Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5779

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
C/13/782104
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:316 BWArt. 3:45 BWArt. 6:119 BWArtikel 35 Brussel-I bisVerordening (EU) nr. 269/2014
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen juridische fusie wegens vermeende verslechtering verhaal vermogen schuldeiser afgewezen

SBK c.s., houders van certificaten in Topco en schuldeisers van Bidco, kwamen in verzet tegen het fusievoorstel waarbij Bidco zou fuseren met Midco en Holdco. Zij stelden dat de fusie hun mogelijkheden tot verhaal op Bidco zou beperken, onder meer doordat Midco en Holdco na de fusie ophouden te bestaan en executie in Kroatië moeilijker zou zijn.

De rechtbank oordeelde dat SBK c.s. als schuldeiser van Bidco kan worden aangemerkt en dat hun vorderingen niet onmiskenbaar ongegrond zijn, mede omdat de bodemprocedure nog loopt. Echter, SBK c.s. heeft onvoldoende gemotiveerd dat de financiële toestand van Bidco na de fusie verslechtert of dat de feitelijke mogelijkheden tot verhaal zodanig beperkt worden dat reële twijfel ontstaat.

De rechtbank nam het uitgangspunt dat de financiële positie van Bidco na de fusie ruimschoots toereikend is en dat de Europese regels inzake erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in Kroatië van toepassing zijn, waardoor executie mogelijk blijft. Ook het verlies van enquêtebevoegdheid en het ongedaan maken van de Midco Sale zijn geen belangen die artikel 2:316 lid 2 BW Pro beoogt te beschermen.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard, opgeheven en uitvoerbaar bij voorraad verklaard. SBK c.s. werden veroordeeld in de proceskosten van Fortenova c.s.

Uitkomst: Het verzet van SBK c.s. tegen de fusie wordt ongegrond verklaard en opgeheven, met veroordeling in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/782104 / HA RK 26-20
Beschikking van 11 juni 2026
in de zaak van
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SBK ART LLC,
te Moskou (Rusland),
2.
[verzoeker 2],
te [woonplaats 1] (Verenigde Arabische Emiraten),
3.
[verzoeker 3],
te [woonplaats 2] (Kroatië),
verzoekende partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: SBK, [verzoeker 2] en [verzoeker 3] ,
en samen te noemen: SBK c.s.,
advocaat: mr. E.J.H. Zandbergen,
tegen

1.FORTENOVA GROUP B.V.,

te Amsterdam,
2.
FORTENOVA GROUP MIDCO B.V.,
te Amsterdam,
3.
FORTENOVA GROUP HOLDCO B.V.,
te Amsterdam,
verwerende partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: Bidco, Midco en Holdco,
en samen te noemen: Fortenova c.s.,
advocaat: mr. J.W. de Groot
en tegen:

4.FORTENOVA STAK STICHTING,

te Amsterdam,
belanghebbende,
hierna te noemen: STAK II,
advocaat: mr. J.W. de Groot

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van SBK c.s. van 20 januari 2026;
- het verweerschrift van Fortenova c.s. van 20 april 2026;
- het aanvullend verzoek om waarborgen van SBK c.s. van 24 april 2026;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 april 2026 en de daarin genoemde stukken, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en aan het dossier zijn gevoegd;
- het proces-verbaal van de (voortgezette) mondelinge behandeling van 8 mei 2026.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
SBK houdt circa 41,82% van de certificaten van aandelen in de vennootschap Fortenova Group Topco B.V. (hierna: Topco), uitgegeven door de enig aandeelhouder van Topco, de stichting Fortenova Group STAK Stichting (hierna: STAK I). [verzoeker 3] hield eveneens certificaten van aandelen in Topco, voor minder dan 0,1%.
2.2.
Topco is de voormalige holdingmaatschappij van Midco. Midco houdt alle aandelen in Holdco. Holdco houdt op haar beurt alle aandelen in de Kroatische houdstervennootschap Fortenova Grupa d.d. (hierna: Grupa), waaronder alle werkmaatschappijen van de Fortenova-groep hangen. De Fortenova-groep is een Kroatisch levensmiddelenconcern.
2.3.
Op 9 juli 2024 zijn alle aandelen in Midco door Topco aan Bidco overgedragen (hierna: de Midco Sale). Sindsdien worden alle aandelen in Midco gehouden door Bidco. Alle aandelen in Bidco worden gehouden door STAK II. Door STAK II zijn certificaten van aandelen in Bidco uitgegeven aan Open Pass Limited (95,64%) (hierna: Open Pass), [verzoeker 3] (0,038%) en andere certificaathouders (4,32%). Vóór de Midco Sale was Open Pass ook certificaathouder van aandelen in Topco (27,59%).
2.4.
SBK heeft haar belang in Topco in 2022 overgedragen gekregen van de Russische Sberbank. Sberbank is op 21 juli 2022 op een Europese sanctielijst (hierna: de Sanctielijst) geplaatst. [1] Op 31 oktober 2022 heeft Sberbank haar belang in SBK verkocht en overgedragen aan [verzoeker 2] .
2.5.
Op 16 december 2022 is SBK ook op de Sanctielijst geplaatst. SBK heeft beroep ingesteld tegen het besluit om op de Sanctielijst te worden geplaatst. Het Gerecht van de Europese Unie heeft op 30 april 2025 dit beroep van SBK verworpen. SBK heeft hoger beroep ingesteld tegen die beslissing. Daarin is nog geen uitspraak gedaan.
2.6.
Als gevolg van de plaatsing van SBK op de Sanctielijst zijn haar tegoeden in de Europese Unie bevroren. Het bestuur van STAK I heeft SBK om die reden uitgesloten van deelname aan de beraadslaging en besluitvorming over de Midco Sale als certificaathouder van Topco. Tussen partijen zijn verschillende uitspraken gewezen over de vraag of de plaatsing van SBK op de Sanctielijst tot gevolg heeft dat SBK haar vergader- en stemrecht verbonden aan de certificaten in Topco niet mag uitoefenen. [2] Op 21 juni 2024 heeft de Hoge Raad daarover prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de EU (hierna: HvJEU). [3]
2.7.
Op 12 maart 2026 heeft het HvJEU uitspraak gedaan naar aanleiding van die prejudiciële vragen. [4] Het HvJEU heeft daarin bevestigd en bepaald dat de relevante Europese sanctiewetgeving zo moet worden uitgelegd dat “
de bevriezing van tegoeden in de zin van deze bepaling absoluut en onvoorwaardelijk belet dat personen op wie een beperkende maatregel van toepassing is hun aan de certificaten van aandelen verbonden rechten uitoefenen om deel te nemen aan vergaderingen van houders van dergelijke certificaten en hun stemrecht uit te oefenen.”
2.8.
Tussen SBK c.s. en Fortenova c.s. hebben ook verschillende andere procedures gespeeld, onder andere in Nederland en Malta. Inzet van de procedures in Nederland was hoofdzakelijk het voorkomen van doorgang van de Midco Sale. [5] SBK c.s. is daar niet in geslaagd.
2.9.
Op 27 juni 2023 wees de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam alle hierop gerichte vorderingen van SBK en [verzoeker 2] af, waaronder het gevorderde verbod om enige rechtshandeling te verrichten voor (voorbereiding van) de verkoop van de aandelen in Midco. De voorzieningenrechter overwoog daarover onder meer: [6]
Van disproportionele schade aan de zijde van SBK c.s. is dan ook niet gebleken. Zo SBK c.s. al schade zou lijden door de verkoop (tegen een te lage waarde) van MidCo, dan staan haar ook na de verkoop nog juridische mogelijkheden ter beschikking (een schadevergoedingsvordering). Al met al weegt het belang van SBK c.s. bij het behoud van (indirect) de aandelen in MidCo, niet op tegen het aanzienlijke belang van Fortenova bij continuïteit van de onderneming.” In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam dit vonnis bekrachtigd. [7]
2.10.
Op 18 december 2023 wees de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam de vorderingen van SBK c.s. af die erop waren gericht om de beantwoording van voornoemde prejudiciële vragen af te wachten, waaronder een vordering tot het opleggen van een verbod tot het uitvoering geven aan de Midco Sale, totdat het Gerecht van de Europese Unie of de Hoge Raad uitspraak had gedaan. Daarin overwoog de voorzieningenrechter onder meer dat de Midco Sale
“noodzakelijk” was, en dat “
onvoldoende is gebleken van disproportionele schade aan de zijde van SBK c.s.” bij uitvoering van de Midco Sale. [8] Ook deze uitspraak is bekrachtigd door het gerechtshof Amsterdam. [9]
2.11.
Op 21 mei 2024 heeft Fortenova c.s., tezamen met onder meer STAK I, Topco, Open Pass en STAK II, een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Amsterdam. Zij vordert in die procedure, samengevat, verklaringen voor recht dat de besluitvorming en transactiedocumentatie ten aanzien van de Midco Sale rechtsgeldig is en dat onder andere Fortenova c.s. niet onrechtmatig jegens SBK c.s. heeft gehandeld met het aangaan en effectueren van de Midco Sale (hierna: de Bodemzaak). De rechtbank Amsterdam heeft zich op 15 oktober 2025 bevoegd verklaard in de Bodemzaak en de zaak aangehouden totdat het HvJEU uitspraak zou doen naar aanleiding van de prejudiciële vragen van de Hoge Raad zoals weergegeven onder 2.7. [10] Op dit moment staat de Bodemzaak voor antwoord door SBK c.s. op 22 juni 2026.
2.12.
Op 18 december 2025 heeft Fortenova c.s. een fusievoorstel gedeponeerd bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: het Fusievoorstel) en ter inzage gelegd ten kantore van Bidco, Midco en Holdco. Op 20 december 2025 is het Fusievoorstel aangekondigd in de krant Trouw.
2.13.
Volgens het Fusievoorstel is Bidco voornemens te fuseren met Midco en Holdco (hierna: de Fusie). Midco en Holdco zijn daarbij de verdwijnende vennootschappen en Bidco de verkrijgende rechtspersoon.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
SBK c.s. is in verzet gekomen tegen het Fusievoorstel. Zij heeft de rechtbank verzocht te bevelen dat Fortenova c.s. op straffe van gegrondverklaring van het verzet de in
de bijlagebij deze beschikking genoemde waarborgen verstrekken en Fortenova c.s. op verbeurte van een dwangsom te verbieden de Fusie te effectueren totdat de opheffing van het verzet uitvoerbaar is, met veroordeling van Fortenova c.s. in de proceskosten. Aan haar verzoek heeft SBK c.s. het volgende ten grondslag gelegd.
3.2.
SBK c.s. stelt dat SBK, samengevat, de volgende vorderingen op (onder andere) Bidco heeft:
vordering tot vernietiging van de Midco Sale op grond van o.a. vernietiging van de besluitvorming t.a.v. de Midco Sale omdat het sanctierecht niet inhoudt dat het vergader- en stemrecht is uitgesloten en omdat SBK ten onrechte op de Sanctielijst is geplaatst;
vordering tot vernietiging van de Midco Sale op grond van pauliana (artikel 3:45 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW));
vordering tot schadevergoeding wegens aansprakelijkheid van onder andere Bidco jegens SBK c.s. voor (i) het ten onrechte uitsluiten van het vergader- en stemrecht van SBK, (ii) het op grond van die uitsluiting besluiten tot de Midco Sale, (iii) het onrechtmatig en nodeloos verkopen van de aandelen in Midco, (iv) het verkopen van die aandelen voor een te lage prijs en (v) het misbruiken van de gesanctioneerde status van SBK door de aandelen voor een te lage prijs te verkopen aan Bidco.
3.3.
[verzoeker 3] was net als SBK certificaathouder van Topco en hem komt dezelfde vorderingen toe als SBK ten aanzien van de Midco Sale. [verzoeker 2] is de kans ontnomen om de aandelen in Midco te verwerven, doordat hij bewust en ten onrechte is uitgesloten van het verkoopproces. Hij heeft om die reden een vordering op onder andere Bidco, aldus steeds SBK c.s.
3.4.
SBK c.s. stelt dat als de Fusie wordt geëffectueerd de vermogenstoestand van Bidco minder waarborg zal bieden dat de vorderingen van SBK c.s. zullen worden voldaan omdat:
na de Fusie een vernietiging van de Midco Sale er niet meer toe kan leiden dat de aandelen in Midco met terugwerkende kracht weer eigendom zijn van Topco;
een verzoek van SBK c.s. aan de Ondernemingskamer om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken bij Midco en Holdco kan worden afgewezen omdat zij na de Fusie niet meer bestaan, terwijl Bidco geen onderwerp kan zijn van dat onderzoek omdat SBK c.s. niet 10% van de certificaten in Bidco houdt;
SBK c.s. na de fusie geen conservatoir beslag meer kan leggen op het enige vermogensbestanddeel van Bidco in Nederland (de aandelen in Midco), terwijl verlof tot het leggen van conservatoir beslag op het na de Fusie resterende vermogensbestanddeel van Bidco in Kroatië (de aandelen in Grupa) vrijwel ondoenlijk, dan wel aanzienlijk bezwaarlijker is te verkrijgen en is te leggen; en
na de fusie geen executie meer mogelijk is in Nederland van de aandelen in Midco ter voldoening van vorderingen van SBK c.s. op Bidco, terwijl executie van de aandelen in Grupa in Kroatië vrijwel ondoenlijk is, althans bezwaarlijker, moeilijker en langzamer dan in Nederland.
3.5.
Fortenova c.s. verzet zich tegen de toewijzing van het verzoek en voert het volgende aan. SBK c.s. heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij enige vordering heeft op Fortenova c.s. De door SBK c.s. gestelde vorderingen houden in de kern verband met de (aanloop naar) de Midco Sale, terwijl door meerdere gerechtelijke instanties in procedures tussen partijen al is geoordeeld dat de Midco Sale noodzakelijk was, en dat deze zorgvuldig, transparant en in het belang van alle stakeholders is uitgevoerd. Over de uitsluiting van SBK als certificaathouder wegens haar plaatsing op de Sanctielijst heeft het HvJEU inmiddels definitief beslecht dat SBK terecht is uitgesloten van deelname aan de beraadslaging en stemming op de certificaathoudersvergadering van Topco. Voor zover er wel een vordering van SBK c.s. op Bidco zou zijn, heeft SBK c.s. onvoldoende onderbouwd dat de vermogenstoestand van Bidco na de Fusie minder waarborg zal bieden voor de voldoening daarvan. Daarnaast ontbreekt een wettelijke grondslag voor de door SBK c.s. verzochte waarborgen en zijn deze in strijd met de toepasselijke sanctieverordening. Er bestaat ook geen aanleiding voor het door SBK c.s. verzochte verbod en de gevorderde dwangsom.
3.6.
Fortenova c.s. verzoekt de rechtbank daarom alle verzoeken van SBK c.s. af te wijzen, het door SBK c.s. ingestelde verzet op te heffen, uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van SBK c.s. in de proceskosten.

4.De beoordeling

4.1.
SBK c.s. wenst met haar verzoek gebruik te maken van de bevoegdheid tot het instellen van verzet op grond van artikel 2:316 lid 2 BW Pro. Volgens 2:316 lid 2 BW kan iedere schuldeiser van bij de fusie betrokken vennootschappen tegen het voorstel tot fusie in verzet komen door een verzoek aan de rechtbank in te dienen tot één maand nadat alle te fuseren rechtspersonen de nederlegging of openbaarmaking van het voorstel tot fusie hebben aangekondigd.
4.2.
SBK c.s. heeft haar verzoek op tijd ingediend.
SBK c.s. als schuldeiser van Bidco
4.3.
Vervolgens is de vraag of SBK c.s. als schuldeiser van Bidco heeft te gelden in de zin van artikel 2:316 lid 2 BW Pro. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
4.4.
Het recht van verzet komt toe aan alle schuldeisers die een vordering hebben op de bij de fusie betrokken vennootschappen, of die stellen een vordering op die vennootschappen te hebben. Ook indien die vordering wordt betwist kan de rechter het verzet gegrond verklaren, tenzij en voor zover hij de vordering onmiskenbaar ongegrond acht. De rechtbank neemt hiermee de maatstaf over die voor soortgelijke verzetsrechten van schuldeisers geldt, zoals bij een besluit tot kapitaalvermindering of de intrekking van een 403-verklaring. [11]
4.5.
Hoewel Fortenova c.s. terecht heeft aangevoerd dat verschillende gerechtelijke instanties inmiddels uitspraak hebben gedaan over de door SBK c.s. gestelde vorderingen in het kader van de Midco Sale en daarin onder meer hebben overwogen dat de Midco Sale noodzakelijk was en dat van disproportionele schade bij SBK c.s. als gevolg van de Midco Sale op voorhand niet is gebleken, is geen van die uitspraken een uitspraak in een bodemprocedure. In de Bodemzaak heeft de rechtbank Amsterdam verdere behandeling aangehouden totdat het HvJEU een antwoord zou geven op de door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vragen. Dat antwoord heeft het HvJEU inmiddels gegeven. De Bodemzaak is daarom inmiddels hervat, maar daarin is nog geen eindvonnis gewezen. Ter zitting is toegelicht dat SBK c.s. voornemens is om in de Bodemzaak reconventionele vorderingen in te stellen tegen onder andere Bidco langs de lijnen van de vorderingen zoals opgenomen onder 3.2 en 3.3 (met uitzondering van de vorderingen die gebaseerd zijn op de uitsluiting van het vergader- en stemrecht) en dat zij die op 22 juni 2026 zal indienen. Zowel Fortenova c.s. als SBK c.s. zullen in de Bodemzaak dus een beslissing op hun vorderingen krijgen van een bodemrechter. Daarnaast loopt het hoger beroep van SBK nog tegen het besluit tot plaatsing van SBK op de Sanctielijst. De rechtbank kan, gelet op het voorgaande, daarom op dit moment niet concluderen dat alle door SBK c.s. gestelde, en door Fortenova c.s. betwiste, vorderingen onmiskenbaar ongegrond zijn.
4.6.
Het verweer van Fortenova c.s. dat de door SBK c.s. gestelde vorderingen te vaag en niet voldoende uitgewerkt zijn slaagt ook niet. Van een schuldeiser in een verzetsprocedure op grond van artikel 2:316 lid 2 BW Pro kan niet worden verlangd dat deze een gestelde vordering in de verzetsprocedure al volledig uitwerkt en onderbouwt. Van belang is dat voldoende duidelijk is welke vordering de schuldeiser op de fuserende vennootschap stelt te hebben en waar deze op gebaseerd is, zodat kan worden beoordeeld of de gestelde vordering onmiskenbaar ongegrond is of niet. Voldoende duidelijk is dat de door SBK c.s. gestelde vorderingen in de kern zien op ongedaanmaking van de Midco Sale dan wel aansprakelijkheid van de bij de Midco Sale betrokken partijen, waaronder Bidco, zoals aan de orde zal komen in de Bodemzaak.
4.7.
De rechtbank merkt SBK c.s. daarom in het kader van deze verzetsprocedure aan als schuldeiser van Bidco.
De vermogenstoestand van Bidco
4.8.
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de vermogenstoestand van Bidco, als verkrijgende vennootschap, na de Fusie minder verhaal zal bieden ter voldoening van de (gestelde) vorderingen van SBK c.s. op Bidco.
4.9.
Volgens artikel 2:316 lid 2 BW Pro wijst de rechtbank het verzoek af, indien de verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vermogenstoestand van de verkrijgende rechtspersoon na de fusie minder waarborg zal bieden dat de vordering zal worden voldaan, en dat van de rechtspersoon niet voldoende waarborgen zijn verkregen. De stelplicht en zo nodig de bewijslast hiervan rusten op de verzoeker.
4.10.
Het is daarbij aan SBK c.s. om te motiveren dat er door de Fusie een zodanige verandering in de vermogenstoestand van Bidco plaatsvindt dat als gevolg daarvan reële twijfel rijst omtrent de mogelijkheden tot voldoening van de vordering na de Fusie. [12]
4.11.
SBK c.s. stelt dat dit het geval is, om de redenen opgesomd onder 3.4 hiervoor. Volgens SBK c.s. betekent ‘minder waarborgen’ in de zin van artikel 2:316 lid 2 BW Pro niet alleen een verslechtering van de financiële positie van de verkrijgende vennootschap, maar ook een afname in de feitelijke mogelijkheden om zich als schuldeiser te kunnen verhalen op het vermogen van de verkrijgende vennootschap. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
4.12.
De rechtbank neemt tot uitganspunt dat met
vermogenstoestandin de zin van artikel 2:316 lid 2 BW Pro wordt bedoeld de
financiële toestandvan de bij de fusie betrokken vennootschappen. Zij wijst erop dat het bewuste artikellid in 2011 naar aanleiding van de implementatie van gewijzigde Europese regelgeving voor verslaggevings- en documentatieverplichtingen bij fusies en splitsingen is gewijzigd. [13] Uit de Memorie van Toelichting volgt dat deze wijziging op grond van het volgende artikel uit de Richtlijn 2009/109/EG is doorgevoerd:

2. Daartoe bepalen de wetgevingen van de lidstaten ten minste dat deze schuldeisers recht hebben op passende waarborgen wanneerde financiële toestand[onderstreping rechtbank]
van de vennootschappen die de fusie aangaan, deze bescherming nodig maakt en deze schuldeisers niet reeds over dergelijke waarborgen beschikken.
De lidstaten stellen de voorwaarden vast voor de in lid 1 en in de eerste alinea van dit lid bedoelde bescherming. De lidstaten dragen er in elk geval zorg voor dat de bovenbedoelde schuldeisers zich tot de bevoegde administratieve of gerechtelijke instantie kunnen wenden om adequate waarborgen te verkrijgen, mits zij op geloofwaardige wijze kunnen aantonen dat de voldoening van hun vorderingen als gevolg van de fusie in het gedrang is, en dat van de vennootschap geen adequate waarborgen zijn verkregen. [14]
4.13.
SBK c.s. heeft in haar verzoek niets gesteld over een verslechtering van de financiële toestand van Bidco na de Fusie die zou leiden tot reële twijfel omtrent de voldoening van de vorderingen van SBK c.s. op Bidco. Fortenova c.s. heeft op haar beurt aan de hand van financiële stukken toegelicht dat de balanswaarde van Bidco ruimschoots die van Midco en Holdco overstijgt, dat Midco en Holdco een positief eigen vermogen hebben en dat Bidco na de Fusie ruimschoots in staat moet worden geacht om een eventuele vordering van SBK c.s. te voldoen. SBK c.s. heeft hier niets tegenover gesteld. De rechtbank gaat er dus vanuit dat de financiële toestand van Bidco na de Fusie geen aanleiding geeft voor reële twijfel over voldoening van eventuele vorderingen van SBK c.s. op Bidco. Dit betekent dat haar verzet in beginsel ongegrond moet worden verklaard.
4.14.
Onder bepaalde omstandigheden is echter denkbaar dat, óók als de financiële toestand van de verkrijgende vennootschap zelf geen aanleiding geeft voor reële twijfel en die vennootschap dus in staat moet worden geacht de vordering van de schuldeiser ook na de fusie te kunnen voldoen, er door de fusie een dusdanige verandering plaatsvindt in de samenstelling van het vermogen van de fuserende vennootschap dat na de fusie de schuldeiser
feitelijk onmogelijktot verhaal ter voldoening van zijn vordering kan overgaan. In een dergelijk geval zal de effectieve werking van de door Europese wetgever beoogde bescherming van crediteuren van de bij de fusie betrokken vennootschappen (zie citaat onder 4.12) kunnen meebrengen dat de betrokken vennootschappen alsnog passende waarbogen moeten verschaffen. De rechtbank begrijpt dat dit ook de uitleg is die SBK c.s. met zoveel woorden aan artikel 2:316 lid 2 BW Pro geeft.
4.15.
Die situatie doet zich in het geval van SBK c.s. echter niet voor, althans, SBK c.s. heeft dat onvoldoende aannemelijk gemaakt. De rechtbank ligt dat hierna toe aan de hand van de door onder 3.4. genoemde stellingen van SBK c.s.
De eventuele moeilijkheden bij het leggen van beslag of executie in Kroatië
4.16.
Wat betreft de door SBK c.s. gestelde moeilijkheden bij conservatoir beslag of executie in Kroatië, zoals opgenomen onder 3.4 iii en iv, geldt dat niet is gebleken dat SBK c.s. zich in het geheel niet kan verhalen op het vermogen van Bidco in Kroatië na de Fusie. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat in Kroatië op de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen uit andere EU-lidstaten de regels uit Brussel I-bis van toepassing zijn. [15] Dat betekent dat als SBK c.s. in Nederland een toewijzend vonnis tegen Bidco verkrijgt, zij dat in beginsel ook in Kroatië ten uitvoer kan leggen. De stelling dat er, al dan niet vanuit Fortenova c.s., politieke invloed mogelijk zou zijn op het Kroatisch gerechtelijk apparaat heeft SBK c.s. onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om te oordelen dat het Europese uitgangspunt van de wederzijdse erkenning en tenuitvoerleggeing van vonnissen in dit geval niet opgaat en de executie van een Nederlands vonnis in Kroatië voor SBK c.s. feitelijk onmogelijk zou zijn.
4.17.
Op grond van Brussel I-bis kunnen ook voorlopige en bewarende maatregelen in een andere lidstaat worden gevraagd wanneer een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen, mits de nationale wetgeving van de aangezochte rechter dit toestaat (artikel 35 Brussel Pro-I bis). SBK c.s. erkent ook dat het naar Europees en Kroatisch recht mogelijk is om conservatoir beslag te leggen in Kroatië, maar stelt dat dit moeilijker gaat dan in Nederland. Nog los van het feit dat dit gaat om een bewarende maatregel en niet om de daadwerkelijke uitwinning van vermogensbestandsdelen van Bidco, volgt hieruit niet dat beslaglegging feitelijk onmogelijk is. In de door SBK c.s. zelf overgelegde opinie over Kroatisch recht wordt dan ook gesteld dat in ca. 30% van de gevallen verlof tot het leggen van conservatoir beslag wordt verleend.
4.18.
