ECLI:NL:RBAMS:2026:570

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
C/13/773664 / FA RK 25-5906
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:227 BWArt. 1:228 BWArt. 1:5 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing meerderjarigenadoptie wegens bijzondere omstandigheden en verschoonbare termijnoverschrijding

De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek tot adoptie van een meerderjarige vrouw door verzoeker, waarbij het minderjarigheidsvereiste van artikel 1:228 lid 1 BW Pro niet werd voldaan. De vrouw kampt met psychische problematiek en heeft een bewogen leven achter de rug, waarbij verzoeker haar vanaf haar geboorte tot op heden heeft gevolgd en bijgestaan.

De rechtbank overwoog dat het weigeren van adoptie in dit geval een ongeoorloofde inmenging in het recht op familie- en gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro) zou vormen. Er waren bijzondere omstandigheden aanwezig die het buiten toepassing laten van het minderjarigheidsvereiste rechtvaardigen, evenals een verschoonbare termijnoverschrijding.

De vrouw ervaart eenzaamheid en gebrek aan verbinding, en ziet verzoeker als haar vader. De rechtbank concludeerde dat de adoptie noodzakelijk is om het familieleven te beschermen en te versterken. De vrouw mag de geslachtsnaam van verzoeker voeren.

De rechtbank sprak de adoptie uit en bevestigde het zwaarwegend emotioneel belang van de vrouw bij het vestigen van de familierechtelijke betrekking met verzoeker. De beschikking werd op 15 januari 2026 uitgesproken door de rechtbank Amsterdam.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot adoptie van de meerderjarige vrouw toe vanwege bijzondere omstandigheden en een verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/773664 / FA RK 25-5906 (LH/MW)
Beschikking van 15 januari 2026 betreffende adoptie van een meerderjarige
in de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de verzoeker,
advocaat mr. E.P.J. Appelman te Alkmaar.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de vrouw] , wonende te [woonplaats 2] , hierna mede te noemen de vrouw
en
[de moeder van de vrouw]
,wonende te [woonplaats 3] , de moeder van de vrouw.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, voorzien van producties, ingekomen op 31 juli 2025;
  • het F-9 formulier van verzoeker van 11 augustus 2025, voorzien van een aanvullende productie.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 december 2025..
Verschenen zijn:
  • verzoeker en zijn advocaat;
  • de vrouw.
De moeder van de vrouw is – alhoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter zitting verschenen.
1.3.
De datum van de beschikking is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
De vrouw is geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1980. Haar moeder is [de moeder van de vrouw] .
2.2.
De vrouw is blijkens haar geboorteakte op [datum erkenning] 1983 erkend door [de erkenner] , geboren op [geboortedatum 2] 1957. De vrouw is vervolgens ‘gewettigd’ door het huwelijk van haar moeder en [de erkenner] op [huwelijksdatum] 1984.
2.3.
[de erkenner] is op [overlijdensdatum] 2006 in [plaats] overleden.
2.4.
Verzoeker en de vrouw hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.Het verzoek

3.1.
Verzoeker verzoekt de adoptie uit te spreken van de vrouw door verzoeker. De vrouw is weliswaar al lang meerderjarig, wat betekent dat er aan het minderjarigheidsvereiste van artikel 1:228 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) onder a, niet wordt voldaan, maar verzoeker meent dat sprake is van bijzondere omstandigheden en van een verschoonbare termijnoverschrijding, die maken dat er aan dit vereiste voorbij dient te worden gegaan. Volgens verzoeker heeft de vrouw een zwaarwegend emotioneel belang bij het verzoek. Verzoeker ziet de adoptie van de vrouw als de voortzetting van de rol die hij al decennialang vervult en ook als voldoening voor alle inspanningen die hij vanuit liefde voor haar heeft gedaan.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 1:227 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geschiedt adoptie door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van twee personen tezamen of op verzoek van één persoon alleen. In het derde lid staat dat het verzoek alleen kan worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang van het adoptiefkind is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het adoptiefkind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden, genoemd in artikel 1:228 BW Pro, wordt voldaan.
4.2.
In artikel 1:228 lid 1 BW Pro zijn vervolgens de voorwaarden voor adoptie neergelegd, waarbij – voor zover hier van belang – in het eerste lid onder a is bepaald dat het adoptiefkind op de dag van het eerste verzoek tot adoptie minderjarig is. Deze bepaling is van dwingend recht, zodat, wanneer niet is voldaan aan dit vereiste, de adoptie van het adoptiefkind op grond van nationale regelgeving niet mogelijk is. Een adoptieverzoek zal daarom in zo een geval (in beginsel) moeten worden afgewezen.
4.3.
Vaststaat dat de vrouw ten tijde van de indiening van het inleidend verzoekschrift op 31 juli 2025 vijfenveertig jaar oud en dus meerderjarig was, zodat niet is voldaan aan deze voorwaarde. Er is geen verweer gevoerd tegen het verzoek. Aan de overige wettelijke voorwaarden voor adoptie wordt naar het oordeel van de rechtbank wel voldaan.
4.4.
Het weigeren van adoptie kan in uitzonderlijke gevallen een inbreuk vormen op de op in artikel 8 Europees Pro Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) opgenomen rechten. Hierna zal de rechtbank onderzoeken of in dit specifieke geval sprake is van een dergelijke inbreuk en of terzijdestelling van artikel 1:228 lid 1 sub a BW Pro hier gerechtvaardigd is.
4.5.
In artikel 8 lid 1 EVRM Pro is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. In lid 2 is bepaald dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
4.6.
Artikel 8 EVRM Pro heeft niet de strekking een recht op adoptie te garanderen. Het enkele feit dat adoptie niet mogelijk is zonder dat wordt voldaan aan de door de nationale wet voor adoptie gestelde eisen levert geen ongeoorloofde inbreuk in de zin van artikel 8 EVRM Pro op (zie Hoge Raad 30 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6339). Zeer bijzondere omstandigheden kunnen daarentegen wel een ongeoorloofde inbreuk op artikel 8 EVRM Pro met zich brengen en meebrengen dat het minderjarigheidsvereiste van artikel 1:228 lid 1 sub a BW Pro om die reden in een concreet geval terzijde dient te worden gesteld. Artikel 8 EVRM Pro beschermt immers het recht op eerbiediging van familieleven en dit omvat het recht van individuen om hun familieleven te vormen, te onderhouden en te genieten. Daarbij moet de persoon die geadopteerd wil worden aannemelijk maken dat meerderjarigenadoptie noodzakelijk is om zijn of haar familieleven te beschermen of te versterken. Daarbij dient de rechter een afweging te maken tussen de belangen van het individu om zijn of haar familieleven te beschermen en eventuele andere belangen zoals die van de Staat bij het handhaven van de bestaande adoptieregels en het waarborgen van de stabiliteit van de adoptieprocedures. Bij die afweging zijn twee aspecten van belang: er moet sprake zijn van zeer bijzondere omstandigheden die terzijdestelling van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 1:228 lid 1 onder Pro a BW rechtvaardigen en de termijnoverschrijding met betrekking tot het adoptieverzoek – de tijd die verstreken is na afloop van de minderjarigheid van het adoptiefkind – moet verschoonbaar zijn. Immers, de Staat maakt geen ongerechtvaardigde inbreuk op het familieleven als burgers zonder goede reden te lang wachten met het indienen van een adoptieverzoek (Conclusie A-G P. Vlas, ECLI:NL:PHR:2013:BY5053, voor HR 25 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5063).
4.7.
De rechtbank zal daarom beoordelen of in dit geval sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden die maken dat aan het minderjarigheidsvereiste voorbij dient te worden gegaan en of de termijnoverschrijding met betrekking tot het adoptieverzoek verschoonbaar is.
4.8.
