Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5116

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
13-089535-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6a OLWArt. 12 OLWArt. 22 OLWArt. 27 OLWArt. 29 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over gelijkstelling en aanhouding op grond van Europees aanhoudingsbevel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 26 mei 2026 een tussenuitspraak in een zaak over de aanhouding en overlevering van een opgeëiste persoon op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door een Poolse rechtbank. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van zes maanden wegens oplichting. De rechtbank stelde vast dat de opgeëiste persoon correct was opgeroepen voor de zitting in Polen en dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is.

De opgeëiste persoon voerde een gelijkstellingsverweer met een Nederlander aan, onderbouwd met bewijsstukken over haar verblijf en arbeid in Nederland van 2021 tot 2026. De rechtbank beoordeelde dat de bewijsstukken grotendeels tijdig en geordend waren ingediend en concludeerde dat de eerste voorwaarde voor gelijkstelling, namelijk vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland, was voldaan. Dit werd onder meer gebaseerd op inschrijving in de BRP, arbeidsovereenkomsten, salarisstroken en een UWV-bericht waaruit blijkt dat zij voldoende uren en inkomen had.

De tweede voorwaarde, een advies van de IND over het behoud van het verblijfsrecht ondanks de opgelegde straf, kon nog niet worden beoordeeld omdat dit advies nog niet was opgevraagd. De rechtbank besloot het onderzoek te heropenen en te schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen dit advies en aanvullende documenten uit Polen op te vragen. Tevens verlengde de rechtbank de beslistermijn met 60 dagen tot 21 augustus 2026 en verlengde de geschorste overleveringsdetentie. De zaak wordt uiterlijk 7 augustus 2026 opnieuw op zitting gebracht.

Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan voor het opvragen van een IND-advies en aanvullende documenten en verlengt de beslistermijn en overleveringsdetentie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-089535-26
Datum uitspraak: 26 mei 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 27 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 juli 2025 door
the Ostrolęka Regional Court, Second Criminal Division, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 mei 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. R.H. Lagerweij, advocaat te Hoofddorp, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist
zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court in Wyszkówvan 12 april 2019 met kenmerk II K 76/19.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, opgelegd bij voornoemd vonnis en door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat uit het EAB niet blijkt hoe en waar de opgeëiste persoon is opgeroepen voor de zitting. De opgeëiste persoon geeft aan geen oproep te hebben ontvangen. Daarnaast moet een betekening in Polen minimaal zeven dagen van tevoren plaatsvinden. Aangezien niet duidelijk is of de genoemde datum van de uitspraak ook de zittingsdatum is, kan niet worden beoordeeld of de oproep tijdig heeft plaatsgevonden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub a, OLW zich voordoet, omdat de opgeëiste persoon op 3 april 2019 in persoon is gedagvaard. Gelet op het vertrouwensbeginsel moet van de juistheid van deze informatie worden uitgegaan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid. Onderdeel d) van het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon op 3 april 2019 in persoon is opgeroepen, waarbij zij is geïnformeerd over de datum, het tijdstip en de plaats van de zitting en erop is gewezen dat een beslissing kan worden genomen indien zij niet verschijnt. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van deze informatie te twijfelen en ziet in het tijdsverloop tussen de genoemde oproep en de datum van de uitspraak ook geen reden om nadere vragen te stellen. De situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW doet zich dus voor, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is.

5.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

6.1.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en heeft hiertoe stukken overgelegd over de periode 2021 tot en met 2026. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om een IND-advies op te vragen gelet op de tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijk kan worden gesteld met een Nederlander. Primair heeft de officier van justitie daartoe aangevoerd dat een grote hoeveelheid stukken van het gelijkstellingsverweer te laat is aangeleverd. Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit de stukken niet blijkt dat de opgeëiste persoon de afgelopen vijf jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Voor een groot gedeelte van de jaren 2021, 2022 en 2023 zijn geen gegevens overgelegd waaruit blijkt waar de opgeëiste persoon heeft gewoond.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Voordat de rechtbank de concrete situatie van de opgeëiste persoon beoordeelt, legt de rechtbank uit hoe gelijkstellingsverweren van personen uit andere landen van de Europese Unie (EU) in de regel worden beoordeeld en waar de rechtbank rekening mee houdt. Het beoordelingskader voor gelijkstellingsverweren van opgeëiste personen van buiten de EU blijft in deze uitspraak buiten beschouwing.