In beide gevallen geldt dat, voor zover enige moeilijkheid of onmogelijkheid van de executie van een vonnis of het leggen van conservatoir beslag het gevolg is van het feit dat SBK op de Sanctielijst staat (zoals SBK c.s. ook heeft aangevoerd), dat een omstandigheid is die voor rekening van SBK komt.
Het mogelijk verlies van enquêtebevoegdheid bij de Ondernemingskamer
4.19.
Wat betreft een eventueel verlies van de mogelijkheid tot het indienen van een enquêteverzoek tegen Midco en Holdco bij de Ondernemingskamer, zoals opgenomen onder 3.4 ii, geldt dat dit geen (verlies van een) mogelijkheid tot het nemen van verhaal ter voldoening van een vordering betreft. Met een dergelijk verzoek wordt de Ondernemingskamer gevraagd een onderzoek te gelasten naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon en kan de Ondernemingskamer zo nodig maatregelen treffen. Het onderzoek ziet niet op een vorderingsrecht op Bidco dat SBK c.s. door de Fusie verliest. Los van de vraag of SBK c.s. die mogelijkheid inderdaad zou verliezen als gevolg van de Fusie, is dat geen belang dat artikel 2:316 BW Pro beoogt te beschermen. Voor zover de procedure bij de Ondernemingskamer, zoals SBK c.s. heeft gesteld, zou dienen ter feitelijke onderbouwing van de vorderingen van SBK c.s. op Bidco in een bodemzaak, betoogt zij hiermee dat haar bewijspositie door de Fusie verslechtert. Zonder nadere toelichting door SBK c.s., ziet de rechtbank hierin geen belang dat artikel 2:136 BW Pro beoogt te beschermen. Bovendien is het enquêterecht niet bedoeld voor de beslechting van geschillen van uitsluitend vermogensrechtelijke aard, noch voor het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van dergelijke geschillen. [16]
De onmogelijkheid tot het ongedaan maken van de Midco Sale
4.20.
Wat betreft de onmogelijkheid tot het ongedaan maken van de Midco Sale, zoals opgenomen onder 3.4 i, geldt eveneens dat dit geen belang is dat artikel 2:316 lid 2 BW Pro beoogt te beschermen. Op zichzelf is juist dat als gevolg van de Fusie de aandelen in Midco en Holdco niet meer (indirect) in het bezit zijn van Bidco, nu deze vennootschappen (en bijbehorende aandelen) na de Fusie ophouden te bestaan. Een ongedaanmakingsverplichting tot teruglevering van de aandelen in Midco door Bidco, is echter geen vordering waarvan de voldoening dient te worden beschermd door middel van verzet tegen een juridische fusie. De rechtbank ziet geen aanwijzing voor een dergelijk ruime werking van artikel 2:316 lid 2 BW Pro, in die zin dat zij ook de nakoming van andere verplichtingen dan de voldoening van geldelijke vorderingen beoogt te beschermen. Indien Bidco verplicht zou worden tot teruglevering van de aandelen in Midco maar daartoe feitelijk niet meer in staat is omdat de aandelen in Midco niet meer bestaan, zou SBK c.s. een vordering tot vervangende schadevergoeding op Bidco verkrijgen. Voor die vordering tot schadevergoeding geldt dat er, gezien hetgeen hiervoor overwogen, geen reële twijfel bestaat over de mogelijkheid tot voldoening daarvan na de Fusie.
Verzet ongegrond
4.21.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzet van SBK c.s. tegen het Fusievoorstel ongegrond is. Het verzet van SBK c.s. zal daarom worden opgeheven. Bij die stand komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de door SBK c.s. verzochte waarborgen.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.22.
Fortenova c.s. heeft verzocht een opheffing van het verzet van SBK c.s. uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zodat de Fusie op korte termijn kan worden gerealiseerd. SBK c.s. verzet zich daartegen.
4.23.
Volgens de hoofdregel van artikel 288 Rv Pro kan de rechtbank een beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat is anders als de wet of de aard van de zaak meebrengen dat uitvoerbaarheid bij voorraad achterwege blijft. Als het om de wet gaat, maakt de rechtbank uit artikel 2:316 lid 5 BW Pro op dat de wetgever er uitdrukkelijk rekening mee heeft gehouden dat een fusie plaatsvindt direct nadat de rechtbank het verzet heeft opgeheven terwijl hoger beroep is of wordt ingesteld. Dat impliceert dat een beslissing tot opheffing van het verzet in de visie van de wetgever uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. De rechtbank ziet daarnaast geen aanleiding om de verklaring vanwege de aard van de zaak of in het belang van SBK c.s. achterwege te laten. Het enkele bezwaar van SBK c.s. is dat de Fusie dan wordt geëffectueerd, terwijl SBK c.s. nog hoger beroep kan of wil instellen. Dat is op zichzelf onvoldoende en zal immers in de regel het geval zijn bij een hoger beroep tegen een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beslissing tot opheffing van het verzet tegen een fusie.
Proceskosten
4.24.
SBK c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van Fortenova c.s., tot op heden begroot op:
- griffierecht
735
- salaris advocaat
1.306
(2 punten × € 653)
- nakosten
189
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal
2.23

