Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3299

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
13-270733-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 27 OLWArt. 29 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over aanhouding en overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel met beoordeling detentieomstandigheden in Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 19 maart 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen voor de overlevering van een Poolse verdachte die wordt verdacht van meervoudige diefstal met braak en valse sleutels. De verdachte verscheen met raadsman en tolk. De rechtbank verlengde de beslistermijn met 30 dagen en schorste de gevangenhouding.

De rechtbank constateerde dat er een algemeen reëel gevaar bestaat dat in Polen het recht op een eerlijk proces en de detentieomstandigheden niet worden gewaarborgd. Hoewel de verdachte geen concreet individueel gevaar aantoonde voor schending van het recht op een eerlijk proces, is het algemene gevaar voor schending van grondrechten in de Poolse voorlopige hechtenis (remand regime) niet weggenomen.

De Poolse autoriteiten konden niet garanderen dat de verdachte minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven en dat hij 3 m2 leefruimte exclusief sanitair zal hebben. De rechtbank achtte dit onvoldoende om het algemene gevaar weg te nemen en stelde vast dat er een individueel gevaar bestaat voor schending van grondrechten bij overlevering.

Daarom hield de rechtbank de beslissing aan op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, met een redelijke termijn van 30 dagen om te beoordelen of de omstandigheden wijzigen. De termijn voor de uitspraak werd met 60 dagen verlengd en de geschorste gevangenhouding eveneens. De zaak wordt opnieuw ingepland na het verstrijken van de termijn, uiterlijk tussen 1 en 11 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing over de overlevering aan vanwege onvoldoende detentiegarantie en stelt een redelijke termijn van 30 dagen voor nadere beoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-270733-25
Datum uitspraak: 2 april 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 22 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 september 2025 door de
Sąd Okręgowy w Poznaniu [Regional Court in Poznań], Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1962,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 maart 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen onder gelijktijdige schorsing van de gevangenhouding tot aan de uitspraak.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
decision of the District Court in Grodzisk Wielkopolskivan 25 oktober 2024 met kenmerk II Kp 171/24.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

