Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5500

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
12189228 CV EXPL 26-5664
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 93/13 EGArt. 6:96 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling huurachterstand en ontruimingskosten na ontruiming woning

Eisende partij, een woningstichting, vordert betaling van huurachterstand en ontruimingskosten van de gedaagde, die niet is verschenen. De huurovereenkomst tussen partijen betreft een woning die op 6 februari 2023 ontruimd is na een kort geding.

De kantonrechter toetst ambtshalve de huurovereenkomst en algemene voorwaarden aan Richtlijn 93/13 EG inzake oneerlijke bedingen. Het huurprijsbeding en servicekostenbeding worden als kernbedingen aangemerkt en uitgesloten van toetsing. Het opslagbeding voor huurverhoging wordt als oneerlijk beoordeeld, maar de vordering is beperkt tot de CPI-indexatie, waardoor dit beding niet verder wordt getoetst.

De renteclausule in de algemene voorwaarden is oneerlijk omdat deze een te hoge rente van 1% per maand voorschrijft. Ook de bepalingen over buitengerechtelijke incassokosten zijn oneerlijk omdat zij niet duidelijk maken dat de wettelijke regeling geldt en mogelijk hogere kosten in rekening brengen dan toegestaan. Deze bedingen worden buiten toepassing gelaten.

De vordering wordt verder niet onrechtmatig bevonden en toegewezen. De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 2.180,74 aan huurachterstand, € 6.463,87 aan ontruimingskosten en proceskosten van in totaal € 1.144,77. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van huurachterstand, ontruimingskosten en proceskosten na toetsing op oneerlijke bedingen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12189228 CV EXPL 26-5664
vonnis van: 22 mei 2026
fno.: 506

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de stichting Woningstichting Eigen Haard

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam
eisende partij
gemachtigde: KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen
t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen

Verloop van de procedure

Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.

Gronden van de beslissing

1. Eisende partij vordert in deze procedure betaling van huurachterstand en ontruimingskosten (transport/opslag/stortkosten) vermeerderd met rente en kosten.
2. Tussen partijen bestond een huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres]. Eisende partij heeft deze op 30 juli 2014 tussen partijen gesloten huurovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde Algemene voorwaarden voor woonruimte d.d. 1 oktober 2008 (hierna: de algemene voorwaarden) in het geding gebracht.
3. De betreffende woning is, aldus eisende partij, op 6 februari 2023 ontruimd op grond van een op 13 januari 2023 gewezen vonnis in kort geding. De kosten van de voorgenoemde ontruiming (transport/opslag/stortkosten) bedroegen € 6.463,87. De betreffende nota van de gemeente heeft eisende partij bij dagvaarding overgelegd.

Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen

4. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).
5. Eisende partij heeft bij dagvaarding het standpunt ingenomen dat in de algemene voorwaarden geen bepalingen staan die kunnen worden aangemerkt als oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13 EEG.
6. Het huurprijsbeding en het servicekostenbeding in de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van Pro de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
7. Er is sprake van geliberaliseerde huur. De bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten de artikelen 6 lid 2 (huurprijswijziging) en 7 lid 1 (wijziging voorschot servicekosten) van de algemene voorwaarden) zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden.

Huurverhogingsbeding in de huurovereenkomst (beperking)

8. Artikel 6 (6.1 t/m 6.9) van de huurovereenkomst heeft betrekking op huurprijswijziging. In artikel 6.3 van de huurovereenkomst is bepaald dat de huurprijswijziging jaarlijks volgens de consumentenprijsindex (CPI) zal plaatsvinden, daarnaast is in artikel 6.4 een opslagbeding van maximaal 5% opgenomen. Uit de toelichting van eisende partij volgt dat zij deze bedingen heeft gebruikt om de huur te verhogen. De kantonrechter acht het indexatiebeding niet oneerlijk, maar het opslagbeding wel oneerlijk. Uit de stellingen van eisende partij in de dagvaarding blijkt dat zij huurverhoging(en) heeft doorgevoerd die hoger zijn dan de CPI index. Eisende partij heeft haar vordering voorts in de dagvaarding beperkt met de huurverhoging(en) op basis van het opslagbeding en daartoe in het staatje (2014 tot en met 2022) op bladzijde 3 van de dagvaarding een berekening gegeven. Nu eisende partij thans enkel nog huurverhogingen op grond van de CPI index vordert, kan het toetsen van artikel 6.4 van de huurovereenkomst (opslagbeding) achterwege blijven.
9. Opgemerkt wordt nog dat de artikelen 6.8 en 6.9 van de huurovereenkomst en artikel 6 lid 3 van Pro de algemene voorwaarden in dit geval niet door de kantonrechter worden getoetst. Deze artikelen geven zowel de verhuurder als de huurder de bevoegdheid om herziening van de huurprijs voor te stellen door middel van aanpassing van de huurprijs aan de ontwikkelingen van de markthuurprijs. Uit het staatje (2014 tot en met 2022) op bladzijde 3 van de dagvaarding volgt niet dat een huurprijsaanpassing in voorgenoemde zin heeft plaatsgevonden. Er is dus geen aanwijzing dat de vordering (deels) op deze bedingen gegrond is.
10. Voorts zijn wel de artikelen 24 lid 2 tot en met 24 lid 4 van de algemene voorwaarden door de kantonrechter getoetst. Deze artikelen luiden als volgt.

Artikel 24 In Pro verzuim zijn

1. (….)
2. Als huurder verzuimt tijdig en volledig de huursom of andere afgesproken bedragen te betalen is hij 1% rente per maand verschuldigd. De rente geldt over het verschuldigde bedrag vanaf de vervaldatum tot aan de dag van algehele voldoening van het bedrag. Hierbij wordt een gedeelte van een maand als een volle maand aangemerkt.
3. Als huurder of verhuurder toerekenbaar tekortschiet in het nakomen van enige verplichting die wettelijk of door de huurovereenkomst op hem rust en de andere partij moet daarvoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen nemen, dan zijn alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van de tekortschietende partij.
4. Als het tekortschieten bestaat uit de niet tijdige betaling van een geldsom en in verband met de incassering daarvan buitengerechtelijke kosten moeten worden gemaakt, zijn deze hierbij bepaald op tenminste 15% van het verschuldigde bedrag met een minimum van € 125,-. (...)
11. Ten aanzien van artikel 24 lid Pro 2, zoals hiervoor is geciteerd, geldt dat de afgesproken rente aanzienlijk hoger is dan de wettelijke rente. Het rentebeding is daarom oneerlijk.
12. De kantonrechter is van oordeel dat de bedingen over buitengerechtelijke incassokosten, zoals opgenomen in artikel 24 lid 3 en Pro 24 lid 4 van de algemene voorwaarden oneerlijk zijn, omdat uit de redactie van die bedingen niet (voldoende duidelijk) blijkt dat de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten) in het geval van een consument moet worden toegepast. Dit kan ertoe leiden dat hogere kosten voor rekening van de consument komen dan wettelijk is toegestaan. De bedingen over buitengerechtelijke incassokosten zijn daarom oneerlijk
13. Artikel 24 lid 3 is Pro voorts ook oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv Pro kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.
14. Het voorgaande betekent dat de onder r.o. 10 geciteerde bedingen buiten toepassing worden gelaten en de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.
De vordering
15. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze zal worden toegewezen.
16. Gedaagde partij zal worden veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING

De kantonrechter:
veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:
€ 2.180,74 ter zake van achterstallige huur met betrekking tot de woning [adres], berekend tot en met de ontruiming van woning (6 februari 2023);
€ 6.463,87 ter zake van ontruimingskosten;
veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,77 aan explootkosten, € 360,00 aan salaris gemachtigde, € 559,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.