Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5871

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/13/773850 / HA ZA 25-1378
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering op borg voor zakelijke kredietovereenkomst ondanks vernietigingsverweer echtgenote

Qred Bank AB verstrekte een krediet van €150.000 aan JPH Consult B.V., waarbij twee bestuurders zich borg stelden. Na betalingsachterstand eiste Qred Bank betaling van de hoofdsom, rente, incassokosten en beslagkosten. Eén borgsteller voerde verweer dat de borgovereenkomst vernietigd kon worden wegens ontbrekende toestemming van zijn echtgenote op grond van artikel 1:88 lid 1 BW Pro.

De rechtbank oordeelde dat toestemming niet vereist was omdat de borgstelling werd aangegaan door een bestuurder die samen met zijn medebestuurder de meerderheid van de aandelen hield en de kredietovereenkomst diende ter normale bedrijfsuitoefening. De vernietiging door de echtgenote was daarom niet rechtsgeldig.

De vordering werd toegewezen, met correctie op dubbele renteheffing. Ook werden buitengerechtelijke incassokosten, beslagkosten en proceskosten toegewezen. Het verweer dat het uitwinnen van borgtocht onaanvaardbaar zou zijn, werd verworpen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt JPH Consult en borgstellers tot betaling van de hoofdsom, rente, incassokosten, beslagkosten en proceskosten, waarbij de vernietiging van de borgovereenkomst wegens ontbrekende toestemming wordt verworpen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/773850 / HA ZA 25-1378
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
QRED BANK AB,
gevestigd te Stockholm (Zweden),
eisende partij,
hierna te noemen: Qeld,
advocaat: mr. G.T. Poot,
tegen

1.JPH CONSULT B.V.,

gevestigd te Velp,
niet verschenen,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 1] ,
niet verschenen,
3.
[gedaagde 3],
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M. Koelemeijer,
hierna te noemen: [gedaagde 3] ,
gedaagde partijen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de gelijkluidende dagvaardingen van 14 en 15 juli 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 14 januari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overlegging producties 4 en 5 aan de zijde van [gedaagde 3] ,
- de akte overlegging producties 12 t/m 15 aan de zijde van Qeld,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 april 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Qred Bank AB biedt in Nederland onder de handelsnaam Qeld Bedrijfsleningen online zakelijke financiering aan.
2.2.
Jph Consult B.V. (hierna jph) is een vennootschap op het gebied van gezondheidszorg en overige gezondheidsondersteunende diensten. [gedaagde 2] is sinds 2018 [functie] . [gedaagde 3] was samen met [gedaagde 2] van 11 januari 2019 tot 1 april 2025 [functie] en samen hadden zij in die periode indirect 100% van de aandelen in jph. Indirect, omdat [gedaagde 3] en [gedaagde 2] niet zelf [functie] of aandeelhouder waren; dat waren hun eigen tussengeschakelde BV’s.
2.3.
Op 22 juli 2024 hebben jph en Qeld een kredietovereenkomst gesloten waarbij Qeld een krediet van € 150.000,- aan jph heeft verstrekt. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben zich beiden borg gesteld voor de totale schuld van jph. In de borgovereenkomst staat dat Qeld een beroep kan doen op de borgtocht als jph een betalingsachterstand heeft van minimaal twee maanden, in gebreke is gesteld en de borg daarvan op de hoogte is gebracht.
2.4.
Op de kredietovereenkomst zijn de Algemene Voorwaarden voor Zakelijk Krediet van toepassing verklaard (hierna: de algemene voorwaarden). Hierin staat, voor zover hier van belang, het volgende:
“De Klant bevestigt dat het Krediet uitsluitend gebruikt zal worden voor doeleinden die zijn gerelateerd aan de normale activiteiten van de onderneming.”
2.5.
Vanaf 12 maart 2025 heeft Qeld geen betaling meer ontvangen van jph. Op 3 juni 2025 heeft Qeld de vordering van op dat moment € 113.149,94 bij jph opgeëist, tenzij jph alsnog binnen tien dagen aan haar betalingsverplichtingen zou voldoen. Vervolgens heeft Qeld de vordering op jph overgedragen aan een incassobureau, die jph heeft gesommeerd te betalen.
2.6.
Omdat jph niet betaalde heeft Qeld [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aangesproken als borg.
2.7.
Na daartoe verkregen verlof heeft Qeld conservatoir beslag laten leggen op onroerend goed van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .
2.8.
De echtgenote van [gedaagde 3] , [naam 1] (hierna: [naam 1] ), heeft per brief van 4 juli 2025 aan Qeld geschreven de borgovereenkomst tussen Qeld en [gedaagde 3] te vernietigen, omdat zij destijds voor het aangaan van die overeenkomst geen toestemming heeft verleend.

3.Het geschil

3.1.
Qeld vordert dat de rechtbank - samengevat - bij vonnis, uitvoer bij voorraad, gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:
een bedrag van € 113.149,94,- aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;
een bedrag van € 1.906,50 aan buitengerechtelijke incassokosten;
de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente;
de beslagkosten.
3.2.
Qeld legt aan haar vordering ten grondslag dat jph haar betalingsverplichting uit hoofde van de lening niet is nagekomen. Op grond van de algemene voorwaarden heeft Qeld daarom de lening bij jph opgeëist, en op grond van de borgovereenkomst heeft zij [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aangesproken als borg.
3.3.
[gedaagde 3] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Qeld, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Qeld in de kosten van deze procedure. [gedaagde 3] voert aan dat [naam 1] , voor het aangaan van de borgovereenkomst toestemming diende te verlenen op grond van artikel 1:88 lid 1 aanhef Pro en onder c BW. Omdat [naam 1] die toestemming niet heeft verleend, heeft zij per brief van 4 juli 2025 de borgovereenkomst buitengerechtelijk vernietigd. Om die reden is [gedaagde 3] jegens Qeld niet tot betaling verplicht.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vorderingen van Qeld zullen worden toegewezen. Dit wordt hieronder toegelicht.
Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.2.
Qeld is een rechtspersoon naar buitenlands recht en haar vordering heeft daarom een internationaal karakter. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of zij bevoegd is van de vordering kennis te nemen en of Nederlands recht van toepassing is.
4.3.
De Nederlandse rechter is bevoegd om te oordelen over deze zaak, omdat alle gedaagden woonplaats hebben, dan wel zijn gevestigd in Nederland. [1]
4.4.
Daarnaast is Nederlands recht van toepassing, omdat in de kredietovereenkomst een rechtskeuze is opgenomen voor Nederlands recht. [2]
De vordering tegen jph en [gedaagde 2]
4.5.
Jph en [gedaagde 2] zijn niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend. Aangezien [gedaagde 3] wel in het geding is verschenen, wordt dit vonnis op grond van het bepaalde in artikel 140 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) ook jegens jph en [gedaagde 2] als een vonnis op tegenspraak beschouwd.
4.6.
Artikel 139 Rv Pro bepaalt dat in geval van verstekverlening de vordering van eiser wordt toegewezen, tenzij deze de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Nu de vordering niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering tegen jph en [gedaagde 2] worden toegewezen, behalve dan een klein bedrag aan rente (zie 4.20).
De vordering tegen [gedaagde 3]
4.7.
In de procedure tegen [gedaagde 3] ligt de vraag voor of Qeld van [gedaagde 3] betaling kan vorderen op grond van de borgstelling. Gezien het verweer van [gedaagde 3] is daarbij het volgende van belang.
4.8.
Ingevolge artikel 1:88 lid 1 aanhef Pro en onder c BW behoeft een echtgenoot de toestemming van de andere echtgenoot voor overeenkomsten die ertoe strekken dat hij zich (voor zover hier van belang) als borg verbindt. Als een echtgenoot zich als borg heeft verbonden zonder toestemming van de andere echtgenoot, dan kan de andere echtgenoot die rechtshandeling vernietigen op grond van artikel 1:89 lid 1 BW Pro.
4.9.
Of [gedaagde 3] verplicht is tot betaling aan Qeld hangt dus af van de vraag of zijn verweer, dat [naam 1] de overeenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd, slaagt. Daarvoor dient eerst de vraag te worden beantwoord of [gedaagde 3] toestemming van [naam 1] nodig had. Qeld stelt zich op het standpunt dat toestemming niet was vereist, omdat [gedaagde 3] de overeenkomst is aangegaan ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf.
4.10.
Artikel 1:88 lid 5 BW Pro bevat namelijk een uitzondering op de regel van artikel 1:88 lid 1 aanhef Pro en onder c BW. Volgens de uitzondering is geen toestemming van de echtgenoot vereist indien (i) de rechtshandeling wordt verricht door een [functie] van een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt en (ii) de rechtshandeling geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap. De wetgever heeft hiermee een eenvoudige, doorzichtige regeling willen geven die de criteria bevat voor de gevallen waarin geen toestemming vereist is, namelijk voor die gevallen waarbij zowel de zeggenschap over als het financieel belang bij de vennootschap in handen is van de handelende echtgenoot [3] .