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart het verzet ongegrond en heft dit op,
5.2.
veroordeelt SBK c.s. hoofdelijk in de proceskosten van Fortenova c.s. van € 2.230,- te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als SBK c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt SBK c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Voetelink, mr. R.P.F. de Groot en mr. M.F. van Schendel en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.
Bijlage
Verzochte waarborgen SBK c.s.
Bidco te bevelen om binnen twee weken na de te wijzen beschikking onherroepelijk en onvoorwaardelijk te verklaren dat zij zal overgaan tot een deponering en publicatie van de vereiste documenten voor een juridische splitsing van Bidco in Bidco, Midco en Holdco (dusdanig dat weer de situatie ontstaat zoals thans het geval is) indien en binnen vier weken nadat een of meer vernietigingsvorderingen van SBK c.s. inzake de Midco Sale uitvoerbaar bij voorraad is toegewezen althans dat oordeel in kracht van gewijsde is gegaan, en vervolgens zo spoedig mogelijk de juridische splitsing tot stand te brengen;
Bidco te bevelen om binnen twee weken na de te wijzen beschikking onherroepelijk en onvoorwaardelijk te verklaren dat het onderzoek inzake de beoogde enquêteprocedure na de juridische fusie ook tegen haar kan worden gericht voor zover dit ziet op het beleid en de gang van zaken van Midco en Holdco en dat zij zich niet zal beroepen op niet-ontvankelijkheid van SBK c.s. op de grond dat Midco en Holdco na de juridische fusie niet meer bestaan;
Bidco te bevelen om binnen twee weken na de te wijzen beschikking onherroepelijk en onvoorwaardelijk te verklaren dat zij geen dividenduitkeringen, agio-uitkeringen, kapitaalverminderingen of inkoop eigen aandelen zal verrichten zolang de eventuele afwijzing van de vorderingen van SBK c.s. nog niet in kracht van gewijsde is gegaan.
Bidco te bevelen om binnen twee weken na de te wijzen beschikking ten gunste van SBK c.s. een (Kroatisch equivalent van een) pandrecht te vestigen op alle door Bidco na de juridische fusie te houden aandelen in het kapitaal van Grupa, waarbij voor zover dit inzake SBK niet is toegestaan onder de EU sancties, dit pandrecht ten gunste van SBK wordt gevestigd onder de opschortende voorwaarde dat SBK niet langer gesanctioneerd is of dat ontheffing is verleend, en voorts Bidco te verplichten om binnen twee weken na de te wijzen beschikking onherroepelijk en onvoorwaardelijk te verklaren dat zij de aandelen in het kapitaal van Grupa niet zal vervreemden of bezwaren of daarop enige dividenduitkering, agio-uitkering of uitkering op grond van kapitaalvermindering zal ontvangen zolang dit pandrecht niet ten gunste van ieder van SBK c.s. rechtsgeldig is gevestigd;
Bidco te bevelen, voor zover de rechtbank van oordeel is dat waarborg (iv) niet kan worden toegewezen, om binnen twee weken nadat Bidco in de bodemprocedure is veroordeeld, al dan niet hoofdelijk, tot de voldoening van enig bedrag aan SBK c.s., om SBK het recht te verstrekken om voor dat bedrag tegen de dan geldende door een deskundige vast te stellen waardering per aandeel in het kapitaal van Bidco dan wel per door STAK II uitgegeven certificaat aandelen dan wel certificaten van aandelen te verwerven tegen de nominale waarde van € 0,01 per aandeel dan wel certificaat, en voorts Bidco te verplichten om binnen twee weken na de te wijzen beschikking onherroepelijk en onvoorwaardelijk te verklaren dat zij de aandelen in het kapitaal van Grupa niet zal vervreemden of bezwaren of daarop enige dividenduitkering, agio-uitkering of uitkering op grond van kapitaalvermindering zal ontvangen zolang SBK c.s. dit recht niet heeft uitgeoefend en waarbij voor zover dit recht inzake SBK niet is toegestaan onder de EU-sanctieregelgeving, dit recht wordt opgeschort totdat SBK niet langer is gesanctioneerd of SBK de benodigde ontheffing heeft verkregen om de aandelen of certificaten te kunnen verwerven;
Althans Fortenova c.s. te bevelen een of meer door de rechtbank in goede justitie te bepalen waarborgen te verstrekken aan SBK c.s. voor voldoening van hun vorderingen.