Verzoeker heeft in dit verband als bijzondere omstandigheden het volgende aangevoerd. Verzoeker wijst erop dat de vrouw als baby van enkele maanden in het gezin van verzoeker en zijn inmiddels overleden echtgenote is opgenomen, omdat haar biologische moeder destijds niet in staat was om voor haar te zorgen. Na ongeveer zes maanden zijn verzoeker en zijn echtgenote officieel als pleegouders aangesteld. Verzoeker en zijn echtgenote waren eerder ook de pleegouders van de moeder van de vrouw. De vrouw heeft tot ongeveer haar veertiende jaar bij verzoeker en zijn echtgenote in gezinsverband gewoond. Verzoeker heeft in deze periode een intensieve en zorgzame relatie met de vrouw opgebouwd. Verzoeker wijst erop dat de vrouw een bewogen leven heeft gehad. De vrouw kampt met psychische problematiek en heeft een borderlinestoornis. Toen zij veertien jaar oud was, is zij een half jaar teruggeplaatst geweest bij de moeder en haar toenmalige partner, waarna verschillende plaatsingen in open en gesloten instellingen volgden. In de jaren 2002 tot 2006 heeft de vrouw in de Verenigde Staten verbleven. In deze periode is de echtgenote van verzoeker overleden. Nadat de vrouw is teruggekeerd naar Nederland, heeft de band tussen verzoeker en de vrouw zich hersteld en is verzoeker opnieuw een stabiele en steunende figuur voor de vrouw geworden. Verzoeker heeft ter zitting toegelicht dat hij de vrouw haar hele leven heeft gevolgd, heeft bijgestaan en zich om haar heeft bekommerd.
4.9.
De vrouw heeft ter zitting toegelicht dat zij zich eenzaam voelt en dat zij zich bij niemand voelt horen. Door haar biologische moeder was zij niet gewenst en haar biologische vader heeft zij nooit gekend. Na een jarenlange zoektocht naar haar biologische vader, kwam de vrouw erachter dat hij niet meer leefde en dat hij zich van het leven had beroofd. Met de toenmalige partner van haar moeder, die de vrouw heeft erkend, had zij geen enkele band. Het belast de vrouw dat zij door deze erkenning zijn geslachtsnaam heeft. Het is alleen verzoeker geweest die zich haar hele leven om haar heeft bekommerd en die haar altijd heeft gesteund. Voor de vrouw is verzoeker dan ook haar vader. De vrouw heeft behoefte aan verbinding en een basis. De vrouw hoopt dat het verzoek wordt toegewezen, zodat verzoeker ook officieel haar vader zal zijn.
4.10.
Het is de rechtbank uit de stukken, alsmede hetgeen ter zitting is aangevoerd, duidelijk dat tussen verzoeker en de vrouw sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Het bestaande familie- en gezinsleven tussen verzoeker en de vrouw is gedurende de minderjarigheid en al op zeer jonge leeftijd van de vrouw ontstaan. Verzoeker heeft de vrouw vanaf dat zij een baby was tot haar veertiende jaar in gezinsverband opgevoed en verzorgd, waarna de vrouw is teruggeplaatst bij de moeder en verschillende open- en gesloten plaatsingen volgden. Weliswaar is er een onderbreking van vier jaar geweest in de periode dat de vrouw in het Verenigde Staten heeft verbleven, maar voldoende aannemelijk is dat verzoeker de vrouw vanaf haar geboorte tot op heden steeds heeft gevolgd, zich om haar heeft bekommerd en heeft bijgestaan, terwijl er verder niemand was die dat deed. De rechtbank neemt tevens de overgelegde verklaring van de psycholoog van de vrouw in aanmerking, waarin wordt bevestigd dat de vrouw kampt met gevoelens van eenzaamheid, gebrek aan verbinding en het gevoel nergens bij te horen. Deze verklaring vermeldt ook dat vanuit psychologische invalshoek de wens van adoptie invoelbaar is en dat de (geslachts)naam van vrouw ‘ [geslachtsnaam erkenner] ’ die zij door de erkenning verkreeg, voor de vrouw een probleem is. Dit alles tezamen in onderling verband bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat aan de zijde van verzoeker en de vrouw sprake is van bijzondere omstandigheden, die het buiten toepassing laten van de in artikel 1:228 lid Pro 1, aanhef en onder a, BW neergelegde voorwaarde van minderjarigheid rechtvaardigen.
4.11.
Ten aanzien van de termijnoverschrijding overweegt de rechtbank als volgt. Verzoeker heeft op dit punt aangevoerd dat hij er weliswaar mee bekend was dat een adoptie alleen is voorbehouden aan minderjarigen, maar dat er diverse omstandigheden waren die maakten dat een adoptieprocedure gedurende de minderjarigheid van de vrouw redelijkerwijs niet voor de hand lag. Verzoeker wijst op de diverse psychische klachten en gedragsproblematiek van de vrouw en het feit dat zij gedurende haar minderjarige leeftijd meermaals langere periodes, waaronder een periode van een half jaar dat zij is teruggeplaatst is geweest bij haar biologische moeder, niet in het gezin van verzoeker en zijn echtgenote heeft gewoond. Verzoeker meent dat daarom sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Ter zitting is verder op dit punt nog toegelicht dat het gedurende de minderjarigheid van de vrouw niet duidelijk was of zij iets van haar moeder in haar hoedanigheid als ouder zou kunnen verwachten.
4.12.
De vrouw heeft op dit punt ter zitting toegelicht dat zij in verband met haar psychische problematiek tot enkele jaren terug alleen maar aan het overleven was. Pas sinds een paar jaar gaat het beter met haar en ervaart zij wat meer stabiliteit. Pas toen ontstond bij haar de ruimte om na te denken over wat nu echt belangrijk voor haar is. Omdat verzoeker de enige is die zich gedurende haar hele leven om haar heeft bekommerd en zij hem als haar echte vader ziet, is de vrouw zich gaan oriënteren op de mogelijkheden van adoptie. Dit heeft erin geresulteerd dat zij verzoeker heeft gevraagd of hij haar zou willen adopteren, waarna verzoeker onderhavig verzoek heeft ingediend.
4.13.
Het is de rechtbank uit alles duidelijk geworden dat de vrouw een zeer turbulent leven heeft gehad. Zij kampt tot op heden met psychische klachten en heeft een moeilijke adolescentie doorgemaakt. Pas sinds enkele jaren gaat het steeds beter met haar. De rechtbank acht het gelet op de levensloop van de vrouw begrijpelijk, dat pas nadat het wat beter met haar ging zij zich is gaan oriënteren op adoptie wat ertoe heeft geleid dat dit verzoek tot adoptie is gedaan en dat dit niet eerder is gedaan. De rechtbank acht de termijnoverschrijding in dit geval daarom verschoonbaar.
4.14.
De rechtbank komt tot de conclusie dat een weigering om adoptie van de vrouw door verzoeker toe te staan, in dit geval een ongeoorloofde inmenging in het recht op familie- en gezinsleven van de vrouw en verzoeker, als bedoeld in artikel 8 lid 2 EVRM Pro, oplevert. Hoewel adoptie in dit geval niet meer het karakter heeft van een maatregel van kinderbescherming, is de rechtbank gelet op het voorgaande van oordeel dat de vrouw een zwaarwegend belang heeft bij het vestigen van een familierechtelijke betrekking met verzoeker, alsmede bij de juridische bevestiging van de emotionele band die zij al haar hele leven met verzoeker heeft en van het gevoel dat zij en verzoeker tot één gezin en familie behoren. Dit betekent dat de rechtbank de adoptie van de vrouw door verzoeker zal uitspreken.
Geslachtsnaam
4.21.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:5, zevende lid, BW verklaart een kind dat op het tijdstip van de adoptie zestien jaar of ouder is zelf ten overstaan van de rechter of het de geslachtsnaam van de ene of de andere ouder zal hebben. De vrouw heeft verklaard dat zij de geslachtsnaam van verzoeker wenst te hebben en verzoeker is het daarmee eens. De rechtbank zal dit vastleggen in deze beschikking.
4.15.
Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
spreekt uit de adoptie door [verzoeker] , geboren te [woonplaats 1] op [geboortedatum 3] 1938 van [de vrouw] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1980;
5.2.
stelt vast dat de vrouw heeft verklaard dat zij de geslachtsnaam van verzoeker zal hebben.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van der Heijden, voorzitter, mr. J. Kloosterhuis en mr. C.C.M. Oude Hengel, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. van der Weel, griffier, op 15 januari 2026. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).