5.Artikel 11 OLW Pro

5.1
Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
5.2
Artikel 11 OLW Pro: Poolse detentieomstandigheden
Inleiding
Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon (nog) niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven, oftewel in het zogenoemde
remand regime.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen terechtkomen. Het kernpunt is dat in het
remand regimeslechts drie vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt. De rechtbank verwijst in dit kader naar haar tussenuitspraken in soortgelijke zaken van 5 juni 2024 [6] en 6 juni 2024. [7]
De vaststelling van een algemeen gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het
remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het
remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
Het Internationaal Rechtshulp Centrum (hierna: IRC) heeft op 27 januari 2026 vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de detentieomstandigheden.
Bij bericht van 2 februari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende, voor zover relevante, informatie verstrekt:
“1. At present, it is not possible to specify the particular remand centre where [de opgeëiste persoon] will be detained, however, it is usually the remand centre closest to the court that will hear the case of the remanded person.
2. According to Polish law, the floor space per inmate in a cell shall be no less than 3 m2.
(…)
3. lt is not possible to guarantee that [de opgeëiste persoon] will be allowed to spend at least two hours outside his cell.
(…)
4. We cannot specify the exact amount of time that [de opgeëiste persoon] could spend outside his cell under normal circumstances if he took advantage of all the opportunities to leave his cell that were available to him.
(…)
Furthermore, we would also like to emphasize that the Republic of Poland meets all standards applicable to European Union countries in terms of prison conditions and does not violate human rights, therefore there is no risk that the requested person will be subjected to inhuman or degrading treatment - penitentiary units are regularly inspected by designated judges who check whether the regulations conceding the enforcement of prison sentence’s and human rights are observed in a given unit.”
Het IRC heeft vervolgens op 12 februari 2026 nadere vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Bij bericht van 18 februari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende, voor zover relevante, informatie verstrekt:
“1) Due to the fact that the European Arrest Warrant for [de opgeëiste persoon] was issued in connection with the decision of the District Court in Grodzisk Wielkopolski of 25 October 2024, at the request of the District Public Prosecutor’s Office in Grodzisk Wielkopolski, [de opgeëiste persoon] will most likely be imprisoned in the Penitentiary in Wronki, External Division in Szamotuly, which is the penitentiary unit competent for persons in pre-trial detention at the disposal of the District Public Prosecutors Office in Grodzisk Wielkopolski, in accordance with the regionalisation adopted by the Prison Service.
2) With regard to question 2, we maintain our response from the correspondence of 2 February 2026 – it is not possible to guarantee that [de opgeëiste persoon] will be able to spend at least two hours outside his cell. In accordance with Polish law, prisoners are entitled to rest to maintain good health, in particular to have at least 1 hour of walking and 8 hours of sleep per day. In addition, remand prisoners who stand out for the compliance with internal order in the remand centre and the rules set out in the organisational and procedural regulations for the execution of remand detention may be granted rewards – one of which is the opportunity to take a longer or additional walk, beyond the norm specified for each inmate. An hour-long walk is the minimum to which every inmate is entitled, but the amount of time spent outside the cell may be longer and also depends on the behavior of the inmate in question.
(…)”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd. Uit de reactie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 18 februari 2026 blijkt niet dat kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering tenminste 2 uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. In de laatste alinea van de aanvullende informatie van 2 februari 2026 staat weliswaar dat aan alle standaardregels wordt voldaan, maar blijkens de aanvullende informatie van 18 februari 2026 kan dit kennelijk niet worden gegarandeerd met betrekking tot de tijd die gedetineerden buiten hun cel kunnen verblijven. Nu het algemene gevaar dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering kan worden blootgesteld aan een schending van zijn grondrechten niet wordt weggenomen door een individuele garantie, dient de overlevering te worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de detentieomstandigheden en de verstrekte aanvullende informatie gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het Openbaar Ministerie heeft een aantal keer geprobeerd een afdoende detentiegarantie te krijgen. De detentiegarantie zoals die nu is verstrekt is onvoldoende om het gestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Bij deze stand van zaken kan de opgeëiste persoon niet worden overgeleverd. De rechtbank zou wellicht nogmaals vragen kunnen stellen over de detentieomstandigheden aan de Poolse autoriteiten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat met de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte aanvullende informatie het vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen voor de opgeëiste persoon. Uit de verstrekte informatie blijkt niet ondubbelzinnig dat de opgeëiste persoon 3 m2 persoonlijke leefruimte exclusief sanitair tot zijn beschikking zal hebben. Daarnaast kan de rechtbank aan de hand van de verstrekte informatie niet vaststellen hoeveel uur per dag de opgeëiste persoon onder normale omstandigheden gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven, indien hij aan alle aangeboden activiteiten deel zou nemen. Op basis van de verstrekte informatie kan de rechtbank ook niet een bredere afweging van de invulling van een gemiddelde dag van de opgeëiste persoon in het Poolse
remand regimemaken. [8]
De rechtbank stelt dan ook vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank is van oordeel dat die situatie hier niet aan de orde is. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet.
Dit betekent dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aanhoudt. De rechtbank stelt daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn vast van dertig dagen.
De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van de redelijke termijn van dertig dagen (op 1 mei 2026) of uiterlijk tien dagen daarna, dus tussen 1 mei 2026 en 11 mei 2026, zodat kan worden nagegaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal op grond van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging ter zitting af op 19 april 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder c, OLW de beslistermijn verlengen met zestig dagen. Op grond van artikel 27, derde lid, OLW zal de (geschorste) gevangenhouding eveneens met zestig dagen worden verlengd.

6.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het verstrijken van de redelijke termijn (die verstrijkt op 1 mei 2026),
namelijk in de periode van 1 mei 2026 tot en met 11 mei 2026.
HOUDT AANde beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGTop grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met zestig dagen (eindigend op 18 juni 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGTop grond van artikel 27, derde lid, OLW de (geschorste) gevangenhouding van de opgeëiste persoon met zestig dagen;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
6.Rechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311.
7.Rb. Amsterdam 6 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3365.
8.Vgl. Rechtbank Amsterdam, 1 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7310.