Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5542

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
13/345248-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 282 SrArt. 317 SrArt. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 2 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentieomstandigheden in Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 3 juni 2026 het verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De verdachte wordt verdacht van meerdere strafbare feiten, waaronder afpersing en verboden handelen volgens de Opiumwet, waarvoor nog een reststraf van ruim twee jaar openstaat.

De verdediging voerde onder meer aan dat de detentieomstandigheden in Polen ontoereikend zijn en dat de overlevering onevenredig zou zijn, mede omdat de verdachte zijn leven in Nederland heeft opgebouwd en een van de feiten niet strafbaar is in Nederland. De rechtbank oordeelde dat er geen objectief en actueel bewijs is voor onmenselijke detentieomstandigheden in Polen en dat de structurele gebreken in de Poolse rechtsorde geen concreet individueel gevaar voor de verdachte opleveren.

Verder verwierp de rechtbank het beroep op onevenredigheid, omdat de verdachte niet voldeed aan de voorwaarden voor toepassing van alternatieve kaderbesluiten en er geen bijzondere omstandigheden waren die overlevering zouden moeten verhinderen. De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn, waardoor de overlevering wordt toegestaan.

De rechtbank nam tevens expliciet op dat de dagen die de verdachte in Nederland in overleveringsdetentie heeft doorgebracht, van de reststraf in Polen zullen worden afgetrokken conform het toepasselijke kaderbesluit. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks bezwaren over detentieomstandigheden en evenredigheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/345248-25
Datum uitspraak: 3 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 27 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 20 november 2025 door de
Sąd Okręgowy in Kielce, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. J.P.W. Temminck Tuinstra, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
judgment issued by the Regional Court Kielce dated on 29 April 2022(II K 1693/21).
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar, vijf maanden en vijf dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
De raadsvrouw heeft nadrukkelijk verzocht om in deze uitspraak op te nemen dat de dagen die de opgeëiste persoon in Nederland in overleveringsdetentie heeft doorgebracht van het strafrestant worden afgetrokken.
De officier van justitie heeft aangegeven dat aan de wens van de raadsvrouw tegemoet wordt gekomen omdat bij de feitelijke overlevering aan de Poolse autoriteiten wordt meegedeeld hoelang de opgeëiste persoon in overleveringsdetentie heeft gezeten en volgens artikel 26 van Pro Kaderbesluit 2002/584/JBZ EAB zullen deze dagen van de Poolse reststraf worden afgetrokken.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de door de officier van justitie genoemde werkwijze niet zal worden gevolgd en vertrouwt erop dat de dagen die de opgeëiste persoon in Nederland in overleveringsdetentie heeft gezeten conform het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Poolse reststraf zullen worden afgetrokken.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat zich de omstandigheid van artikel 12, sub a, OLW heeft voorgedaan. In het EAB staat dat de opgeëiste persoon op 20 april 2022 in persoon is gedagvaard, waarbij hij is geïnformeerd over de zittingsdatum en -plaats en dat in zijn afwezigheid ook een beslissing kan worden genomen. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.

4.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten I, II, III, V niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
I. afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
II. opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven/beroofd houden;III. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;V. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het feit onder IV kan niet naar Nederlands recht worden gekwalificeerd, omdat de informatie ontbreekt welke psychotrope stof het betreft. De strafbaarheid van dit feit kan dus niet worden vastgesteld en de overlevering zou voor dit feit kunnen worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond, omdat het feit geen aanknopingspunt heeft met de Nederlandse rechtsorde. Het feit is namelijk begaan door een Poolse onderdaan in Polen. Daar komt bij dat de overlevering voor de overige feiten al toelaatbaar wordt geacht.

5.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden

Standpunt van de raadsvrouw
Hoewel er bij executieoverleveringen door de rechtbank vanuit wordt gegaan dat de detentieomstandigheden in Polen voldoen aan de eisen die het Europees Handvest (de rechtbank begrijpt: het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie) daaraan stelt, heeft de raadsvrouw verzocht om desondanks de zaak aan te houden om hierover in deze zaak toch garanties op te vragen. De detentieomstandigheden in Polen zijn minder gunstig zijn dan de detentieomstandigheden in Nederland en het is de vraag of er aan de CPT-normen wordt voldaan. Daarbij speelt ook een rol dat de rechtbank wel een algemeen gevaar heeft aangenomen voor het ‘remand regime’ in Poolse detentie-instellingen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden geen beletsel vormen voor de overlevering.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat zij geen algemeen reëel gevaar heeft aangenomen dat gedetineerden die een gevangenisstraf uitzitten in Polen het risico lopen te worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende omstandigheden. De raadsvrouw heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit een dergelijk algemeen reëel gevaar voor personen die een gevangenisstraf uitzitten in Polen, blijkt. Daarom hoeft er ook geen detentiegarantie te worden opgevraagd en wijst de rechtbank het verzoek om aanhouding af. De detentieomstandigheden staan niet in de weg aan overlevering.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

7.Evenredigheid

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het uitvaardigen van het EAB niet proportioneel is en dat er andere alternatieven beschikbaar waren. Zo had gebruik kunnen worden gemaakt van Kaderbesluit 2008/909/JBZ en Kaderbesluit 2008/947/JBZ. Het is opportuun om de opgeëiste persoon zijn straf in Nederland te laten uitzitten, omdat hij zijn leven nu in Nederland heeft opgebouwd. Daarbij moet ook worden meegenomen dat het vierde feit niet strafbaar is naar Nederlands recht.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het uitvaardigen van het EAB evenredig is en dat de door de raadsvrouw genoemde Kaderbesluiten niet van toepassing zijn op de opgeëiste persoon.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt, in lijn met eerdere uitspraken van deze rechtbank, dat voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.
Dat neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Gelet op de stelselevenredigheid kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon, is naar het oordeel van de rechtbank van zulke bijzondere omstandigheden in het geval van de opgeëiste persoon niet gebleken. Kaderbesluit 2008/909/JBZ is niet van toepassing op de situatie van de opgeëiste persoon, omdat hij niet heeft aangetoond dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft (gehad). Evenmin is Kaderbesluit 2008/947/JBZ van toepassing, omdat aan de opgeëiste persoon in Polen geen voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, waarvan de voorwaarden verbonden aan de proeftijd aan Nederland zou kunnen worden overgedragen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 282 en 317 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de
Sąd Okręgowy in Kielce(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en E.H. Wisgerhof, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (