Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.[gedaagde 1],
2.
[gedaagde 2],
Rechtbank Amsterdam
De Gemeente Amsterdam vordert betaling van onbetaald gelaten erfpachtcanon, vermeerderd met rente en kosten, tegen twee erfpachters die niet zijn verschenen. De rechtbank stelt vast dat ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden van erfpachtovereenkomsten gesloten na 31 december 1994 verplicht is, conform de jurisprudentie van de Hoge Raad.
De toetsing leidt tot de conclusie dat meerdere bedingen, waaronder boetes en incassokosten, oneerlijk zijn omdat zij een onevenredig hoge schadevergoeding vormen en afwijken van dwingend recht. Hierdoor worden de rente, incassokosten en proceskosten afgewezen. De hoofdsom van € 1.592,38 wordt toegewezen, waarbij de betaling hoofdelijk geldt.
De rechtbank volgt de richtlijnconforme uitleg van artikel 6:233 BW Pro en de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de terugvalleer. De uitspraak bevestigt dat bij erfpachtovereenkomsten na 1994 de consumentenbescherming en toetsing van algemene voorwaarden van toepassing zijn, ook al betreft het een zakelijk recht op onroerende zaak.
De veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde, waaronder proceskostenveroordeling, wordt afgewezen. De uitspraak is gewezen door mr. J.H.J. Evers en op 26 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank wijst de hoofdsom van de erfpachtcanon toe en wijst rente, incassokosten en proceskosten af wegens oneerlijke bedingen.