Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
- de akte van Gemeente Amsterdam, met producties.
Rechtbank Amsterdam
De zaak betreft een vordering van de Gemeente Amsterdam tegen een erfpachter die niet tijdig betaalde. De erfpachtovereenkomst is gesloten vóór de inwerkingtreding van Richtlijn 93/13 EG (31 december 1994), maar de algemene voorwaarden dateren van daarna. De rechtbank stelt vast dat de algemene bepalingen ambtshalve moeten worden getoetst op oneerlijkheid, conform een richtlijnconforme uitleg van artikel 6:233 BW Pro.
De Gemeente Amsterdam betoogt dat de erfpacht geen consumentenovereenkomst is en dat toetsing niet aan de orde is, omdat het recht van erfpacht al in 1962 is gevestigd. De rechtbank volgt dit niet en toetst de algemene voorwaarden. Bepalingen die een boete van maximaal tienmaal de canon en een aanvullende dagboete van 3% per dag mogelijk maken, worden als onevenredig en oneerlijk beoordeeld en blijven buiten toepassing.
Ook het beding dat alle invorderingskosten, inclusief volledige proceskosten, voor rekening van de erfpachter brengt, wordt als oneerlijk aangemerkt en afgewezen. De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskostenveroordeling af. Alleen de hoofdsom van €407,28 wordt toegewezen en de veroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De hoofdsom van €407,28 wordt toegewezen, terwijl wettelijke rente, boetes en kosten wegens oneerlijke bedingen worden afgewezen.