid, OLWArt. 11 OLWArt. 22, vierde lid, sub c, OLWArt. 27, derde lid, OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid officier van justitie in EAB-procedure wegens individueel gevaar detentieomstandigheden Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 6 mei 2026 de vordering van de officier van justitie tot in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen voor een opgeëiste persoon zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Eerder had de rechtbank in een tussenuitspraak vastgesteld dat er een individueel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon onmenselijk of vernederend wordt behandeld in de Poolse detentie.

De rechtbank heeft aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten over de detentieomstandigheden beoordeeld, waaronder garanties over minimale tijd buiten de cel en voorzieningen in de gevangenis. Deze informatie was echter onvoldoende om het individuele gevaar weg te nemen, omdat onduidelijk bleef hoe vaak en hoe lang de opgeëiste persoon aan activiteiten buiten de cel kan deelnemen.

De raadsman van de opgeëiste persoon stelde dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De rechtbank volgde dit standpunt en oordeelde dat geen wijziging van omstandigheden was opgetreden binnen de gestelde redelijke termijn. Daarom werd de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard en de overleveringsdetentie opgeheven.

De uitspraak is definitief en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open. Hiermee is de overleveringsprocedure beëindigd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk en heft de overleveringsdetentie op wegens individueel gevaar op schending van grondrechten in Poolse detentie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-033144-26 (EAB II)
Datum uitspraak: 6 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 4 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 november 2025 door
the Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De zitting van 26 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 26 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
Op deze zitting is gelijktijdig een EAB van eerdere datum met parketnummer 13-259988-25 (EAB I) ten aanzien van de opgeëiste persoon behandeld. De rechtbank heeft de behandeling van beide zaken aangehouden in afwachting van een terugkeergarantie in zowel EAB I als EAB II en een detentiegarantie in EAB II.
Tevens heeft de rechtbank ter zitting de gevangenneming in EAB II bevolen.
De zitting van 19 maart 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op deze zitting, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal.
Tussenuitspraak van 2 april 2026 [2]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank onder meer vastgesteld dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) bestaat vanwege de detentieomstandigheden in de
Remand Prison in Warsaw-Służewiec. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend en geschorst en op basis van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen met 30 verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW met 30 dagen.
De zitting van 6 mei 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op deze zitting, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om bij de behandeling op zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 2 april 2026

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de strafbaarheid van het feit (onder 4), de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 5) en artikel 11 OLW Pro voor zover het artikel 47 Handvest Pro betreft (onder 6.1). Deze overwegingen van de rechtbank moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Poolse detentieomstandigheden

Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6.2 van de tussenuitspraak van 2 april 2026, die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
De rechtbank heeft naar aanleiding van de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie over de detentieomstandigheden in de
Prison Servicevan de
Remand Prison in Warsaw-Sluźewiecgeoordeeld dat die informatie onvoldoende is om het algemene gevaar op schending van de grondrechten van gedetineerden in het
remandregime in Polen weg te nemen. Op grond hiervan heeft de rechtbank vastgesteld dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan. De rechtbank heeft daarom de beslissing over de overlevering aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW en een redelijke termijn van 30 dagen gesteld om af te wachten of een wijziging in de omstandigheden zal optreden. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat als binnen deze termijn zich geen gewijzigde omstandigheden voordoen, geen gevolg zal worden gegeven aan het EAB.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op
8 april 2026 aan de Poolse autoriteiten gevraagd om aanvullende informatie te verstrekken over de tijd die de opgeëiste persoon minimaal buiten zijn cel zou kunnen verblijven wanneer de overlevering wordt toegestaan.
Bij brief van 22 april 2026 heeft de
Prosecutor of the Regional Prosecutor’s Office in Warsawde volgende informatie verstrekt:

In response to your questions of April 8, 2026 regarding the European Arrest Warrant for [de opgeëiste persoon] , issued on November 5, 2025, in case VIII Kop 263/25, I hereby inform you that as I indicated in my letter of February 27 that, the conditions of detention for [de opgeëiste persoon] at the Warsaw Służewiec Remand Center will be the same as those specified in the response regarding the European Arrest Warrant in case VIII Kop 37/24. I am sending you attached a letter from case VIII Kop 37/24 regarding these issues(…)”
Bij deze informatie is als bijlage een brief van 23 januari 2026 gevoegd waarin de
Prosecutor of the Regional Prosecutor’s Office in Warsaw, voor zover relevant, de volgende informatie heeft verstrekt ten aanzien van de opgeëiste persoon:
“(…) [de opgeëiste persoon] , the suspect, as a person provisionally detained for the purpose of the preparatory proceedings case file no. 1001-10 5.Ds.34.2024, supervised by the Mazovian Division of the Department for Organised Crime and Corruption, will be remanded in custody in accordance with the regionalisation at the Warsaw- Służewiec Remand Centre in Warsaw. When placing persons in provisional detention, the administration of the remand centre takes into account the instructions of the authority to which they are assigned, with a view to ensuring the proper conduct of criminal proceedings and security in the detention centre.
Pursuant to Article 110(1) of the Executive Penal Code, convicts shall be placed in shared or single cells.
The living space per convict in a cell shall be no less than 3 m2. The cell shall be equipped with appropriate accommodation facilities providing the convict with a separate place to sleep. The cell shall provide adequate hygiene conditions, sufficient air supply and temperature appropriate to the season, as well as lighting in accordance with the standards specified for living quarters (Article 110(2) of the Executive Penal Code).
Pursuant to Article 112 of the Executive Penal Code inmates shall have the right to rest necessary for their health, in particular to at least one hour of walking and 8 hours of sleep per day.
How inmates spend their free time depends on the individual. During their free time, they can enjoy cultural, educational and sports facilities and activities, radio, television, books and newspapers, as stipulated in Article 135 of the Executive Penal Code. However, it should be noted that the scope of this right depends on the type of remand centre in which the inmate is held, and that the above rights must not violate the discipline and order in force in the remand centre. (…)”
Standpunten van de raadsman en de officier van justitie
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW.
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zich binnen de in de tussenuitspraak gestelde redelijke termijn een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het individuele reële gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten.
De rechtbank is van oordeel dat de hierboven weergegeven door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie daartoe onvoldoende aanknopingspunten biedt. De rechtbank kan op basis van de aanvullende informatie die na de tussenuitspraak is verstrekt namelijk nog altijd niet vaststellen hoeveel uur per dag de opgeëiste persoon mimimaal buiten de cel zal kunnen verblijven in de
Remand Prison in Warsaw-Służewiec.In die informatie is voor de opgeëiste persoon alleen gegarandeerd dat hij één uur per dag kan wandelen. Niet duidelijk is geworden hoe vaak de opgeëiste persoon kan deelnemen aan overige activiteiten en hoe lang deze activiteiten duren.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat voornoemde aanvullende informatie niet heeft geleid tot een wijziging in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW, terwijl de redelijke termijn in de zin van artikel 11, vierde lid, OLW inmiddels is verstreken. Het individuele gevaar is voor de opgeëiste persoon nog steeds niet weggenomen.

5.Slotsom

De rechtbank zal geen gevolg geven aan het EAB, gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW, en zal op grond van artikel 11, vierde lid, in verbinding met artikel 28, derde lid, OLW de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee is de overleveringsprocedure beëindigd.

6.Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 11 OLW Pro.

7.Beslissing

GEEFTgeen gevolg aan het EAB.
VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OPde overleveringsdetentie.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.