Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5160

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 4012
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 84 GnwArt. 85 GnwArt. 101 GnwArt. 5:8 AwbArt. 5:40 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boetes voor ongeoorloofde publieksreclame voor receptgeneesmiddelen Ozempic en Wegovy

De rechtbank Amsterdam heeft op 10 april 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin DPG Media B.V. werd beboet wegens het maken van publieksreclame voor de receptgeneesmiddelen Ozempic en Wegovy. De boetes van in totaal €48.450,- zijn opgelegd wegens overtreding van de artikelen 84, tweede lid, en 85, onder a, van de Geneesmiddelenwet. De publicaties in het magazine Flair en het dagblad De Stentor werden onderzocht en beoordeeld als reclame die niet in overeenstemming is met de productkenmerken.

De rechtbank oordeelde dat de publicaties een reclamedoelstelling nastreefden en niet puur informatief waren, mede door de nadruk op positieve effecten en het ontbreken van volledige informatie over bijwerkingen en contra-indicaties. De boetes zijn gematigd met 80% vanwege de persvrijheid en de aard van de overtredingen. Het ne bis in idem-beginsel werd niet geschonden omdat het om twee afzonderlijke overtredingen ging. Ook werd geoordeeld dat de boetes niet in strijd zijn met artikel 10 EVRM Pro, omdat de beperkingen wettelijk zijn voorzien, een legitiem doel dienen en proportioneel zijn.

DPG Media voerde aan dat het om redactionele artikelen ging zonder reclamedoel, dat de boetes een chilling effect op de media veroorzaken en dat de boetes disproportioneel zijn. Deze verweren werden door de rechtbank verworpen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de opgelegde boetes. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de boetes van in totaal €48.450,- voor verboden publieksreclame en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4012

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen

de besloten vennootschap DPG Media B.V., te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. J.P. van den Brink en mr. I.A. Siskina),
en

het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder

(gemachtigden: mr. E. Izaks en mw. [gemachtigde]).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 18 maart 2025 heeft verweerder twee bestuurlijke boetes ter hoogte van tezamen € 48.450,- aan eiseres opgelegd wegens overtreding van de artikelen 84, tweede lid, en 85, aanhef en onder 1, van de Geneesmiddelenwet (Gnw).
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit op 28 april 2025 bezwaar gemaakt, aangevuld op 9 juni 2025, en verweerder verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft met dat verzoek ingestemd en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid van de Awb met een brief van 26 juni 2025 doorgestuurd naar de rechtbank.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.L.C. Tordoir, [de persoon 1], [de persoon 2] en
[de persoon 3], bijgestaan door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Wat aan deze procedure vooraf ging
1. Eiseres is uitgever van onder meer het magazine Flair en het regionale dagblad De Stentor. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (verder: de inspectie), ressorterend onder verweerder, houdt toezicht op de naleving van de Gnw.
2. Naar aanleiding van meldingen op 21 juni 2023 over de zomereditie 2023 van Flair waarin het receptgeneesmiddel Ozempic zou worden aangeprezen (verder: de Flairpublicatie) en op 2 januari 2024 over een artikel in (de online versie van) De Stentor waarin reclame zou worden gemaakt voor Ozempic en het receptgeneesmiddel Wegovy (verder: de Stentorpublicatie), heeft de inspectie onderzoeken ingesteld. Bij beide onderzoeken zijn twee overtredingen vastgesteld. In de eerste plaats een overtreding van artikel 84, tweede lid van de Gnw, kortweg reclame niet in overeenstemming met de productkenmerken, en in de tweede plaats een overtreding van artikel 85, onder a van de Gnw, kortweg publieksreclame voor een receptgeneesmiddel. Van die onderzoeken zijn boeterapporten van 4 september 2024 (de Flairpublicatie) en 10 oktober 2024 (de Stentorpublicatie) opgemaakt. Met betrekking tot de Flairpublicatie is de duur van de overtredingen vastgesteld op de periode 14 juni 2023 tot en met 1 augustus 2023. De duur van de overtredingen met betrekking tot de Stentorpublicatie is vastgesteld op de periode 9 april 2024 tot en met 7 augustus 2024.
