Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5154

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
13-256034-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6a OLWArt. 7 OLWArt. 12 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering en overname tenuitvoerlegging vrijheidsstraffen Nederland op grond van Europees aanhoudingsbevel

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor de overlevering van een Poolse onderdaan. Na een tussenuitspraak waarin werd vastgesteld dat de opgeëiste persoon voldoet aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander, werd het onderzoek geschorst om aanvullende informatie op te vragen.

In de tussenuitspraak van 26 maart 2026 werd geoordeeld dat overlevering voor een van de vonnissen (vonnis 2) geweigerd kon worden op grond van artikel 12 OLW Pro, omdat de verdachte niet in persoon was verschenen bij het Poolse proces. De officier van justitie verzocht echter heroverweging na ontvangst van aanvullende informatie waaruit bleek dat de verdachte kennelijk onzorgvuldig was geweest met zijn bereikbaarheid voor oproepingen.

De rechtbank oordeelde dat de aanvullende informatie aanleiding gaf om af te zien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro voor vonnis 2. Tevens werd vastgesteld dat de opgeëiste persoon voldoet aan de vereisten van artikel 6a OLW en dat de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraffen (totaal bijna 2 jaar) kan worden overgenomen door Nederland.

De rechtbank besloot daarom de overlevering te weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen in Nederland te bevelen, waarbij de gevangenhouding tot aan de tenuitvoerlegging werd bevolen. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering en beveelt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-256034-25
Datum uitspraak: 27 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 30 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 februari 2024 door de
Sąd Okręgowy w Łodzi, IV Wydział Karny (the Circuit Court in Łódź, No. 4 Criminal Division), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 25 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 25 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat in Hoofddorp, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden om de antwoorden van de Poolse autoriteiten op de door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) gestelde vragen over de overname van de straf in het licht van artikel 6a OLW af te wachten, en om de antwoorden op de vragen van 31 januari 2026 omtrent artikel 12 OLW Pro af te wachten.
Zitting 12 maart 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. R.H. Lagerweij, advocaat in Hoofddorp, die waarneemt voor mr. D.W.H.M. Wolters, en door een tolk in de Poolse taal.
Tussenuitspraak van 26 maart 2026 [3]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander als bedoeld in artikel 6a, negende lid, OLW is voldaan en dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om in navolging van het arrest
C.J.van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) de officier van justitie nogmaals te verzoeken om het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het verzamelvonnis van
the District Court for Łódź-Śródmieście in Łódźvan 23 augustus 2016, met kenmerk IV K 511/16, op te vragen bij of via de uitvaardigende justitiële autoriteit, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Polen in dat vonnis opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 13 mei 2026Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is in strijd met zijn schorsingsvoorwaarden niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. R.H. Lagerweij, die waarneemt voor mr. D.W.H.M. Wolters.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de opheffing van de schorsing van de overleveringsdetentie bevolen. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 26 maart 2026

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro (onder 4), de dubbele strafbaarheid (onder 5) en de overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf (onder 6). Hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen, moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Inleiding
De rechtbank heeft onder punt 4 van de tussenuitspraak van 26 maart 2026 ten aanzien van het vonnis van
the District Court for Łódź-Śródmieście in Łódźvan 6 mei 2021, met kenmerk VI K 608/20 (hierna: vonnis 2) vastgesteld dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van (onder meer) vonnis 2, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW is verstrekt. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet daarop, de overlevering voor vonnis 2 op grond van artikel 12 OLW Pro kan worden geweigerd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om af te zien van deze weigeringsgrond, omdat niet kan worden vastgesteld dat overlevering van de opgeëiste persoon geen schending van zijn verdedigingsrechten inhoudt. Geconcludeerd is dat de overlevering voor vonnis 2 zal worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht haar eerdere oordeel over de weigering van de overlevering voor vonnis 2 te heroverwegen. Na sluiting van het onderzoek ter zitting op 12 maart 2026 is op 13 maart 2026 aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen, te weten een brief van 12 maart 2026 met daarin informatie over de uitoefening van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. Deze informatie bevat nieuwe feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel leiden dan is opgenomen in de tussenuitspraak van 26 maart 2026. De rechtbank heeft hierover nog geen einduitspraak gedaan. De officier van justitie heeft zich - gelet op de aanvullende informatie van 12 maart 2026 - op het standpunt gesteld dat de rechtbank voor vonnis 2 kan afzien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering ten aanzien van vonnis 2 moet worden geweigerd. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 26 maart 2026 geoordeeld dat de overlevering voor vonnis 2 zal worden geweigerd. De rechtbank kan op dit oordeel niet terugkomen. De opgeëiste persoon heeft immers aan dit oordeel een gerechtvaardigd vertrouwen mogen ontlenen dat de overlevering voor vonnis 2 zal worden geweigerd. Bovendien is het onderzoek op 26 maart 2026 geschorst om het certificaat en een kopie van het verzamelvonnis op te vragen, en niet om een heroverweging van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro mogelijk te maken. In een andere overleveringszaak heeft de rechtbank overwogen niet aan een weigering op grond van artikel 12 OLW Pro te zijn gebonden omdat deze niet in een tussenuitspraak, maar in een proces-verbaal, was opgenomen. [4] In dit geval moet a contrario worden geredeneerd dat het oordeel in de tussenuitspraak bindend is. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het onderzoek ter zitting aan te houden zodat de verdediging haar standpunt nader kan onderbouwen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het IRC op 4 maart 2026 vragen heeft gesteld over vonnis 2 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Op 12 maart 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit antwoord gegeven op deze vragen. Deze aanvullende informatie is op 13 maart 2026 door het IRC ontvangen en op 17 maart 2026 aan het dossier toegevoegd. De rechtbank stelt verder vast dat deze informatie niet is meegewogen in de tussenuitspraak van 26 maart 2026 bij de beoordeling van de uitoefening van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon ten aanzien van vonnis 2.
Nu een in een tussenuitspraak opgenomen tussenbeslissing niet bindend is voor de rechter die einduitspraak moet doen en onder punt 7 (beslissing) van de tussenuitspraak van 26 maart 2026 niet definitief is beslist dat de rechtbank de overlevering voor vonnis 2 weigert, ziet de rechtbank ruimte om de aanvullende informatie van 12 maart 2026 - die vanwege het late tijdstip van verstrekking niet is en niet kon worden meegenomen in voormelde tussenuitspraak - nu wel te betrekken bij de vraag of aanleiding bestaat om af te zien van weigering van artikel 12 OLW Pro voor vonnis 2.
De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 12 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op 24 oktober 2019 als verdachte is verhoord en dat hij tijdens dat verhoor een adres in Polen heeft opgegeven. De oproepingen voor de zitting zijn daadwerkelijk naar het door hem opgegeven adres verstuurd, maar zijn retour gekomen omdat de oproepingen niet bijtijds zijn afgehaald. Daarnaast is de opgeëiste persoon op 24 oktober 2019 gewezen op de verplichting om iedere adreswijziging aan de Poolse autoriteiten door te geven en is hij ook gewezen op de consequenties van het niet voldoen aan deze verplichting.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon, voor zover hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank ziet dan ook - in tegenstelling tot wat zij in de tussenuitspraak van 26 maart 2026 heeft overwogen - aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro.