4.11.
De hoofdregel is dus dat de echtgenoot voor rechtshandelingen zoals een borgstelling toestemming van de andere echtgenoot nodig heeft. Omdat Qeld stelt dat er zich in dit geval uitzonderingen voordoen die maken dat de toestemming van de andere echtgenoot niet is vereist, is het aan haar om het bestaan van die uitzonderingen voldoende onderbouwd te stellen en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen.
Geen toestemming nodig
4.12.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde 3] zich borg heeft gesteld voor jph. Evenmin is in geschil dat [gedaagde 3] ten tijde van het aangaan van de borg indirect (namelijk via een eigen BV) [functie] van jph was en samen met [gedaagde 2] (ook indirect) alle aandelen in de vennootschap hield. [gedaagde 3] heeft weliswaar aangevoerd dat hij met 40% van de aandelen minderheidsaandeelhouder was, maar bij artikel 1:88 lid 5 BW Pro gaat het erom of hij samen met [gedaagde 2] op het moment van het aangaan van de borgovereenkomst het merendeel van de aandelen hield, en dat is door [gedaagde 3] niet betwist. Daarmee staat vast dat aan de eerste voorwaarde van artikel 1:88 lid 5 BW Pro is voldaan.
4.13.
De discussie tussen partijen splitst zich dan alleen nog toe op de vraag of aan de tweede voorwaarde, of de rechtshandeling is verricht ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf, is voldaan. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is de maatstaf voor toepasselijkheid van deze voorwaarde of de rechtshandeling waarvoor de zekerheid wordt verstrekt (in dit geval de kredietovereenkomst),
zelfbehoort tot de rechtshandelingen die ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van de vennootschap plegen te worden verricht. [4]
4.14.
De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Dit betekent dat [gedaagde 3] geen toestemming van [naam 1] nodig had. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
4.15.
Uit de door Qeld overgelegde stukken blijkt dat de onderhavige kredietovereenkomst de tiende is van een reeks waarvan de eerste is gesloten in 2019. Bij alle overeenkomsten heeft [gedaagde 3] zich borg gesteld. Uit de interne notities die Qeld heeft overgelegd kan worden afgeleid dat jph de leningen nodig had voor het aantrekken van kapitaal voor de normale bedrijfsvoering. Zo staat er in een notitie van 16 juni 2021:
“Loan for workcapital, liquiditeit”en in een notitie van 8 maart 2024:
“(…) is still growing and wants to invest more. Also received marketing from us. So that triggered them to apply. TO has grown. 2.5m over last year. Expects 3.5 this year. Is hiring more and more personnel. (…)”Qeld heeft verklaard dat deze laatste notitie ziet op de onderhavige kredietovereenkomst. Jph heeft toen eerst een aanvraag van € 200.000,- gedaan die is afgewezen. In de maanden die volgden heeft jph op verzoek van Qeld diverse financiële stukken opgestuurd, en vervolgens is Qeld in juli 2024 akkoord gegaan met het verstrekken van een krediet voor een bedrag van € 150.000,-. Dit valt allemaal terug te lezen in de interne notities. Verder heeft Qeld verwezen naar de algemene voorwaarden waarin staat dat de klant (dus jph) bevestigt dat het “
Krediet uitsluitend gebruikt zal worden voor doeleinden die zijn gerelateerd aan de normale activiteiten van de onderneming.”
[gedaagde 3] heeft verklaard dat hij de lening nodig had omdat jph in geldnood zat vanwege haar negatieve eigen vermogen en belastingschulden als gevolg van de nasleep van de coronapandemie, en dat het daarom niet ging om een geldlening in het kader van jph’s normale bedrijfsuitoefening. Gezien de gemotiveerde stellingen van Qeld had het echter op de weg van [gedaagde 3] gelegen om zijn standpunt te onderbouwen, bijvoorbeeld door het overleggen van stukken waaruit blijkt dat bij het aangaan van de lening iets bijzonders aan de hand was en er dus geen sprake was van een krediet voor de normale uitoefening van het bedrijf. Dit heeft hij niet gedaan. [gedaagde 3] heeft wel de interne notities van Qeld in twijfel getrokken, maar ook hier heeft hij zijn standpunt niet verder onderbouwd. De rechtbank ziet zelf geen aanleiding om te twijfelen aan de notities. Op grond van die notities, en de algemene voorwaarden, gaat de rechtbank ervan uit dat de leningsovereenkomst waar het hier om gaat een opvolgende lening was in een lange reeks van leningen voor de normale activiteiten van jph.