3. Op 22 oktober 2024 heeft de inspectie een voornemen tot boeteoplegging met betrekking tot beide publicaties aan eiseres gestuurd. Het voornemen houdt in om één boete op te leggen per overtreden wetsartikel. Met het oog op de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid heeft verweerder aanleiding gezien om niet het bedrag dat volgt uit de Beleidsregels bestuurlijke boete Ministerie Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2019 (verder: de Beleidsregels) op te leggen, maar de boetes te matigen met 80% tot in totaal € 51.000,-. Op 5 november 2024 zijn de boeterapporten aan eiseres gestuurd en op 19 november 2025 heeft eiseres een zienswijze ingediend.
4. Met het bestreden besluit heeft verweerder aan eiseres vanwege de geconstateerde overtredingen twee bestuurlijke boetes opgelegd die op grond van artikel 6 van Pro de Beleidsregels [1] (verder) gematigd zijn tot € 28.500,- en € 19.950,-, in totaal
€ 48.450,-. Met betrekking tot de duur van de overtredingen heeft verweerder de motivering als volgt aangepast: "
Het magazine Flair waarin de reclame werd gemaakt was in ieder geval verkrijgbaar van 14 juni 2023 t/m 1 augustus 2023. Het artikel in dagblad De Stentor was in ieder geval online beschikbaar van 4 november 2023 t/m 7 augustus 2024. Dit is voor beide artikelen langer dan 1 maand, maar korter dan 1 jaar. Dit wordt beoordeeld als gemiddeld.” Omdat de duur gemiddeld blijft, heeft dit geen gevolgen voor de hoogte van de boete. In het besluit heeft verweerder verder toegelicht dat met de publicaties sprake is van publieksreclame, dat hij twee boetes mag opleggen voor de afzonderlijke overtredingen, dat boeteoplegging niet in strijd is met artikel 10 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en evenredig is, en dat de zienswijze geen aanleiding geeft tot matiging op grond van artikel 5:46 van Pro de Awb.
Standpunt van eiseres
5. Eiseres voert in beroep, kort samengevat, aan dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat:
geen sprake is van publieksreclame;
de boete wegens vermeende overtreding van artikel 84 lid 2 Gnw Pro onrechtmatig, althans in strijd met het ne bis in idem-beginsel is;
geen sprake is van reclame die niet in overeenstemming is met de samenvatting van
de productkenmerken; en
4) oplegging van de boetes in strijd is met artikel 10 van Pro het EVRM.
Subsidiair voert eiseres aan dat de inzet van het boete-instrument niet passend is, althans dat de aan haar opgelegde boetes moeten worden gematigd.
Beoordeling door de rechtbank
6. De voor de beoordeling relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
7. Beoordeeld moet worden of sprake is van overtreding van de artikelen 85, onder a, en 84, tweede lid, van de Gnw en of verweerder in dat verband terecht (twee) boetes aan eiseres heeft opgelegd. Daarbij zullen de beroepsgronden van eiseres tot uitgangspunt dienen.
7.1.
Eiseres betoogt allereerst dat geen sprake is van reclame. Het gaat volgens haar om redactionele artikelen die bedoeld zijn om het publiek te informeren over relevante medische en maatschappelijke ontwikkelingen en die niet tot doel hebben om het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen.
7.2.
Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder xx, van de Gnw wordt onder reclame verstaan: elke vorm van beïnvloeding met het kennelijke doel het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen, dan wel het geven van de opdracht daartoe. Met publieksreclame wordt volgens artikel 1, eerste lid, aanhef en onder ijij, bedoeld: reclame voor een geneesmiddel die, gezien haar inhoud en de wijze waarop zij wordt geuit, kennelijk ook voor anderen dan beroepsbeoefenaren, als bedoeld in artikel 82, aanhef en onder a, van de Gnw, is bestemd.