5.3.1.
Beoordelingskader
Overlevering van een Nederlander ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een bij onherroepelijk vonnis aan hem opgelegde vrijheidsstraf kan worden geweigerd, als de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. [4] Dat geldt ook voor overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling. [5] Het is aan de opgeëiste persoon om te onderbouwen dat hij met een Nederlander kan worden gelijkgesteld. Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de bewijsstukken, moet worden nagegaan of de stukken tijdig zijn aangeleverd.
Zijn de bewijsstukken tijdig en geordend aangeleverd?
De bewijstukken moeten tijdig voorafgaand aan de zitting worden overgelegd. [6] De rechtbank en de officier van justitie hebben op die manier tijd om de stukken te bestuderen, en het geeft de officier van justitie bovendien de gelegenheid om vragen te stellen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet het recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel. [7] Tijdige aanlevering van gelijkstellingstukken is des te belangrijker geworden, omdat sinds een arrest van het Hof van Justitie van de EU (Hof van Justitie) toestemming van de uitvaardigende lidstaat moet worden verkregen voor overname van de tenuitvoerlegging van de straf door Nederland. [8]
De rechtbank is van oordeel dat stukken die tien dagen voor de zitting
zijn ingediend in ieder gevaltijdig zijn. [9] Indiening van de stukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer na de tiende dag voorafgaande aan de zitting kán ertoe leiden dat de rechtbank deze stukken buiten beschouwing laat.
De stukken moeten verder voorzien zijn van een duidelijke leeswijzer en conclusies ten aanzien van het verblijf van de opgeëiste persoon en de rechtmatigheid daarvan per jaar. Het is immers aan de opgeëiste persoon om te onderbouwen dat hij met een Nederlander gelijkgesteld kan worden. Het ongeordend en zonder leeswijzer en conclusies opsturen van willekeurige stukken kan er ook toe leiden dat de stukken buiten beschouwing worden gelaten. Het is niet aan de rechtbank om zelf het verweer te destilleren en te formuleren uit de stukken. In een enkel uitzonderlijk geval is de advocaat van de opgeëiste persoon in de gelegenheid gesteld om alsnog een geordend en gemotiveerd verweer in te dienen, maar de rechtbank hanteert dus als uitgangspunt dat het gelijkstellingsverweer in zijn geheel tijdig, geordend en gemotiveerd wordt ingediend. [10]
Kortom, een geordend en gemotiveerd gelijkstellingsverweer dat tien dagen voor de zitting is ingediend, is in ieder geval tijdig ingediend. Een gelijkstellingsverweer dat binnen tien dagen voor de zitting is ingediend, kán tijdig zijn afhankelijk van de omvang, overzichtelijkheid en onderbouwing. Een gelijkstellingsverweer dat weliswaar tien dagen voor de zitting is ingediend, maar ongeordend en zonder leeswijzer, onderbouwing of toelichting is ingediend, kán door de rechtbank buiten beschouwing worden gelaten.
Voldoet de opgeëiste persoon aan de voorwaarden voor gelijkstelling?
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet zijn voldaan aan twee voorwaarden, te weten: [11]
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
De opgeëiste persoon moet aan deze voorwaarden voldoen op het moment dat de rechtbank (eind)uitspraak doet. Dat is de uiterste peildatum.
Eerste voorwaarde
Wat betreft de eerstgenoemde voorwaarde geldt dat volgens vaste jurisprudentie het voldoen aan deze voorwaarde niet hoeft te worden aangetoond door overlegging van een verblijfsdocument duurzaam verblijfsrecht. Het gaat om het aantonen dat aan de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht wordt voldaan. [12] In dat geval is het volgende van belang.
