Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5417

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
13/286431-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 7 WVWArt. 9 WVWArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens zeer onvoorzichtig rijgedrag met zwaar lichamelijk letsel en verlaten plaats ongeval

Op 3 mei 2025 reed verdachte met een ongeldig verklaard rijbewijs met extreem hoge snelheid over een straat in Amsterdam. Hij negeerde een stopteken van de politie en verloor de controle over zijn voertuig, waardoor hij een Fiat met twee inzittenden aanreed. De slachtoffers liepen zwaar lichamelijk letsel op, waaronder een gebroken bekken, arm en enkel.

Verdachte verliet de plaats van het ongeval zonder zich om de slachtoffers te bekommeren, hoewel hij zich later bij de politie meldde. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte zich schuldig maakte aan zeer onvoorzichtig rijgedrag, het verlaten van de plaats van het ongeval en het rijden met een ongeldig rijbewijs.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 8 maanden op, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een rijontzegging van 4 jaar. Bij de strafoplegging werd rekening gehouden met de ernst van de feiten, de recidive van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder een problematische levenssituatie en eerdere strafbeschikkingen.

De rechtbank stelde bijzondere voorwaarden aan de proeftijd, waaronder meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, het volgen van een opleiding en het vinden van dagbesteding. De straf is gebaseerd op de artikelen 6, 7 en 9 van de Wegenverkeerswet 1994 en relevante artikelen uit het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf (4 voorwaardelijk) en 4 jaar rijontzegging wegens zeer onvoorzichtig rijgedrag met zwaar lichamelijk letsel en verlaten plaats ongeval.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/286431-25
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[BRP-adres] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S. Ettalhaoui, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 3 mei 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
1
primair:het zich als bestuurder van een personenauto zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen, dan wel zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair:het zich als bestuurder van een personenauto zodanig gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt;
2. het verlaten van de plaats van het ongeval, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat bij dat ongeval letsel en/of schade was toegebracht aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en hen in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.
3. een personenauto heeft bestuurd terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 primair kan worden bewezen. Verdachte heeft een zeer hoge mate van schuld aan het ongeval. Aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is hierdoor zwaar lichamelijk letsel toegebracht.
Feit 2 kan ook worden bewezen. Verdachte heeft de plaats van het ongeval verlaten. Hoewel verdachte zich even later bij de politie heeft gemeld, is de inkeerbepaling van artikel 184 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) niet van toepassing, omdat verdachte de slachtoffers in hulpeloze toestand heeft achtergelaten. Ten slotte kan feit 3 worden bewezen, nu het rijbewijs van verdachte ongeldig was verklaard en verdachte op de zitting heeft verklaard dat hij dat wist.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van het bewijs geen verweer gevoerd.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
Op 3 mei 2025 om 01:15 uur reed verdachte als bestuurder van een personenauto, een Audi RS7, over de [straat 1] in Amsterdam. Verdachte kwam uit de richting van [straat 2] en ging in de richting van [straat 3] . Het was donker. De maximaal toegestane snelheid ter plaatse was dertig kilometer per uur. [2] Het rijbewijs van verdachte was per 14 augustus 2024 ongeldig verklaard. [3]
Verbalisanten, die in tegengestelde richting over de [straat 1] reden, zagen ter hoogte van de [straat 4] het voertuig van verdachte met hoge snelheid voorbijrijden. Zij hebben hun voertuig vervolgens gekeerd en zijn achter hem aan gereden. Verdacht reed hard van hen vandaan. Verbalisanten reden 130 kilometer per uur, maar het lukte niet om dichter bij het voertuig van verdachte te komen. Zij hebben toen vanwege het risico hun snelheid geminderd en het stopteken en de optische en geluidssignalen van het politievoertuig ingeschakeld. Op dat moment zat er ongeveer tweehonderd meter tussen het politievoertuig en het voertuig van verdachte. De verbalisanten zagen de remlichten van het voertuig van verdachte branden en knipperen. [4]