7.3.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat het begrip "reclame voor geneesmiddelen" ruim moet worden uitgelegd. [2] In dit verband verwijst de Afdeling naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in de zaak Merckle [3] , waarin het volgende is overwogen:
Uit het hiervoor genoemde arrest van 5 mei 2011, punten 29-33, volgt dat het begrip "reclame voor geneesmiddelen" zeer ruim moet worden opgevat. In het bijzonder voor geneesmiddelen die uitsluitend op medisch recept mogen worden verstrekt, vindt deze ruime opvatting van het begrip reclame steun in de voornaamste doelstelling van de [Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (richtlijn)] [4] , namelijk de bescherming van de volksgezondheid. Gelet op de ernstige gevolgen die een verkeerd of overmatig gebruik van dergelijke geneesmiddelen voor de gezondheid kan hebben, rechtvaardigt deze doelstelling een ruime uitleg van het verbod op reclame voor geneesmiddelen. Uit artikel 86, eerste lid, van de richtlijn blijkt dat een reclameboodschap haar aard in wezen ontleent aan de doelstelling die zij nastreeft. Deze doelstelling vormt aldus het doorslaggevende element om reclame van louter informatie te onderscheiden. De definitie van artikel 86, eerste lid, van de richtlijn sluit dus in beginsel niet uit dat publicaties of boodschappen die enkel objectieve informatie bevatten, als reclame kunnen worden beschouwd. Wanneer de boodschap is bedoeld ter bevordering van het voorschrijven, het afleveren, de verkoop of het gebruik van geneesmiddelen, maakt zij reclame in de zin van deze richtlijn. Een zuiver informatieve mededeling zonder publicitair doel valt daarentegen niet onder de bepalingen van deze richtlijn inzake reclame voor geneesmiddelen. Wanneer de informatie een letterlijke en onverkorte weergave van de bijsluiter of van de samenvatting van de productkenmerken, zoals door de bevoegde autoriteit inzake geneesmiddelen goedgekeurd, is en niet gepaard gaat met enig bijkomend element dat voor een kwalificatie als reclame pleit, is geen sprake van reclame. Of het verstrekken van bepaalde informatie al dan niet een reclamedoelstelling nastreeft, moet door de nationale rechter worden vastgesteld op basis van een concreet onderzoek van alle relevante omstandigheden van het betrokken geval.
De Flairpublicatie
7.4.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het boeterapport over de Flairpublicatie dat deze publicatie is bedoeld ter bevordering van het voorschrijven en of/het gebruik van het receptgeneesmiddel Ozempic voor de behandeling van overgewicht en dat deze zich niet alleen richt tot beroepsbeoefenaren maar met name tot ander publiek. Daarmee is de publicatie te kwalificeren als publieksreclame als bedoeld in artikel 85, onder a, van de Gnw.
7.5.
