De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 mei 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor de overlevering van een Poolse verdachte. Eerder had de rechtbank bij een tussenuitspraak op 2 april 2026 geoordeeld dat er een individueel reëel gevaar bestond voor schending van de grondrechten van de verdachte vanwege de detentieomstandigheden in Polen, en had de beslissing over de overlevering geschorst en aangehouden.
De Poolse autoriteiten verstrekten op 21 april 2026 aanvullende informatie over de detentieomstandigheden, waaronder de minimale tijd voor buitenlucht en de naleving van mensenrechten. De raadsman van de verdachte betwistte echter dat deze informatie voldoende was om het reële gevaar uit te sluiten, met name vanwege het ontbreken van duidelijkheid over de persoonlijke celruimte en de tijd buiten de cel.
De rechtbank concludeerde dat de aanvullende informatie onvoldoende was om het reële gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling uit te sluiten, mede omdat niet kon worden vastgesteld dat de verdachte minimaal 3 m2 persoonlijke leefruimte zou hebben. Gezien het verstreken redelijke termijn en het ontbreken van een wijziging in omstandigheden, wees de rechtbank het EAB af en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot in behandeling neming van het EAB. Tevens werd de geschorste overleveringsdetentie opgeheven.