8.3Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal en het tot tweemaal toe overtreden van een winkelverbod ten aanzien van diezelfde winkel. Dit zijn hinderlijke feiten die financiële schade en/of overlast veroorzaken voor winkeliers. Verdachte veroorzaakt bij herhaling overlast en laat zich kennelijk niet voldoende corrigeren in dergelijk gedrag. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling, door met een afgebroken TL-buis zwaaibewegingen in de richting van een medewerker van de [winkel] , waarbij verdachte met de TL-buis zeer dicht bij het lichaam van het slachtoffer kwam. Door zo te handelen heeft verdachte een intimiderende situatie gecreëerd en geen respect getoond voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijke bedreigingen kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor een slachtoffer en in bredere zin onrust en gevoelens van onveiligheid veroorzaken binnen de samenleving als geheel, helemaal nu de bedreiging plaatsvond in een voor het publiek toegankelijke plaats.
Persoon van de verdachte
Uit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 8 april 2026 volgt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar meermalen is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor het plegen van vermogensdelicten.
Advies van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Verslavingsreclassering GGZ van 7 mei 2026, opgemaakt door [persoon 2] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:
Verdachte is dakloos en ontvangt een daklozenuitkering. Sinds vroege volwassenheid gebruikt verdachte verdovende middelen. De reclassering constateert een langdurig en hardnekkig delictpatroon bij verdachte, voornamelijk bestaand uit vermogensdelicten gepleegd ter financiering van zijn verslaving. Verdachte heeft meerdere keren onder toezicht van de reclassering gestaan en aan hem is in het verleden drie keer eerder de ISD-maatregel en één keer eerder de SOV-maatregel (de voorloper van de ISD-maatregel) opgelegd. Ondanks intensieve begeleiding en toezicht heeft dit niet geleid tot langdurige abstinentie of structurele gedragsverandering bij verdachte. De reclassering constateert dat verdachte uitsluitend binnen een dwingend en strak kader enige stabiliteit vertoont, terwijl hij buiten een dergelijk kader vrijwel direct terugvalt in middelengebruik en delictgedrag.
De reclassering merkt daarnaast op dat het ontbreken van stabiele huisvesting bijdraagt aan de ontregeling van verdachte, hetgeen het middelengebruik en delictgedrag versterkt. Verdachte heeft in 2025 twee concrete woonaanbiedingen gekregen (in Amsterdam Noord en Amsterdam Zuid), maar heeft deze geweigerd dan wel laten verlopen, omdat hij hier naar eigen zeggen niet wilde wonen. Verdachte staat momenteel wederom op een wachtlijst voor een woning via [beschermde woonvoorziening] , maar de wachttijd hiervoor bedraagt nog minimaal een jaar, zonder garantie op succesvolle plaatsing.
Uit een verouderde Pro Justitia rapportage van 2003 blijkt daarnaast dat bij verdachte verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek alsook antisociale trekken werden waargenomen. De reclassering acht vernieuwde diagnostiek en behandeling noodzakelijk, nu het psychosociaal functioneren niet los te zien is van het delictgedrag. Verdachte heeft echter aangegeven geen psychische klachten te ervaren en heeft geen medewerking verleend aan psychologisch onderzoek.
De reclassering acht de kans op recidive hoog. Ook het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog, gelet op het feit dat verdachte zich niet gehouden heeft aan de bijzondere voorwaarden onder het meest recente (nog lopende) reclasseringstoezicht, waarvoor hij een berisping en een waarschuwing ontving.
Nu de huidige ambulante en vrijwillige kaders onvoldoende bescherming bieden aan de samenleving en verdachte niet de structuur bieden die noodzakelijk wordt geacht, adviseert de reclassering de ISD-maatregel op te leggen. Daarbij merkt de rechtbank op dat in het reclasseringsadvies van 7 mei 2026 te lezen is dat het advies van de reclassering de oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel is, maar dat reclasseringswerker [persoon 1] op 21 mei 2026 per mail aan de rechtbank heeft bevestigd dat dit een typefout is en dat de reclassering heeft bedoeld in het rapport op te nemen dat wordt geadviseerd tot oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Deze e-mail is volledigheidshalve aan het dossier toegevoegd.
De rechtbank heeft ter terechtzitting reclasseringswerker [persoon 1] , de huidige toezichthouder van verdachte, als deskundige gehoord. Hij heeft aangegeven dat een van de rapporteurs, [persoon 2] , het reclasseringsadvies met hem heeft doorgesproken, dat hij zich hierin kan vinden en dat hij persisteert bij voornoemd advies. In aanvulling daarop heeft de deskundige aangegeven dat verdachte in ieder geval niet meer vóór het einde van het jaar een woonplek zal krijgen via [beschermde woonvoorziening] , en dat zolang stabiele huisvesting ontbreekt, verdachte zal blijven recidiveren. Daarom is volgens de deskundige oplegging van de ISD-maatregel op dit moment de enige optie.
Motivering van de ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de onder 1 en 3 bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 8 april 2026 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 8 april 2026 is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
Verdachte is recent meermalen veroordeeld voor vermogensdelicten, zo blijkt uit zijn omvangrijke strafblad. De (deels) voorwaardelijke straffen en eerdere ISD-trajecten die aan verdachte zijn opgelegd hebben niet geleid tot gedragsverandering. Wanneer hem hulp wordt aangeboden, bijvoorbeeld in de vorm van huisvesting, weigert hij deze. Verdachte is niet in staat gebleken om zich te houden aan reclasseringsvoorwaarden binnen een voorwaardelijk strafdeel, zoals ook blijkt uit de waarschuwing en berisping die aan hem zijn opgelegd onder het lopende toezicht. Dit bevestigt de constatering van de reclassering dat verdachte niet gedijt in een ambulant kader en dat slechts een drangkader de noodzakelijke structuur voor verdachte biedt en de maatschappij voldoende kan beschermen. De rechtbank acht het gelet hierop dan ook niet kansrijk dat verdachte zich aan voorwaarden zal houden bij oplegging van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan de harde en zachte criteria voor het opleggen van een ISD-maatregel is voldaan en dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel eist. De rechtbank vindt oplegging van de ISD-maatregel daarnaast wenselijk en noodzakelijk om de door de wetgever beoogde doelen van de ISD-maatregel te realiseren: het doorbreken van het overlast veroorzakende delictgedrag van verdachte en het beveiligen van de maatschappij. De rechtbank zal de ISD-maatregel niet voorwaardelijk aan verdachte opleggen, omdat de rechtbank gelet op het voorgaande niet verwacht dat verdachte in staat zal zijn om zich aan voorwaarden te houden.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat dit geen feit is waarvoor de ISD-maatregel kan worden opgelegd, omdat dit geen misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De rechtbank zal verdachte ten aanzien van dit feit schuldig verklaren zonder oplegging van straf.