ECLI:NL:RBAMS:2026:5630

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
12085090 \ CV EXPL 26-1444
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:233 BWArt. 10 Richtlijn 93/13/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing hoofdsom erfpachtvordering na toetsing oneerlijke bedingen

De Gemeente Amsterdam vordert betaling van een erfpachtcanon van gedaagden die niet zijn verschenen. De rechtbank stelt vast dat ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden bij erfpachtovereenkomsten gesloten na 31 december 1994 verplicht is, conform de richtlijn 93/13/EG en recente jurisprudentie van de Hoge Raad.

De canon zelf is duidelijk en begrijpelijk en wordt niet betwist. De wijzigingsbeding is niet aan de orde omdat de canon niet is gewijzigd. De algemene voorwaarden bevatten echter meerdere bedingen die cumulatief leiden tot een onevenredig hoge schadevergoeding, zoals een hoge vertragingsrente, een boete tot tienmaal de canon en een aanvullende dagboete van 3% van de canon.

Daarnaast is het beding dat alle invorderingskosten, inclusief proceskosten, voor rekening van de erfpachter komen, onredelijk en strijdig met dwingend recht en jurisprudentie van de Hoge Raad. Daarom worden deze bedingen buiten toepassing gelaten en afgewezen.

De rechtbank veroordeelt gedaagden tot betaling van de hoofdsom minus reeds betaalde bedragen, verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders gevorderde af, waaronder de rente, kosten en proceskosten.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van de hoofdsom van €215,04, rente, kosten en proceskosten worden afgewezen wegens oneerlijke bedingen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12085090 \ CV EXPL 26-1444
Vonnis van 26 mei 2026
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE AMSTERDAM,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Gemeente Amsterdam,
gemachtigde: M.J. van Twuijver,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 maart 2026,
- de akte van Gemeente Amsterdam, met producties.
1.2.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [gedaagden] niet gereageerd op de akte van Gemeente Amsterdam.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis is geoordeeld dat ambtshalve moet worden getoetst. Gemeente Amsterdam is in de gelegenheid gesteld de erfpachtovereenkomst en eventueel daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bij akte in het geding te brengen en zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd.
2.2.
Gemeente Amsterdam heeft bij akte de gevraagde stukken in het geding gebracht. Gemeente Amsterdam stelt zich op het standpunt dat erfpacht een beperkt zakelijk recht is dat op de onroerende zaak rust. Dat recht is niet aan een persoon verbonden, maar aan de zaak. Nu het recht van erfpacht op 1 mei 1996 is gevestigd ten gunste van een rechtspersoon en niet ten gunste van een consument, is geen sprake van een consumentenovereenkomst. Bovendien is Richtlijn 93/13 EG (hierna: de richtlijn) in werking getreden op 31 december 1994 en geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving op 28 oktober 1999. Nu de richtlijn ten tijde van de vestiging van de erfpacht geen Nederlandse wetgeving of geldend recht was, is volgens Gemeente Amsterdam ambtshalve toetsing niet aan de orde.
2.3.
Vooropgesteld wordt dat ambtshalve toetsing van informatieplichten niet aan de orde is, nu Afdeling 2b van Titel 5 van Boek 6 BW pas geldend recht is vanaf 13 juni 2014. Los daarvan zijn overeenkomsten over het doen ontstaan, het verkrijgen of het overdragen van onroerende zaken of rechten op onroerende zaken uitgesloten van toepassing van voornoemde Afdeling.
2.4.
In navolging van het oordeel van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2025:1864, brengt een richtlijnconforme uitleg van het bepaalde in artikel 6:233 onder Pro a BW met zich dat algemene bepalingen bij erfpachtovereenkomsten gesloten na 31 december 1994 [1] ambtshalve moeten worden getoetst.
2.5.
De onderhavige overeenkomst en algemene bepalingen dateren van ná genoemde datum, zodat in deze zaak ambtshalve moet worden getoetst.
2.6.
Het beding over de prijs (de canon) staat op duidelijke en begrijpelijke wijze in de overeenkomst, zodat verdere toetsing van dat beding niet aan de orde is.
2.7.
De hoogte van de canon is niet gewijzigd, zodat het wijzigingsbeding niet aan de vordering ten grondslag ligt en derhalve niet hoeft te worden getoetst.
2.8.
In de algemene voorwaarden staan bedingen die aan de vordering ten grondslag zouden kunnen liggen. Deze luiden als volgt:
artikel 7 – Betaling van de canon
(…)
3.Indien de canon niet tijdig wordt betaald, is een vertragingsrente verschuldigd ter hoogte van één procent (1%) per maand of zoveel meer als de wettelijke rente bedraagt over het achterstallige bedrag, te rekenen vanaf de dag waarop de canon is verschuldigd, waarbij een gedeelte van de maand geldt als een volle maand.
4.Telkens na afloop van een jaar wordt het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.
Artikel 27 – Niet-nakoming van verplichtingen door de erfpachter
(…)
5.Ingeval de niet-nakoming door de erfpachter betreft het niet voldoen aan enige betalingsverplichting, zijn de kosten van de invordering voor rekening van de erfpachter.
Artikel 28 – Boete
1.Wegens het niet, niet tijdig of niet behoorlijk voldoen aan enige verplichting uit de algemene of de bijzondere bepalingen, kunnen Burgemeester en Wethouders besluiten de erfpachter een boete op te leggen van ten hoogste tienmaal het bedrag van de alsdan geldende canon. De boete moet worden betaald binnen een maand na ontvangst van het schrijven waarin de boete is opgelegd.
(…)
3.Naast de bedoelde boete kunnen Burgemeester en Wethouders een extra boete vorderen voor elke dag of gedeelte van een dag dat de niet, niet tijdige of niet behoorlijke nakoming voortduurt. Deze extra dagboete zal ten hoogste drie procent (3%) van de canon bedragen.
(…)5.De kosten van de invordering van de boete zijn voor rekening van de erfpachter.
2.9.
Op grond van de hiervoor geciteerde bepalingen kan Gemeente Amsterdam bij te late betaling, naast contractuele rente, die op zichzelf al hoog is en ten nadele van de consument afwijkt van de wettelijke rente, ook (laten) besluiten om aanvullend daarop een boete op te leggen maximaal 10 maal tienmaal het bedrag van de geldende canon. Dat wordt als onevenredig hoge schadevergoeding aangemerkt, zeker in samenhang met de niet gemaximeerde aanvullende boete van 3% van de canon per dag zolang niet (tijdig) is betaald. Daarmee staan de rechten en verplichtingen van partijen niet langer in een evenredige verhouding tot elkaar. Nu cumulatief moet worden getoetst aangezien de bepalingen allemaal kunnen worden toegepast bij een betalingsachterstand, blijven alle bepalingen buiten toepassing. Nu het beding oneerlijk is, moet het buiten toepassing blijven. Een beroep op aanvullend recht dat van toepassing zou zijn als het beding niet in de algemene voorwaarden zou staan is uitgesloten. De gevorderde wettelijke rente wordt daarom afgewezen.
2.10.
Verder kan Gemeente Amsterdam alle door haar gemaakte kosten van invordering van onbetaald gelaten erfpachtcanon bij de consument in rekening brengen. Dit beding kan zowel buitengerechtelijke als gerechtelijke kosten omvatten en wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regelingen te dien aangaande. De wettelijke regeling over buitengerechtelijke kosten is van dwingend recht. Als wordt afgeweken van dwingend recht, zoals hier, levert dat oneerlijkheid op (zie ECLI:NL:HR:2023:198). Verder heeft Gemeente Amsterdam de mogelijkheid om alle door haar gemaakte kosten in rechte bij de consument in rekening te brengen. Dus ook de volledige kosten van bijvoorbeeld een advocaat. Dat is normaal gesproken slechts het geval wanneer sprake is van misbruik van recht of onrechtmatig handelen. De Hoge Raad heeft bevestigd dat een beding dat het mogelijk maakt om alle kosten in rechte bij de consument in rekening te brengen oneerlijk is (ECLI:NL:HR:2025:820). Ondanks dat de Hoge Raad in het aangehaalde arrest de vraag over de gevolgen daarvan op zijn beurt heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, is de kantonrechter voornemens de proceskosten af te wijzen, gelet op artikel 6 lid 1 van Pro Richtlijn 93/13/EG en de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de ‘terugvalleer’ (o.a. ECLI:EU:C:2021:68 en ECLI:EU:C:2022:971).
2.11.
Gemeente Amsterdam heeft in haar akte gesteld dat als de kantonrechter oordeelt dat bepaalde bedingen als oneerlijk moeten worden aangemerkt, zij afziet van de mogelijkheid om zich daarover uit te laten. Dat betekent dat direct eindvonnis kan worden gewezen.
2.12.
Op grond van het voorgaande is uitsluitend de gevorderde hoofdsom toewijsbaar, waarop de betaling van € 270,00 in mindering strekt zodat resteert een bedrag van € 215,04. De gevorderde wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskostenveroordeling ten laste van [gedaagden] worden afgewezen.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagden] om aan Gemeente Amsterdam te betalen een bedrag van € 215,04 aan hoofdsom,
3.2.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
3.3.
bepaalt dat de veroordeling hoofdelijk geldt, in die zin dat [gedaagden] voor het geheel gehouden zijn tot betaling en dat, als de één (een deel van) de vordering heeft betaald aan Gemeente Amsterdam, ook de ander tegenover Gemeente Amsterdam van (dat deel van) de vordering is gekweten,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af, waaronder de ten laste van [gedaagden] gevorderde proceskostenveroordeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers en in het openbaar uitgesproken op
26 mei 2026.
991

Voetnoten

1.Dit is ingevolge artikel 10 van Pro de richtlijn de datum waarop de richtlijn door de lidstaten diende te zijn geïmplementeerd.