ECLI:NL:RBAMS:2026:5507

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
12158166 CV EXPL 26-4560
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 103 RvArt. 2 Besluit Gemeentelijke SchuldhulpverleningRichtlijn 93/13 EGArt. 555 RvArt. 444 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand met toetsing oneerlijke bedingen

Eisende partij, een woningstichting, vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning vanwege huurachterstand. Gedaagde partij is niet verschenen, waarna verstek is verleend. De kantonrechter is bevoegd ondanks dat gedaagde buiten het arrondissement woont.

De huurovereenkomst en de algemene voorwaarden zijn ambtshalve getoetst aan Richtlijn 93/13 EG inzake oneerlijke bedingen. Het huurprijsbeding is transparant en kernbeding, en dus niet oneerlijk. Het servicekostenbeding is niet transparant maar niet oneerlijk vanwege verrekening op werkelijke kosten. Diverse andere bedingen zijn getoetst; enkele zijn oneerlijk en worden buiten toepassing gelaten, waaronder het proceskostenbeding en het cumuleren van rente en boete.

De kantonrechter ontbindt de huurovereenkomst, veroordeelt gedaagde tot ontruiming binnen twee weken en tot betaling van €5.506,46 achterstallige huur tot 28 februari 2026 plus €682,18 per maand tot ontruiming. Proceskosten worden toegewezen conform liquidatietarief. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden, gedaagde veroordeeld tot ontruiming binnen twee weken en betaling van achterstallige huur en proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12158166 CV EXPL 26-4560
vonnis van: 8 mei 2026
fno.: 506

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de stichting Woningstichting Rochdale

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam
eisende partij
gemachtigde: GGN Mastering Credit Rotterdam
t e g e n

[gedaagde]

wonende in de Filipijnen, derhalve zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland
gedaagde partij
niet verschenen

Verloop van de procedure

Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.

Gronden van de beslissing

1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen.
2. Nu het gehuurde is gelegen in het arrondissement van deze rechtbank, is de kantonrechter ingevolge het bepaalde in artikel 103 Rv Pro bevoegd om van deze vordering kennis te nemen, ondanks dat de woonplaats van gedaagde partij buiten dit arrondissement is gelegen.
Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening
3. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.

Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen

4. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).
5. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres] en de daarop van toepassing zijnde Algemene Huurvoorwaarden Woonruimte (versie 2018) Woningstichting Rochdale (verder: de algemene voorwaarden) in het geding gebracht.
6. Eisende partij heeft bij dagvaarding het standpunt ingenomen dat in de algemene voorwaarden geen bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn.
7. Het huurprijsbeding (artikel 4.2 (eerste zin) van de huurovereenkomst) is een kernbeding. Dit beding is transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van Pro de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
8. Het servicekostenbeding (artikel 4.3 van de huurovereenkomst) is ook een kernbeding. Dit beding is niet transparant, omdat niet is vermeld waaruit de servicekosten bestaan. De in dit artikel aangekondigde specificatie (bijlage C) van de door of vanwege de verhuurder te verzorgen bijkomende leveringen en diensten is niet bijgevoegd. Omdat het gaat om een voorschotbedrag, dat blijkens de artikelen in de algemene voorwaarden periodiek wordt afgerekend op basis van de werkelijke kosten, is echter geen sprake van een situatie waarin het evenwicht tussen verhuurder en huurder wordt verstoord. Het beding is daarom, hoewel niet transparant, niet oneerlijk.
9. De bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten artikel 4.2 (tweede zin - huurprijswijziging) van de huurovereenkomst en artikel 4.2 (wijziging voorschot servicekosten) van de algemene voorwaarden zijn getoetst en worden niet oneerlijk bevonden.
10. Ook de artikelen 6.1, 13.1, 13.2 (eerste alinea) en 15 van de algemene voorwaarden zijn getoetst. Deze artikelen luiden als volgt:

Artikel 6

6.1
Huurder voldoet de te betalen prijs voor het gehuurde in zijn geheel, bij vooruitbetaling, vóór de eerste van de maand door betaling van het verschuldigde bedrag op de door verhuurder aangegeven wijze. Vanaf de eerste dag van de maand is huurder voor de termijn voor die maand in verzuim en is hij wettelijke rente verschuldigd.

Artikel 13

13.1
Indien één der partijen in verzuim is met de nakoming van enige verplichting, welke ingevolge de wet en/of de huurovereenkomst op hem rust en daardoor door de andere partij gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moeten worden genomen, zijn alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van die ene partij.
13.2
Indien één van de partijen een uit hoofde van de overeenkomst of uit andere hoofde overeengekomen verschuldigd bedrag niet volledig en stipt op de vervaldag voldoet, dan verkeert deze partij direct vanaf de vervaldag in verzuim en is deze partij vanaf die dag de wettelijke rente verschuldigd.
(…..)

Artikel 15

Indien huurder enige bepaling uit deze Algemene Huurvoorwaarden overtreedt, is huurder ten behoeve van verhuurder een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd van € 25,-- (prijspeil november 2013 geïndexeerd volgens de CBS Consumentenprijsindex, Alle Huishoudens) per kalenderdag met een maximum van € 15.000,--, onverminderd de verplichting van huurder om alsnog overeenkomstig deze Algemene Huurvoorwaarden te handelen en onverminderd het recht van verhuurder op schadevergoeding.
11. Over de artikelen 6.1, 13.2 (eerste alinea) en 15 van de algemene voorwaarden wordt het volgende overwogen. Artikelen 6.1 en 13.2 (eerste alinea) zijn op zichzelf niet oneerlijk, nu daarin aanspraak wordt gemaakt op wettelijke rente. Door de combinatie van deze bedingen met artikel 15 kan Pro eisende partij in geval van niet-tijdige betaling van de huur echter zowel aanspraak maken op rente als op een boete. Dat is oneerlijk.
12. Het voorgaande betekent dat de betreffende bedingen buiten toepassing worden gelaten en de gevorderde wettelijke rente niet toewijsbaar is.
13. Ook artikel 13.1 van de algemene voorwaarden is oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv Pro kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.
De vordering
14. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de ontruimingstermijn nog is overwogen.
14. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken.

BESLISSING

De kantonrechter:
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak (de woning) aan het adres [adres];
veroordeelt gedaagde partij om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin vanwege gedaagde partij bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;
veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:
a) € 5.506,46 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 28 februari 2026;
b) € 682,18 per maand vanaf 1 maart 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt;
veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van de eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,02 aan explootkosten, € 360,00 aan salaris gemachtigde, € 559,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kraak, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.