Naar het oordeel van de rechtbank valt uit de keuze van eiseres, althans (de redactie van) Flair, voor een publicatie aan de hand van het verhaal van drie vrouwen, die vertellen dat zij dankzij het gebruik van Ozempic (erg) veel zijn afgevallen, en waarin een nagenoeg ééndimensionale weergave van de positieve effecten van Ozempic wordt gegeven, een reclamedoelstelling af te leiden. Het gaat er bij die doelstelling om wat de publicatie bij de lezers teweeg brengt. Zoals verweerder op de zitting aangaf: dat de lezer die ‘t aangaat denkt, ‘dat wil ik hebben’. In dit verband is bijvoorbeeld relevant dat, mede door de opmaak van het artikel, in het oog springen: “
In week 1 raakte ik al 3 kilo kwijt” (op de voorpagina), “
Wondermiddel: Zij vielen snel -en flink- af met Ozempic” (in de inhoudsopgave), “
Voor mij is het een WONDERMIDDEL” (in de kop van het artikel), en “
na dertig jaar lijnen kwam dit medicijn als een geschenk uit de hemel” (in een korte tekstinzet). Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze tekstregels moeilijk anders aangemerkt worden dan het aanprijzen van Ozempic en daarmee het beïnvloeden van de lezer van het artikel. De vermelding in het artikel dat Ozempic een “
omstreden afvalmiddel” is, dat het oorspronkelijk is ontwikkeld voor diabetes en dat één van de gebruikers last had van bijwerkingen, zoals misselijkheid, diarree en haaruitval, doen aan het lovende karakter van het artikel nauwelijks af en maakt in ieder geval niet dat sprake is van een zuiver informatief artikel.
7.6.
Dat eiseres, zoals zij stelt, vanuit een journalistieke context de bedoeling had om lezers te informeren en een maatschappelijke discussie op gang te brengen maakt dat niet anders. Dit doet namelijk niks af aan het effect dat het artikel kan hebben op lezers en bovendien laat dit onverlet dat eiseres zich aan de bepalingen van de Gnw moet houden. Ook de omstandigheid dat eiseres, zoals zij heeft gesteld, geen commercieel doel of belang bij de verkoop en het gebruik van Ozempic zou hebben, maakt niet dat geen sprake is van (publieks)reclame. [5] De nadruk in de publicatie ligt in het in wervende bewoordingen benadrukken van de positieve eigenschappen van het geneesmiddel voor de behandeling van overgewicht. De rechtbank verwijst hierbij ook naar de uitspraak van de Afdeling van
25 februari 2026 [6] .
7.7.
Naar het oordeel van de rechtbank is de Flairpublicatie ook in strijd met artikel 84, tweede lid, van de Gnw. Dit artikel schrijft voor dat de informatie over het geneesmiddel in de publicatie in overeenstemming moet zijn met de gegevens die in de samenvatting van de productkenmerken van, in dit geval, Ozempic zijn opgenomen. Nu het in de publicatie uitsluitend gaat om het
off labelgebruik van Ozempic, dat wil zeggen gebruik anders dan voor diabetes waarvoor het volgens de samenvatting van de productkenmerken is geïndiceerd, en bovendien niet (alle) mogelijke bijwerkingen en contra-indicaties van het medicijn worden belicht die in die samenvatting zijn vermeld, is evident dat de in de publicatie verstrekte informatie niet in overeenstemming is met de hiervoor genoemde gegevens.
De Stentorpublicatie
7.8.
Met de Stentorpublicatie heeft eiseres volgens verweerder, in strijd met artikel 85, onder a, van de Gnw, publieksreclame gemaakt voor de receptgeneesmiddelen Ozempic en Wegovy. Ook heeft zij met deze publicatie artikel 84, tweede lid, van de Gnw overtreden voor zover het gaat om de reclame voor Ozempic.
7.9.
De rechtbank overweegt dat de publicatie het verhaal vertelt van [naam], die al zijn hele leven ‘in gevecht is met zijn gewicht’. Het artikel benoemt dat Ozempic een diabetesmedicijn is met als bijwerking gewichtsverlies. Over Ozempic is onder meer het volgende geschreven: “
Toch besloot [naam] Ozempic te proberen. Met succes: hij weegt nu 102 kilo en valt nog steeds af. Een maand geleden stapte hij over op Wegovy, dat écht is bedoeld om gewicht te verliezen. „Dat vind ik netter naar diabetespatiënten toe, want zij zitten zonder hun medicijnen als iedereen Ozempic gebruikt om af te vallen", zegt hij.”.Er wordt een arts geciteerd die zegt: “
Om te beginnen met Ozempic en Wegovy: eigenlijk zijn het nagenoeg dezelfde middelen. Alleen Wegovy is dus specifiek bedoeld voor mensen die willen afvallen (…)”. In de publicatie is een foto te zien van [naam] met de tekst “
toen hij nog 186 kilo woog” en een foto van [naam] nadat hij aanzienlijk is afgevallen. Op die laatste foto staat [naam] met Wegovy-prikpen en verpakking in zijn handen waarbij de teksten “
zweert bij nieuw dieetmedicijn”en
“Denk dat ik nog wel 10 kilo kwijtraak” zijn opgenomen. In de aanhef van de publicatie staat: “
Ooit woog [naam] 186 kilo. Nu is hij een van de eerste Nederlanders die het nieuwste dieetmedicijn Wegovy gebruikt”. Verder staat in de publicatie nog de volgende tekst “
In de Verenigde Staten is Wegovy momenteel een doorslaand succes, de prikpennen zijn er niet aan te slepen”. Er wordt geschreven dat de verwachtingen rond Wegovy hooggespannen zijn en dat het geneesmiddel nog niet in Nederland verkrijgbaar is, maar dat de Nederlandse Obesitas Kliniek het middel voorschrijft en verwacht het komende half jaar ongeveer duizend mensen te kunnen helpen. In de publicatie wordt ook geschreven dat door gebruik van Wegovy de kans op complicaties bij obesitas kleiner wordt en dat [naam] al minder gezondheidsklachten heeft en zich veel energieker en fitter voelt.
7.10.
Al met al is volgens de rechtbank sprake van een zeer positief artikel ten aanzien van het gebruik van Ozempic en Wegovy om gewicht te verliezen en wordt een onvoldoende neutraal beeld gegeven. Hierdoor is geen sprake is van een zuiver informatieve publicatie. In feite wordt een persoonlijk succesverhaal weergegeven over gewichtsverlies door Ozempic en Wegovy. Daarbij is vermeld dat duizenden mensen in binnen- en buitenland het gebruiken en dat er razendsnel meer gebruikers bijkomen. Ook dit is op zichzelf niet puur informatief, maar zal het effect hebben dat lezers het ook willen gebruiken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de publicatie een reclamedoelstelling nastreeft en bedoeld is ter bevordering van het voorschrijven en of/het gebruik van het geneesmiddel. De rechtbank concludeert dat ook met het Stentor artikel sprake is van een overtreding van artikel 85, onder a, van de Gnw.
7.11.
Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit, voor zover het gaat om Ozempic, ook voor artikel 84, tweede lid, van de Gnw. Weliswaar is benoemd dat Ozempic eigenlijk een diabetes medicijn is, maar niet (alle) mogelijke bijwerkingen en contra-indicaties van het medicijn worden belicht conform de samenvatting van de productkenmerken. Ook voor deze publicatie is de verstrekte informatie dus niet in overeenstemming met die gegevens.
Ne bis in idem/samenloop
8. De beroepsgrond dat het opleggen van een boete voor zowel de schending van artikel 85, onder a, van de Gnw als de schending van artikel 84, tweede lid, van de Gnw, niet mogelijk is, omdat artikel 84, tweede lid, van de Gnw alleen van toepassing is op op zichzelf toegestane reclame en omdat dit in strijd is met het
ne bis in idembeginsel, slaagt niet.
8.1.
Het ne bis in idem-beginsel staat het opleggen van een bestuurlijke boete in de weg als voor dezelfde overtreding eerder een bestuurlijke boete is opgelegd. Het beginsel is neergelegd in artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht en staat vervolging in de weg na een eerdere onherroepelijke rechterlijke uitspraak over hetzelfde feit. Van een eerdere boeteoplegging is in het geval van eiseres echter geen sprake. Het gaat immers om twee overtredingen die niet eerder zijn beboet [7]
8.2.
Voor zover eiseres bedoeld heeft aan te voeren dat sprake is van eendaadse samenloop, gaat die stelling naar het oordeel van de rechtbank ook niet op. Eendaadse samenloop is ook een begrip uit het Strafrecht en doet zich voor als ‘door één gedraging twee of meer voorschriften worden overtreden die naar hun aard en strekking zodanig nauw samenhangen dat in wezen slechts één overtreding plaatsvindt’ [8] .
8.3.
Anders dan eiseres stelt, is het volgens de rechtbank niet zo dat een overtreding van artikel 85, onder a, van de Gnw, steeds ook een overtreding van artikel 84, tweede lid, van de Gnw oplevert. Bij artikel 85, onder a, van de Gnw gaat het namelijk om het maken van publieksreclame voor receptgeneesmiddelen en bij artikel 84, tweede lid, van de Gnw om het verstrekken van informatie die niet in overeenstemming is met de productkenmerken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd dat dit om twee van elkaar te onderscheiden overtredingen en voorschriften gaat. Dat beide overtredingen vaak samengaan, laat onverlet dat zij in de Gnw apart staan geregeld, afzonderlijk tot boeteoplegging kunnen leiden en dat de overtreding van het ene verbod niet noodzakelijkerwijs de overtreding van het andere verbod met zich brengt. Het is namelijk mogelijk dat voor een geneesmiddel wel publieksreclame wordt gemaakt zonder dat
die publieksreclame inhoudelijk afwijkt van de productkenmerken. Aan overtreding van artikel 85 van Pro de Gnw liggen andere feitelijke gedragingen en belangen (publieksreclame voor specifieke (UR) geneesmiddelen) ten grondslag dan aan de overtreding van artikel 84 van Pro de Gnw (inhoud van de informatie). De overtredingen kunnen apart of los van elkaar worden begaan. Naar het oordeel van de rechtbank volgt noch uit de tekst, noch uit de systematiek of het doel, van de Gnw dat artikel 84, tweede lid, alleen geldt voor reclame die op zichzelf wel is toegestaan, zoals eiseres stelt. Eiseres heeft dit verder ook niet onderbouwd.
8.4.
Gezien het voorgaande is van eendaadse samenloop geen sprake. Cumulatie van bestuurlijke sancties, in de zin van artikel 5:8 van Pro de Awb, is dan ook mogelijk.
Strijd met artikel 10 EVRM Pro
9. Eiseres heeft verder, kort samengevat, aangevoerd dat zij door het opleggen van de boetes beperkt wordt in haar vrijheid van meningsuiting, haar persvrijheid en in haar vrijheid om het publiek, dat recht heeft om geïnformeerd te worden, te informeren.
9.1.
Niet in geschil is dat eiseres door (de boeteoplegging voor het overtreden van) de regels van de Gnw wordt beperkt in haar vrijheid van meningsuiting. Uit artikel 10, tweede lid, van het EVRM volgt dat deze vrijheid kan worden onderworpen aan beperkingen, voor zover die beperkingen bij de wet zijn voorzien, zijn ingegeven door één of meer in die bepaling vermelde doelstellingen en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn, dat wil zeggen gerechtvaardigd door een dwingende maatschappelijke behoefte en met name evenredig aan het nagestreefde doel.
9.2.
Eiseres heeft niet bestreden dat de beperkingen op de vrijheid van meningsuiting zijn voorzien bij wet in de artikelen 84, tweede lid, en 85, aanhef en onder a, van de Gnw en een legitiem doel dienen, namelijk het beschermen van de volksgezondheid. [9] De rechtbank is van oordeel dat die beperkingen, gelet op het nagestreefde doel, ook redelijk en evenredig zijn, en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. De publicaties zijn beoordeeld als (publieks)reclame, die deels niet overeenstemt met de samenvatting van de productkenmerken, en naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geen grond gezien om het opleggen van de boetes in strijd met artikel 10 van Pro het EVRM te achten. De rechtbank is verder van oordeel dat deze beperking niet maakt dat eiseres in het geheel niet meer kan berichten over geneesmiddelen of in dit verband een bijlage kan leveren aan een (maatschappelijk) debat van algemeen belang. Eiseres kan en zal zich in publicaties zodanig gebalanceerd, en in overeenstemming met de samenvatting van de productkenmerken, over een geneesmiddel (moeten) uitlaten, dat er geen sprake is van verboden (publieks)reclame.
De boetes
10. Wat de (hoogte van de) boetes betreft merkt de rechtbank het volgende op. De bevoegdheid voor verweerder om de overtredingen van de artikelen 85, onder a, en 84, tweede lid, van de Gnw te beboeten, volgt uit artikel 101, eerste lid, van de Gnw. Zoals verweerder in het bestreden besluit terecht heeft gesteld, zijn de genoemde overtredingen op grond van stap 1 van het boetedifferentiatieschema in de Beleidsregels direct beboetbaar gesteld, zonder voorafgaande waarschuwing. De rechtbank kan bovendien het standpunt van verweerder volgen dat het enkel opleggen van een schriftelijke waarschuwing geen recht zou doen aan de omstandigheid dat de overtredingen van de reclameverboden een gevaar opleveren voor de volksgezondheid.
10.1.
Volgens eiseres gaat van de oplegging van de boetes een zodanig
chilling effectuit dat het voor de (onafhankelijke) media niet mogelijk is nog te publiceren over geneesmiddelen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit argument niet slagen en gaat eiseres er daarbij ten onrechte aan voorbij dat de boetes zijn opgelegd voor het maken van publieksreclame, wat bij wet verboden is. Indien eiseres een zuiver informatief artikel publiceert over geneesmiddelen, dat in overeenstemming is met de samenvatting van de productkenmerken en niet kan worden aangemerkt als publieksreclame, dan zal boete-oplegging niet aan de orde zijn.
10.2.
Eiseres heeft aangevoerd dat de boetes nog verder gematigd zouden moeten worden, omdat die niet passend en evenredig zijn in verhouding tot de aard en ernst van de gedraging(en). De rechtbank stelt vast dat verweerder de oorspronkelijk opgelegde boetes al heeft gematigd met 80% van de op grond van de Beleidsregels op te leggen bedragen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de beleidsregels die verweerder bij de berekening van boetes ter zake van overtreding van artikelen 85, aanhef en onder a, en 84, tweede lid, van de Gnw hanteert in hun algemeenheid niet onredelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de boete betrekking heeft op gedragingen die een gevaarzettend karakter kunnen hebben of anderszins de volksgezondheid kunnen bedreigen. Nu verweerder de boetes aanmerkelijk heeft gematigd, waarbij de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid van de journalistieke media zijn meegewogen, zijn die boetes naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig in verhouding tot de aard en ernst van de overtredingen die eiseres heeft begaan. Desgevraagd heeft een van de gemachtigden van eiseres op de vraag van de rechtbank wat maakt dat die matiging van 80% nog steeds niet voldoende is, geantwoord: “omdat er nog steeds een boete wordt opgelegd”. Zoals hiervoor is overwogen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat sprake was van overtredingen en daarvoor een boete opgelegd. Van bijzondere feiten of omstandigheden die zouden nopen tot een verdere matiging tot nihil is niet gebleken.
Conclusie
11. Gezien het voorgaande zal de rechtbank het beroep van eiseres ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, voorzitter, en mr. M.M. Verberne en
mr.M.W. Speksnijder, leden, in aanwezigheid van mr. N.L. Adam, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage

De Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Op grond van artikel 5:8 kan Pro, indien twee of meer voorschriften zijn overtreden, voor de overtreding van elk afzonderlijk voorschrift een bestuurlijke sanctie worden opgelegd.
Op grond van artikel 5:40, eerste lid, wordt onder bestuurlijke boete verstaan: de bestraffende sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom.
Op grond van artikel 5:41 legt Pro het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.
Op grond van artikel 5:43 legt Pro het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete op indien aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoeld in artikel 5:50, tweede lid, aanhef en onderdeel a, is bekendgemaakt.
Op grond van artikel 5:46, tweede lid, stemt het bestuursorgaan, tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
De Geneesmiddelenwet (Gnw)
Onder reclame wordt op grond van artikel 1, eerste lid onder xx, verstaan "elke vorm van beïnvloeding met het kennelijke doel het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen, dan wel het geven van de opdracht daartoe".
Onder publieksreclame wordt op grond van artikel 1, eerste lid onder ijij, verstaan "reclame voor een geneesmiddel die, gezien haar inhoud en de wijze waarop zij wordt geuit, kennelijk ook voor anderen dan beroepsbeoefenaren als bedoeld in artikel 82, onder a, is bestemd".
Op grond van artikel 85, onder a, is het verboden om publieksreclame te maken voor geneesmiddelen die uitsluitend op recept ter hand mogen worden gesteld.
Op grond van artikel 84, tweede lid, dienen alle aspecten van reclame voor receptgeneesmiddelen in overeenstemming te zijn met de gegevens die in de samenvatting van de productkenmerken zijn opgenomen.
Op grond van artikel 101, eerste lid, kan Onze Minister een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht ter zake van een overtreding van het bepaalde bij of krachtens onder meer artikel 84 en Pro 85.
Beleidsregels bestuurlijke boete Ministerie Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2019 (Beleidsregels)
Voor bestraffende boetes op grond van artikel 101 Gnw Pro zijn door de minister normbedragen vastgesteld in de Beleidsregels. De normbedragen zijn voor overtredingen van de Gnw €150.000,- per overtreding.
Op grond van stap 1 van het boetedifferentiatieschema in de Beleidsregels zijn
overtredingen van de artikelen 84, tweede lid, en 85, onder a, van de Gnw direct
beboetbaar gesteld zonder voorafgaande waarschuwing.
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM)
Op grond van artikel 10, eerste lid, heeft een ieder recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of door te geven, zonder inmenging van overheidswege en ongeacht grenzen. Dit artikel belet niet, dat Staten radio-, omroep-, bioscoop-, of televisieondernemingen kunnen onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
Op grond van artikel 10, tweede lid, kan, daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, welke bij wet worden voorzien, en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van 's lands veiligheid, territoriale integriteit off openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

Voetnoten

1.In dit artikel staat dat indien verweerder buiten de termijn van 13 weken, maar binnen 6 maanden na dagtekening van het voornemen tot boeteoplegging, een besluit neemt omtrent het opleggen van de bestuurlijke boete, 5% in mindering wordt gebracht op het uiteindelijke boetebedrag.
2.Zie onder meer de uitspraak van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1422 en 3 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1038.
3.HvJEU 5 mei 2011, ECLI:EU:C:2011:275, C-316/09 (Merckle).
4.De reclameregels in de Geneesmiddelenwet zijn een implementatie van de richtlijn.
5.Zie ook het arrest van het Hof van Justitie van 2 april 2009, ECLI:EU:C:2009:222, C-421/07 (Damgaard).
7.Artikel 5:43 van Pro de Awb.
8.Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 29702, nr. 3, p. 91.
9.Dit volgt overigens ook uit de arresten van het Hof van justitie van 2 april 2009, ECLI:EU:C:2009:222, C-421/07 (Damgaard) en van 5 mei 2011, ECLI:EU:C:2011:275, C-316/09 (Merckle) waaruit volgt dat de bescherming van de volksgezondheid het voornaamste doel is van de Geneesmiddelenrichtlijn (waar, zoals eerder is aangegeven, de reclameregels in de Gnw een implementatie van vormen) en het daarin opgenomen publieksreclameverbod.