Verblijf in Nederland gedurende vijf jaar
De opgeëiste persoon moet onderbouwen dat hij gedurende vijf jaar in Nederland heeft verbleven. Een aaneensluitende inschrijving in de Basisregistratie personen (BRP) gedurende die periode is een duidelijke aanwijzing hiervoor. Opgeëiste personen kunnen zich echter niet altijd inschrijven op het adres waar zij verblijven, bijvoorbeeld wanneer de huisvesting wordt geregeld door het uitzendbureau waarvoor zij werken. In dat geval moet de opgeëiste persoon zijn verblijf op een andere manier onderbouwen. De bewijsstukken die de opgeëiste persoon daarvoor gebruikt moeten voldoende concreet én objectief zijn.
De periode van vijf jaar is een harde eis. [13] Een opgeëiste persoon die aantoont dat hij 4 jaar en 11 maanden ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft kan dus niet gelijkgesteld worden. Binnen de aan te tonen ononderbroken periode van vijf jaar rechtmatig verblijf - waarover hieronder meer - zijn er bepaalde vormen van afwezigheid die de rechtmatigheid van het verblijf niet onderbreken, bijvoorbeeld een onderbreking: [14]
  • van ten hoogste zes maanden per jaar;
  • gedurende een eenmalige periode van ten hoogste twaalf achtereenvolgende maanden om een belangrijke reden, zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, of beroepsopleiding.
Als de opgeëiste persoon in Nederland echter in detentie heeft gezeten op grond van een veroordeling tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, gaat de termijn van vijf jaar na de detentie
opnieuwlopen. [15]
Rechtmatig verblijf
Het verblijf van de opgeëiste persoon van vijf jaar in Nederland moet bovendien ononderbroken rechtmatig zijn. Er kan ten aanzien van het verblijfsrecht voor meer dan drie maanden onderscheid worden gemaakt tussen drie hoofdgroepen Unieburgers. [16] Voor deze drie groepen gelden verschillende vereisten. Het gaat om:
  • Economisch niet-actieven;
  • Studenten;
  • Werknemers en zelfstandigen.
Een opgeëiste persoon kan gedurende de vijf jaren waarvan hij het ononderbroken rechtmatige verblijf moet aantonen in meerdere categorieën vallen. Het kan dus zijn dat hij voor verschillende perioden in die vijf jaar verschillende dingen moet aantonen. Economisch niet-actieven en studenten moeten voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering hebben. [17] De grootste groep opgeëiste personen die een beroep op gelijkstelling doen, stellen dat zij vallen onder de derde categorie ‘werknemers en zelfstandigen’. De rechtbank zal de criteria voor deze groep daarom uitgebreider uiteenzetten.
Werknemers en zelfstandigen moeten aantonen dat zij ‘reële en daadwerkelijke arbeid verrichten die niet louter marginaal en bijkomstig is’. [18] De rechtbank zoekt bij de invulling van dit criterium aansluiting bij het door de IND gehanteerde beleid. [19] Van reële en daadwerkelijke arbeid is volgens het beleid van de IND
in ieder gevalsprake als:
- de inkomsten uit arbeid meer bedragen dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm;
óf
- de burger van de Unie ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd werkt.
Ook als niet aan deze norm wordt voldaan, kan sprake zijn van rechtmatig verblijf. Dat hangt af van de omstandigheden van het geval. Voor zelfstandigen geldt dat zij moeten aantonen dat zij zelfstandige zijn én dat zij reële en daadwerkelijke arbeid verrichten. Als de opgeëiste persoon niet langer werknemer of zelfstandige is, betekent dat niet automatisch dat het rechtmatig verblijf eindigt. [20] Dit is bijvoorbeeld het geval als sprake is van tijdelijke arbeidsongeschiktheid door ziekte of een ongeval, of als de opgeëiste persoon na minstens een jaar te hebben gewerkt onvrijwillig werkloos is geworden en als werkzoekende is ingeschreven bij het UWV.