5.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit dat ten grondslag ligt aan vonnis 2 niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6 van de tussenuitspraak van 26 maart 2026. De overwegingen uit de tussenuitspraak dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd onder gelijktijdige overname van de in Polen bij het verzamelvonnis (met kenmerk IV K 511/16) opgelegde vrijheidsstraf van negen maanden en tien dagen door Nederland. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon ook ten aanzien van vonnis 2 gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en dat ook de overlevering voor vonnis 2 moet worden geweigerd onder gelijktijdige overname van de in Polen bij vonnis 2 opgelegde vrijheidsstraf door Nederland.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gelijkstellingsverweer ook ten aanzien van vonnis 2 slaagt. De overlevering moet daarom worden geweigerd onder gelijktijdige overname van de in Polen bij het verzamelvonnis en vonnis 2 opgelegde vrijheidsstraffen door Nederland.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt, in navolging van wat is overwogen onder punt 6 van de tussenuitspraak van 26 maart 2026, vast dat de opgeëiste persoon- op grond van artikel 6a, negende lid, OLW voldoet aan de vereisten om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander. De opgeëiste persoon kan daarom ook ten aanzien van vonnis 2 worden gelijkgesteld met een Nederlander.
De rechtbank moet daarom beoordelen of ook de tenuitvoerlegging van de in Polen bij vonnis 2 opgelegde vrijheidsstraf van één jaar en tien maanden kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Uit de hiervoor onder overweging 5 weergegeven Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft daarom het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [5] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW voor vonnis 2 te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
Conform het arrest van het HvJ EU van 4 september 2025 in de zaak
C.J. [6] heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit toestemming gegeven over het overnemen van de in Polen bij het verzamelvonnis en vonnis 2 opgelegde vrijheidsstraffen door Nederland door het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en de vonnissen waarbij de straffen zijn opgelegd toe te sturen.
De rechtbank zal in verband met het voorgaande de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen in Nederland bevelen. Het gaat in dit verband om een vrijheidsstraf voor de duur van negen maanden en tien dagen voor het verzamelvonnis en een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en tien maanden voor vonnis 2. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen bevelen. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 45, 266, 267, 311 en 350 Wetboek van Strafrecht, 11 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 6a, 7 en 12 OLW.

9.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Sąd Okręgowy w Łodzi, IV Wydział Karny (the Circuit Court in Łódź, No. 4 Criminal Division)(Polen).
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen voor
de duur van negen maanden en tien dagen (ten aanzien van het verzamelvonnis met kenmerk IV K 511/16), en
één jaar en tien maanden (ten aanzien van vonnis 2 met kenmerk VI K 608/20)
in Nederland.
HEFT OPde overleveringsdetentie van
[opgeëiste persoon].
BEVEELTde gevangenhouding van
[opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Rb. Amsterdam 26 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3915.
4.De raadsvrouw heeft verwezen naar Rb. Amsterdam 3 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1710.
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (