Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5156

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
13-023564-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 3 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verweer gelijkstelling en detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde op 27 mei 2026 een verzoek tot overlevering van een persoon aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de District Court in Krosno. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van twee jaar en zes maanden, waarvan nog tien maanden en vijf dagen resteren.

De verdediging voerde aan dat het EAB geen voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis bevatte vanwege een herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling die niet in het EAB was vermeld. De rechtbank verwierp dit verweer omdat het EAB het vonnis van 8 juli 2021 vermeldde en de verdediging dit niet met objectieve stukken onderbouwde. Ook het verweer dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld moest worden met een Nederlander vanwege langdurig verblijf in Nederland werd afgewezen, omdat de detentieperiode in Polen het ononderbroken verblijf onderbrak.

Verder werd het verweer dat de detentieomstandigheden in Polen onmenselijk zouden zijn verworpen, omdat geen concrete aanwijzingen waren dat dit voor de opgeëiste persoon zou gelden. De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en stond de overlevering toe. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe op basis van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-023564-26
Datum uitspraak: 27 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 13 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 december 2025 door
the Regional Court in Krosno, 2nd Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 mei 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.G.W.M. Lut, advocaat in ‘s-Gravenhage, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Inleiding
Het EAB vermeldt in onderdeel b) een vonnis van
the District Court in Krosno, 2nd Criminal Divisionvan 8 juli 2021, met kenmerk II K 386/21.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog tien maanden en vijf dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat het EAB geen voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis in de zin van artikel 2, tweede lid en onder c, OLW vermeldt. De opgeëiste persoon heeft de straf van twee jaren en zes maanden die is opgelegd bij het vonnis van
the District Court in Krosno, 2nd Criminal Divisionvan 8 juli 2021 (met kenmerk II K 386/21) uitgezeten tot het moment dat hij in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidsstelling. De opgeëiste persoon heeft bij zijn verhoor door deze rechtbank op 12 maart 2026 aangegeven dat hij voorwaardelijk is vrijgelaten en dat hij contact moest houden met een reclasseringsambtenaar. Dit heeft hij ook steeds gedaan, totdat hij niets meer van de reclasseringsambtenaar hoorde. De reclassering was ervan op de hoogte dat de opgeëiste persoon in Nederland verbleef. De voorwaardelijke invrijheidsstelling is kennelijk herroepen, omdat de opgeëiste persoon zich niet aan de voorwaarden van de voorwaardelijke invrijheidsstelling heeft gehouden. Ten aanzien van de beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt nu de overlevering gevraagd, maar deze herroepingsbeslissing wordt niet in het EAB genoemd. Nu het vonnis van
the District Court in Krosno, 2nd Criminal Divisionvan 8 juli 2021 zijn kracht heeft verloren wegens de latere herroepingsbeslissing, is niet langer sprake van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis. De raadsman heeft daarom verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon in Polen kennelijk op enig moment in vrijheid is gesteld, maar dat uit het EAB niet blijkt wat daar de reden van is geweest. Het EAB vermeldt geen herroeping van een voorwaardelijke invrijheidsstelling of een beslissing tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegd strafdeel. Uit het EAB blijkt dat de tenuitvoerlegging wordt gevraagd van een strafrestant van tien maanden en vijf dagen. Gelet op het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van deze informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit. Uit deze informatie blijkt dat sprake is van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis van 8 juli 2021 met kenmerk II K 386/21.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat in het EAB geen beslissing tot herroeping van een voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt genoemd, maar alleen het - volgens het EAB voor tenuitvoerlegging vatbare - vonnis van 8 juli 2021 met kenmerk II K 386/21. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid en volledigheid van de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit zoals opgenomen in onderdeel b) van het EAB. De raadsman heeft niet met objectieve stukken onderbouwd dat sprake is geweest van een beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling wegens het overtreden van voorwaarden en dat het vonnis van 8 juli 2021 hierdoor niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het vonnis van 8 juli 2021 van
the District Court in Krosno, 2nd Criminal Division, met kenmerk II K 386/21 een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis is als bedoeld in artikel 2, tweede lid en onder c, OLW. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om hierover vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten en wijst het daartoe gedane verzoek om aanhouding af.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
Er is geen informatie waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon is opgeroepen voor de zitting die heeft geleid tot de herroepingsbeslissing, waardoor hij zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen. De raadsman heeft daarom verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Standpunt van de officier van justitie
Het EAB vermeldt geen herroeping van een voorwaardelijke invrijheidsstelling of een beslissing tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegd strafdeel. Gelet op het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van deze informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit. Daarnaast is de opgeëiste persoon in persoon verschenen bij het proces dat tot het vonnis van
the District Court in Krosno, 2nd Criminal Divisionvan 8 juli 2021 heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.
Oordeel van de rechtbank
Onder verwijzing naar wat zij onder 3 heeft overwogen, stelt de rechtbank vast dat in het EAB geen beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt genoemd. De rechtbank volstaat hier met een verwijzing naar haar overwegingen onder 3.
Dat betekent dat de rechtbank alleen het vonnis van
the District Court in Krosno, 2nd Criminal Divisionvan 8 juli 2021, kenmerk II K 386/21, zal toetsen aan artikel 12 OLW Pro.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Dit betekent dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is.