Intussen reden de latere slachtoffers, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , in een Fiat in dezelfde rijrichting als verdachte op de [straat 1] . Ter hoogte van [straat 5] is verdachte met de rechter voorzijde van zijn auto tegen de linker achterzijde van de Fiat aangereden. De Fiat is vervolgens tot stilstand gekomen tegen een boom aan de rechterzijde van de rijbaan. [5] De Audi van verdachte werd een aantal straten verderop in de [straat 6] aangetroffen door de politie. Het voertuig was midden op de rijbaan achtergelaten en er waren geen personen bij het voertuig aanwezig. [6] Verdachte heeft zich even later, om 01:53 uur, gemeld op de plaats van het incident en kenbaar gemaakt aan de politie dat hij betrokken was bij het ongeval. [7]
Uit onderzoek naar de opgeslagen data in de Event Data Recorder (EDR) van het airbagsysteem van de door verdachte bestuurde Audi is gebleken dat verdachte vijf seconden voorafgaand aan het ongeval met een boordsnelheid van 171 kilometer per uur reed. Tot aan het ongeval heeft hij zijn snelheid verlaagd tot 75 kilometer per uur. In de laatste halve seconde voorafgaand aan het ongeval greep het ESP-systeem in en werd de rem bediend. [8] De oorzaak van het ongeval is volgens het onderzoek zeer waarschijnlijk dat verdachte ten gevolge van de snelheid de controle over de Audi verloor, met het linker voorwiel op een talud reed en vervolgens tegen de Fiat is aangereden. [9]
Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij op de bruiloft van zijn zus in Osdorp was en dat zijn vrouw de Audi RS7 had gehuurd. Omdat het zijn droomauto was is hij na afloop van de bruiloft een rondje gaan rijden in de Audi. Toen hij op de [straat 1] reed verhoogde hij zijn snelheid. Hij zag de blauwe zwaailichten van het politievoertuig achter zich, maar niet het rode stopteken. Toen verdachte het voertuig van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zag trapte hij vol op de rem, maar hij reed zo snel dat hij de macht over het stuur verloor en tegen het voertuig van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is gebotst. Hij voelde de harde klap. Door de schrik heeft hij de plaats van het ongeval verlaten. Verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. [10]
Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij zag dat het politievoertuig omkeerde. Hij schrok omdat hij geen rijbewijs had en toen is hij weggereden. Verder heeft verdachte bij de politie verklaard dat er niks aan de hand was geweest als de politie niet achter hem aan was gekomen. Dan was hij rustig zestig kilometer per uur gaan rijden. [11]
[slachtoffer 2] heeft ten gevolge van het ongeval een gebroken arm en gebroken bekken opgelopen. Zij is voor de breuk in haar arm geopereerd en ze is een week lang behandeld in het ziekenhuis. [12] Op 15 oktober 2025 heeft [slachtoffer 2] verklaard dat ze geen kracht meer heeft in haar arm en moeite heeft met bewegen vanwege haar bekken. Sinds het ongeval werkt ze niet meer en haar opleiding is stopgezet. [13] [slachtoffer 1] heeft ten gevolge van het ongeval een ernstige fractuur in zijn enkel opgelopen. Hij is op 16 mei 2025 geopereerd en hij heeft verklaard dat het herstel negen maanden tot een jaar zal duren. [14] Op 15 oktober 2025 heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hij en [slachtoffer 2] bij zijn schoonouders wonen omdat het zonder ondersteuning niet lukt om in hun eigen huis te wonen. [slachtoffer 1] kan niet veel lopen en volgt fysiotherapie. [15]
3.3.2.
Beoordeling van feit 1 primair (artikel 6 WVW Pro)
Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 WVW Pro komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan.
Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. [16]
Mate van schuld
Vast staat dat verdachte voorafgaand aan de aanrijding met veel te hoge snelheid over de [straat 1] heeft gereden, waar de maximaal toegestane snelheid dertig kilometer per uur was. Verdachte heeft gezien dat de politie was omgekeerd en met optische en geluidssignalen achter hem aan reed. Verdachte is niet gestopt maar heeft zijn snelheid verhoogd en is weggereden. Tijdens de vlucht voor de politie heeft verdachte zijn snelheid zelfs zodanig verhoogd dat de politie het risico te hoog vond om hem met dezelfde snelheid te volgen, waarna de politie vaart heeft geminderd en hem niet meer bijhield. Verdachte heeft het stopteken van de politie genegeerd. Verdachte heeft verklaard dat hij het stopteken niet heeft gezien, maar aangezien hij wel de zwaailichten van de politieauto die achter hem reed heeft gezien en de verbalisanten de remlichten van verdachte hebben gezien vlak voor de aanrijding, gaat de rechtbank ervan uit dat het stopteken van de politie wel zichtbaar is geweest voor verdachte. De omstandigheid dat hij dit stopteken niet heeft gezien omdat hij met een enorme snelheid van de politie wegreed, verontschuldigt hem niet. Verdachte heeft dusdanig hard gereden - vlak voor het ongeval reed hij met een boordsnelheid van 171 kilometer per uur - dat hij niet meer in staat was adequaat te reageren op gedragingen van andere verkeersdeelnemers. Verdachte kon niet tijdig en voldoende afremmen, is de macht over het stuur verloren, op een talud gereden en tegen het voertuig van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aangereden. Verdachte heeft door ter plaatse met deze snelheid te rijden onaanvaardbare risico’s genomen en de rechtbank is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat verdachte ernstig tekort is geschoten in de voorzichtigheid en oplettendheid die van hem als bestuurder van een personenauto mag worden verwacht.
Gelet op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval - zoals hiervoor overwogen - is de rechtbank van oordeel dat het ongeval aan verdachte zijn schuld te wijten is, omdat verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden.
Zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank stelt vast dat het hiervoor omschreven letsel van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , dat is veroorzaakt door het ongeval, van dien aard was dat medisch ingrijpen noodzakelijk was. Uit hun verklaringen van 15 oktober 2025 blijkt bovendien dat zij op dat moment nog niet hersteld waren. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat dit letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.
Conclusie
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.
3.3.3.
Beoordeling feit 2 (artikel 7 WVW Pro)
De rechtbank acht dit feit bewezen en overweegt hiertoe als volgt.
Op grond van de in rubriek 3.3.1. genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte als betrokkene bij een verkeersongeval de plaats van het ongeval heeft verlaten. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij een harde klap voelde toen hij met zijn voertuig met hoge snelheid tegen het voertuig van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] botste. De Fiat met daarin de slachtoffers is vervolgens tegen een boom tot stilstand gekomen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte gelet daarop redelijkerwijs moest vermoeden dat aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] schade en letsel was toegebracht. Verdachte heeft vervolgens de plaats van het ongeval verlaten zonder zich te bekommeren om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zo te handelen de slachtoffers in een hulpeloze toestand heeft achtergelaten.
Voor het in hulpeloze toestand achterlaten van een persoon geldt niet de uitsluitingsgrond voor strafvervolging dat een verdachte zich er nog op kan beroepen dat hij zich later nog gemeld heeft bij de politie. De inkeerbepaling van artikel 184 WVW Pro is daarom niet van toepassing. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde onder feit 2 heeft begaan.
3.3.4.
Beoordeling feit 3 (artikel 9 WVW Pro)
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor in rubriek 3.3.1. is vastgesteld, ook dit feit kan worden bewezen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in rubriek 3.3.1, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat, bewezen dat verdachte:
1.
op 3 mei 2025 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de [straat 1] , zich zodanig, te weten zeer, onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,
waardoor [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten
voornoemde [slachtoffer 2] een gebroken bekken en een gebroken arm, en
voornoemde [slachtoffer 1] een gebroken enkel,
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft gereden over de [straat 1] , komende uit de richting van [straat 2] en gaande in de richting van [straat 3] ,
- terwijl het donker was,
- terwijl verdachte reed met een snelheid die veel hoger was dan de ter plaatse toegestane snelheid van 30 kilometer per uur, immers had verdachte (ongeveer) 5 seconden voor de aanrijding gereden met een snelheid van (ongeveer) 171 kilometer per uur,
- terwijl verdachte een stopteken als bedoeld in artikel 83 van Pro Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 had genegeerd,
verdachte heeft niet of in onvoldoende mate gelet op het direct voor hem gelegen weggedeelte van die [straat 1] en de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig, in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet zodanig geregeld dat hij, verdachte, in staat was dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die [straat 1] kon overzien en waarover deze vrij was,
verdachte is, gekomen ter hoogte van [straat 5] , bij het naderen van de voor hem rijdende personenauto waarin voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] reden, niet tijdig en voldoende afgeremd en heeft de macht over het stuur verloren,
verdachte is vervolgens op de [straat 1] ter hoogte van [straat 5] tegen een talud gereden,
verdachte is vervolgens tegen de voornoemde personenauto waarin voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] reden, aangereden, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tegen een boom zijn gebotst,
ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voren omschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.
2.
als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Amsterdam aan de [straat 1] op 3 mei 2025, de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ) letsel en schade was toegebracht en een ander (te weten voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;
3.
op 3 mei 2025 te Amsterdam, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie, B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de [straat 1] , als bestuurder een personenauto van die categorie heeft bestuurd.

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen

7.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daaraan moeten de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden. Verder heeft de officier van justitie een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen (OBM) gevorderd voor de duur van 4 jaar.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte en zijn proceshouding, nu hij direct na het ongeval een verklaring heeft afgelegd bij de politie. Oplegging van een taakstraf van 240 uur, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een OBM van 2 jaar is volgens de raadsman passend.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich, in een poging om aan de politie te ontkomen, als bestuurder van een personenauto schuldig gemaakt aan zeer gevaarlijk rijgedrag. Hij heeft met een extreem veel te hoge snelheid over de [straat 1] gereden, dit terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Vervolgens is hij de macht over het stuur kwijtgeraakt en tegen de achterkant van het voertuig van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aangereden, die daardoor tegen een boom tot stilstand is gekomen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Door zijn onverantwoorde rijgedrag heeft verdachte onaanvaardbare risico’s genomen voor de verkeersveiligheid. Vervolgens heeft verdachte de plaats van het ongeval verlaten. Hij heeft zich niet bekommerd om het welzijn van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en heeft hen in hulpeloze toestand achtergelaten.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 30 maart 2026, waaruit blijkt dat hij twee keer een strafbeschikking heeft gekregen voor het rijden onder invloed van drugs. Verder zijn er meerdere strafbeschikkingen aan verdachte opgelegd voor snelheidsovertredingen.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 29 april 2024. Uit het onderzoek van de reclassering komt een beeld naar voren van een man die zijn leven (nog) niet op orde heeft. Hij heeft ruim een half jaar vastgezeten in België en als gevolg daarvan is hij in een echtscheiding gekomen en is hij zijn woning kwijtgeraakt. Het ontbreekt verdachte aan een dagbesteding en een inkomen. De reclassering acht het van belang dat verdachte leert om de gevolgen van zijn gedrag te overzien. Bij een veroordeling wordt geadviseerd om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, het volgen van een opleiding en het vinden en behouden van een dagbesteding.
Strafoplegging
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Bij een overtreding van artikel 6 WVW Pro, waarbij sprake is zeer hoge mate van schuld en zwaar lichamelijk letsel, noemen de oriëntatiepunten als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden en een OBM voor de duur van 2 jaar. Voor overtreding van artikel 9 WVW Pro geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken. Voor overtreding van artikel 7 WVW Pro is geen oriëntatiepunt geformuleerd. Gelet op de ernst van de feiten en de recidive, bestaat aanleiding om in het nadeel van verdachte van genoemde oriëntatiepunten af te wijken.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend en geboden is. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Aan de proeftijd zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden. Daarnaast wordt een rijontzegging (OBM) voor de duur van 4 jaar opgelegd.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 9, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 primair:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
Ten aanzien van feit 2:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdelen a en c, van de Wegenverkeerswet 1994
en
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Ten aanzien van feit 3:
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[de verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.
Bepaalt dat
een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf
niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijd van 2 (twee) jaarvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1.
Meldplicht bij reclassering
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt veroordeelde zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres] .
2.
Ambulante behandeling
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd behandelen door forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen van zijn gedrag.
3.
Volgen van opleiding (volwassenenstrafrecht)
Veroordeelde volgt een opleiding of heeft een andere structurele dagbesteding.
4.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Ontzegtverdachte wegens de overtreding van artikel 6 WVW Pro
de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de tijd van
4 (vier) jaar.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.M. Beunk, voorzitter,
mrs. D. Bode en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 mei 2026.
[…]

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Proces-verbaal aanrijding misdrijf met nummer 2025107049-1, p. 7 en 9.
3.Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2025107049-13, inclusief bijlagen, p. 215 t/m 222.
4.Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2025106995-3, p. 194 en Proces-verbaal FO Verkeer, forensisch onderzoek plaats delict, p. 17.
5.Proces-verbaal FO Verkeer, forensisch onderzoek plaats delict, p. 79.
6.Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2025106995-3, p. 195.
7.Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2025106995-12, p. 205.
8.Proces-verbaal FO Verkeer, onderzoek EDR-data, p. 92.
9.Proces-verbaal FO Verkeer, forensisch onderzoek plaats delict, p. 79.
10.Verklaring van verdachte op de zitting van 7 mei 2026, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die zitting.
11.Proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2025107049-2, p. 256 en 258.
12.Een geschrift, te weten een letselverklaring van het OLVG, locatie west van 3 mei 2025, p. 248 en 249 en proces-verbaal van verhoor slachtoffer met nummer 2025107049-10, p. 236 en 237.
13.Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2025107049-14, p. 252.
14.Een geschrift, te weten een letselverklaring van het OLVG, locatie west van 3 mei 2025, p. 242 en een proces-verbaal van verhoor slachtoffer met nummer 2025107049-9, p. 232.
15.Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2025107049-14, p. 252.
16.HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822.