Voor zowel werknemers als zelfstandigen geldt dat de inkomsten en de gewerkte tijd onderbouwd moeten worden met objectieve en concrete gegevens. In het geval
van arbeid in loondienst kan dit
bijvoorbeeldgaan om belastingaanslagen, verklaringen
geregistreerd inkomen van de Belastingdienst, jaaropgaven of UWV-verzekeringsberichten. In het geval van arbeid als zelfstandige kan het
bijvoorbeeldgaan om verklaringen inkomen ondernemer, KVK-uittreksels, belastingaanslagen, jaarrekeningen of maandelijkse opgaven van bedrijfsresultaten. Belastingaangiftes zijn volgens vaste jurisprudentie van de rechtbank géén objectieve gegevens, omdat die door of namens de opgeëiste persoon zijn ingevuld, nog kunnen worden gewijzigd en nog niet door de Belastingdienst zijn vastgesteld.
Het komt voor dat een opgeëiste persoon niet door middel van objectieve gegevens kan onderbouwen dat hij gedurende vijf jaar feitelijk in Nederland heeft verbleven. Als echter uit de overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon in Nederland zodanig veel uren heeft gewerkt dat het niet anders kan dan dat hij hier heeft verbleven, kan alsnog door de rechtbank worden geoordeeld dat is voldaan aan de gestelde voorwaarde van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland.
De rechtbank kan daarnaast oordelen dat de opgeëiste persoon voldoet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling als de opgeëiste persoon zelf weliswaar niet aan de inkomensnorm voldoet, maar zijn of haar partner/familielid wel voldoende inkomsten heeft. Om in aanmerking te komen voor deze zogenoemde afgeleide gelijkstelling is vereist dat de opgeëiste persoon onderbouwt dat hij of zij in de in aanmerking te nemen periode een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. Dit kan bijvoorbeeld door het overleggen van huurovereenkomsten, een samenlevingsovereenkomst, en informatie over een gezamenlijke bankrekening en gedeelde (woon)lasten. Ook moeten de inkomensgegevens van de partner worden verstrekt.
Tweede voorwaarde
Als de rechtbank van oordeel is dat de opgeëiste persoon heeft aangetoond dat hij gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven, moet de rechtbank beoordelen of ook aan de tweede voorwaarde is voldaan. De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een IND-advies over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Als uit het IND-advies blijkt dat de verwachting is dat de opgeëiste persoon niet het verblijfsrecht verliest door de opgelegde straf of maatregel, is voldaan aan de voorwaarden en kan de opgeëiste persoon worden gelijkgesteld met een Nederlander.
6.3.2.
Beoordeling van de situatie van de opgeëiste persoon
De rechtbank zal hierna de concrete situatie van de opgeëiste persoon in onderhavige zaak beoordelen in overeenstemming met het beoordelingskader zoals dat hiervoor is uitgelegd.
Zijn de bewijsstukken tijdig en geordend aangeleverd?
De opgeëiste persoon heeft elf dagen voor de zitting de eerste bewijsstukken voor het gelijkstellingsverweer ingediend. Daarna zijn op verschillende momenten nog aanvullende stukken overgelegd. Het overgrote deel van de stukken is voorzien van een toelichting en een conclusie. De rechtbank is van oordeel dat de stukken die meer dan tien dagen voor de zitting zijn ingediend en zijn voorzien van een toelichting en conclusie in ieder geval tijdig zijn ingediend en betrekt deze stukken dus bij haar beoordeling van de vraag of de opgeëiste persoon met een Nederlander kan worden gelijkgesteld. Ook zal de rechtbank de binnen de termijn van tien dagen aangeleverde stukken meewegen in haar beoordeling, omdat deze stukken een aanvulling op de eerder ingediende stukken zijn en bovendien voorzien zijn van een toelichting en een conclusie. De ter zitting overgelegde stukken (gehecht aan de pleitnota) zijn naar het oordeel van de rechtbank te laat ingediend. Weliswaar heeft de raadsvrouw gesteld dat het om een aanvulling op de eerdere stukken gaat, maar de stukken zijn te omvangrijk en bovendien niet voorzien van een toelichting, gearceerde passages of een andere leeswijzer om in een dergelijk kort tijdsbestek te kunnen bestuderen. De rechtbank laat deze stukken daarom buiten beschouwing.
Voldoet de opgeëiste persoon aan de voorwaarden voor gelijkstelling?
Eerste voorwaarde – vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland
De opgeëiste persoon staat sinds 27 oktober 2025 ingeschreven in de BRP op een Nederlands adres. Voor die datum heeft zij geen inschrijfadres gehad. De opgeëiste persoon heeft over de periode 2021 tot en met 2025 onder andere Verklaringen geregistreerd Inkomen, huur- en gebruiksovereenkomsten, jaaropgaves, salarisstroken met daarop inhoudingen voor huisvesting, informatie over haar zorgverzekering, uitzendovereenkomsten en een UWV verzekeringsbericht overgelegd. Hoewel uit deze gegevens blijkt dat de opgeëiste persoon in ieder geval grote delen van de jaren 2021 tot en met 2025 in Nederland een woonadres heeft gehad, geldt dit niet voor de gehele periode.
Uit de overgelegde informatie blijkt echter wel duidelijk dat zij in die periode heeft gewerkt in Nederland. Uit het UWV verzekeringsbericht volgt dat de opgeëiste persoon minstens 1143 uur per jaar in Nederland heeft gewerkt. Dit komt neer op ruim 28 weken voltijd werk. De rechtbank is van oordeel dat uit deze hoeveelheid gewerkte uren in combinatie met de overgelegde arbeidsovereenkomsten en salarisstroken met daarop Nederlandse adressen volgt dat het niet anders kan dan dat de opgeëiste persoon gedurende de jaren 2021 tot en met 2025 ononderbroken in Nederland heeft verbleven. Zelfs als zij de gewerkte uren daadwerkelijk in 28 weken heeft gewerkt en in de overige weken in het buitenland zou zijn geweest, onderbreekt dit de rechtmatigheid van haar verblijf niet. Het gaat dan immers steeds om periodes van korter dan zes maanden. Overigens blijkt ook uit het UWV verzekeringsbericht dat zij in ieder geval vanaf 2022 de gewerkte uren verspreid over het gehele jaar heeft gemaakt.
Daarnaast blijkt uit het UWV verzekeringsbericht én uit de overgelegde Verklaringen geregistreerd inkomen dat de opgeëiste persoon in de jaren 2021 tot en met 2025 ruimschoots 50% van de toepasselijke bijstandsnorm heeft verdiend. Hiermee heeft de opgeëiste persoon voldoende aangetoond dat over de afgelopen vijf jaar sprake is geweest van reële en daadwerkelijke arbeid in Nederland, zodat zij gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.
Aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is dus voldaan.
Tweede voorwaarde – advies van de IND over een mogelijk verlies van verblijfsrecht
Zoals hiervoor overwogen beoordeelt de rechtbank of de opgeëiste persoon mogelijk haar verblijfsrecht verliest op basis van een advies van de IND. In deze zaak heeft het Openbaar Ministerie nog geen advies bij de IND opgevraagd, omdat het van mening was dat het gelijkstellingsverweer niet kon slagen. Aangezien de rechtbank nog niet beschikt over het advies kan zij de tweede voorwaarde (nog) niet beoordelen. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen deze informatie bij de IND op te vragen.
Daarnaast verzoekt de rechtbank de officier van justitie om uit hoofde van efficiëntie alvast bij de daartoe bevoegde autoriteit in Polen een certificaat en het veroordelende vonnis op te vragen
.De rechtbank verwacht namelijk, gelet op de IND-adviezen in andere zaken en het strafbare feit waarvoor de opgeëiste persoon is veroordeeld, dat de opgeëiste persoon haar verblijfsrecht niet zal verliezen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan naar het oordeel van de rechtbank ook niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Het feit is naar Nederlands recht strafbaar en levert op:
Oplichting
Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt. De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van haar belangen in Nederland gevestigd. [21] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan haar maatschappelijke re-integratie.
Gelet op het voorgaande is de overname van de straf dus afhankelijk van het advies van de IND en de toestemming van de uitvaardigende justitiële autoriteit voor overname van de straf door Nederland. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing hierover daarom aan.
6.3.3.
Verlenging van de beslistermijn
Omdat de officier van justitie is verzocht om (alvast) het certificaat en het veroordelende vonnis in Polen op te vragen gelet op de verwachting van de rechtbank dat het IND-advies niet negatief voor de opgeëiste persoon zal uitpakken, overweegt de rechtbank in verband met de tijd die daarmee gemoeid zal zijn het volgende over de beslistermijn en de termijn waarop de zaak opnieuw ter zitting gepland moet worden. Zoals bepaald in artikel 22, vierde lid, OLW kan de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen verlengen. Aangezien de rechtspraktijk nog niet voldoende is ingesteld op de gevolgen van het arrest
C.J. [22] en de OLW naar aanleiding van dat arrest (nog) niet is aangepast, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW, zodat de rechtbank de beslistermijn met 60 dagen zal verlengen. De termijn verloopt dan op 21 augustus 2026. De rechtbank zal gelijktijdig de (geschorste) overleveringsdetentie verlengen op grond van artikel 27, derde lid, OLW. De zaak zal dan zo snel mogelijk, maar uiterlijk 14 dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn opnieuw op zitting moeten worden gepland.

6.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 6.3.2 genoemde informatie op te vragen.
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (eindigend op 21 augustus 2026), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALTdat de zaak uiterlijk 14 dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn, dus uiterlijk op 7 augustus 2026, opnieuw op zitting wordt aangebracht.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan haar raadsvrouw.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. M.J. Gauneau en E. Wisgerhof, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Zie artikel 6a, eerste lid, OLW.
5.Zie artikel 6a, negende lid, OLW.
6.Zie artikel 6a, negende lid, OLW (laatste zin).
7.Zoals bedoeld in artikel 6a, negende lid, OLW.
8.Zie Rechtbank Amsterdam 12 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8802 en
9.Vergelijk Rechtbank Amsterdam 3 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:8429.
10.Vergelijk Rechtbank Amsterdam 28 september 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:6461 en Rechtbank Amsterdam 11 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3941.
11.Zie artikel 6a, negende lid, OLW.
12.Als een opgeëiste persoon als duurzaam verblijvend EU-burger staat geregistreerd / in het bezit is van een verblijfsdocument duurzaam verblijfsrecht, is daarmee in beginsel voldaan aan het eerste vereiste, zie bijv. Rb. A’dam 17 oktober 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:6586.
13.Vergelijk Rechtbank Amsterdam 12 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8802.
14.Zie artikel 8.17, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) (artikel 16, derde lid, Richtlijn 2004/38).
15.Zie Rb. A’dam, 27 oktober 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6552 en m.b.t. voorlopige hechtenis en een nog lopende hoger beroepsprocedure, Rb. A’dam, 12 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2650.
16.Zie artikel 7 van Pro de Richtlijn 2004/38 en artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
17.Zie artikel 8.12 Vb 2000.
18.Vergelijk HvJ EU Levin, C-53/81, 23 maart 1982; HvJ EU Kempf, C-139/85, 3 juni 1986; HvJEU Steymann, C-196/87, 5 oktober 1988; HvJEU Lawrie – Blum, C-66/85, 3 juli 1986.
19.Zie hoofdstuk B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
20.Zie artikel 8.12, tweede lid, Vb 2000 (artikel 7, derde lid, Richtlijn 2004/38).
21.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (
22.HvJ EU, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)).