5.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;
overtreding van artikel 160, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en heeft de rechtbank verzocht om de overlevering te weigeren onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 25 april 2016 in Nederland woont en werkt. De opgeëiste persoon heeft sinds maart 2021 tijdelijk niet in Nederland verbleven vanwege detentie in Polen. Hij is in 2023 teruggekeerd naar Nederland en heeft hier steeds verbleven en gewerkt. De raadsman heeft verzocht de detentieperiode in Polen niet anders te zien dan een onderbreking van zijn verblijf in Nederland. De opgeëiste persoon heeft alles bij elkaar genomen dan ook langer dan vijf jaren onafgebroken rechtmatig in Nederland verbleven.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, omdat met de overgelegde stukken niet is aangetoond dat hij vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De opgeëiste persoon staat sinds 5 juli 2016 ingeschreven in Nederland en is in maart 2021 aangehouden in Polen. De opgeëiste persoon had in maart 2021 nog niet ten minste vijf jaren onafgebroken rechtmatig in Nederland verbleven. De detentieperiode in Polen heeft de opbouw van het duurzaam verblijf in Nederland onderbroken. [4]
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
De rechtbank stelt aan de hand van de overgelegde stukken - in het bijzonder de verklaring geregistreerd inkomen over het jaar 2016 - vast dat de opgeëiste persoon sinds 25 april 2016 in Nederland heeft verbleven en hier heeft gewerkt. De opgeëiste persoon is in maart 2021 aangehouden in Polen en heeft daar tot november 2022 in detentie gezeten. In 2023 is de opgeëiste persoon teruggekeerd naar Nederland. Noch in periode tot maart 2021 noch in de periode vanaf 2023 heeft de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren onafgebroken rechtmatig in Nederland verbleven. Bij het tussentijdse verblijf in Polen is geen sprake geweest van een afwezigheid uit Nederland die de rechtmatigheid van het verblijf niet onderbreekt. De opgeëiste persoon voldoet daardoor niet aan het vereiste van een ononderbroken rechtmatig verblijf van ten minste vijf jaren in Nederland.
Dit betekent dat niet is voldaan aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van de tweede voorwaarde. Het gelijkstellingsverweer wordt verworpen.

7.Artikel 11 OLW Pro

7.1
Artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
7.2
Poolse detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen in welke detentie-instelling en volgens welk regime de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd en hoe de detentieomstandigheden aldaar zijn.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat. Er is geen algemeen gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling ten aanzien van de gevangenissen in Polen voor de executie van opgelegde straffen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat geen sprake is van een algemeen gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling in de gevangenissen in Polen voor gedetineerden die een gevangenisstraf moeten ondergaan. [7] Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsman geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat, in tegenstelling tot wat de rechtbank eerder heeft geoordeeld, wel sprake is van een algemeen gevaar ten aanzien van veroordeelde gedetineerden in Polen. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over dergelijke gegevens.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of voor deze opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in detentie bestaat. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 266 en 267 Wetboek van Strafrecht, 2, 3, 10, 11 en 11a Opiumwet, 160 en 177 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Krosno, 2nd Criminal Division(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.De officier van justitie heeft verwezen naar Rb. Amsterdam 13 juni 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:3921.
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
7.Zie o.a. Rb. Amsterdam 24 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3202.