Voetnoten

1.Bijlage I van Verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014, betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen.
2.Rechtbank Amsterdam 6 september 2022 (ECLI:NL:RBAMS:2022:5466), gerechtshof Amsterdam 29 december 2022 (ECLI:NL:GHAMS:2022:3691).
3.Hoge Raad 21 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:922).
4.Hof van Justitie EU 12 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:187).
5.Gerechtshof Amsterdam (OK) 13 januari 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:54), Hoge Raad 19 april 2024 (ECLI:NL:HR:2024:631), rechtbank Amsterdam 27 juni 2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:7976), gerechtshof Amsterdam 25 november 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:3252), rechtbank Amsterdam 18 december 2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:8420), gerechtshof Amsterdam 5 juli 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:2454) en Hoge Raad 17 oktober 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1564).
6.Rechtbank Amsterdam 27 juni 2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:7976), r.o. 4.7.
7.Gerechtshof Amsterdam 25 november 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:3252).
8.Rechtbank Amsterdam 18 december 2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:8420), r.o. 4.7 en 4.15.
9.Gerechtshof Amsterdam 5 juli 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:2454), in stand gelaten na arrest Hoge Raad 17 oktober 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1564).
10.Rechtbank Amsterdam, 15 oktober 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:8366).
11.vgl.
12.Gerechtshof Amsterdam (OK) 31 oktober 2023 ECLI:NL:GHAMS:2023:2887 r.o. 4.4 en rechtbank Den Haag 21 februari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:2195, r.o. 4.8.
14.Artikel 2 lid 6 van Pro de Richtlijn 2009/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot wijziging van de Richtlijnen 77/91/EEG, 78/855/EEG en 82/891/EEG van de Raad en Richtlijn 2005/56/EG.
15.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).
16.Hoge Raad 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2465, r.o. 4.2.