4.16.
Uit het voorgaande volgt dan ook dat de kredietovereenkomst moet worden gezien als een rechtshandeling die is verricht ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van jph. Dit betekent dat [gedaagde 3] geen toestemming van [naam 1] nodig had voor het aangaan van de borgovereenkomst, en dat zij de overeenkomst achteraf dus niet kon vernietigen. [gedaagde 3] is dan ook gebonden aan de borgovereenkomst.
4.17.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde 3] op grond van de borgstelling hoofdelijk verbonden is voor de betalingsverplichting van jph.
Uitwinnen borgtocht niet onaanvaardbaar
4.18.
[gedaagde 3] heeft op de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat het inroepen van de borgstelling door Qeld ten opzichte van hem naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ten eerste is [gedaagde 3] namelijk niet langer (indirect) [functie] en kan hij dus niet ervoor zorgen dat jph aan haar verplichtingen voldoet; ten tweede zou [gedaagde 2] hem vrijwaren voor aansprakelijkheid na zijn vertrek; ten derde heeft Qeld onvoldoende gedaan om jph aan te spreken, en feitelijk niets gedaan om de schuld op jph te verhalen; en ten vierde is [gedaagde 3] (en zijn inwonende familie) buitenproportioneel getroffen door het beslag op zijn te koop staande woning.
4.19.
De bovengenoemde omstandigheden maken niet dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Qeld zich nu – naast jph en [gedaagde 2] – ook tot [gedaagde 3] wendt. Het feit dat [gedaagde 3] niet langer (indirect) [functie] is en dat hij intern met [gedaagde 2] afspraken heeft gemaakt over vorderingen na zijn vertrek, is niet een omstandigheid die Qeld aangaat. Verder staat vast dat jph een betalingsachterstand had van minimaal twee maanden, in gebreke is gesteld om te betalen en dat Qeld vervolgens het openstaande kredietbedrag bij jph heeft opgeëist. Partijen hebben afgesproken dat Qeld zich in die situatie tot [gedaagde 3] als borg mag wenden en Qeld hoeft dus niet eerst eventueel andere zekerheden of vermogensbestanddelen van jph uit te winnen. Ten aanzien van het beslag heeft Qeld aangegeven open te staan voor een andere vorm van zekerheid. Al met al is dan ook geen sprake van omstandigheden die het onaanvaardbaar maken dat Qeld [gedaagde 3] als borg aanspreekt.
Dubbele rente niet toewijsbaar
4.20.
[gedaagde 3] heeft erop gewezen dat dubbele rente wordt gerekend: zowel de contractuele vertragingsrente als de handelsrente. Daarin heeft hij gelijk. Qeld vordert namelijk wettelijke handelsrente over de hoofdsom, waarin ook een bedrag van € 528,78 aan contractuele vertragingsrente zit. Zodoende zouden gedaagden bij toewijzing van het gevorderde ook wettelijke handelsrente over die contractuele rente moeten betalen, terwijl dat niet is overeengekomen. De rechtbank zal de wettelijke handelsrente dan ook toewijzen over (€ 113.149,94 min € 528,78 is) € 112.621,16, vanaf de dag van opeising, te weten 3 juni 2025.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.21.
Qeld vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat Qeld voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag van € 1.906,50 aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
Beslagkosten en proceskosten
4.22.
Qeld vordert gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro toewijsbaar voor zover het om [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gaat, omdat ten laste van hen beslag is gelegd. De beslagkosten worden op grond van de overgelegde beslagstukken tot op heden begroot op:
- deurwaardersexploten
898,22
- griffierecht
714,00
(1 rekest x tarief € 714,00)
- salaris advocaat
2.051,00
(1 punt × € 2.051,00)
Totaal
3.663,22,
‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬
4.23.
Jph, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Qeld worden begroot op:
- kosten van de dagvaardingen
440,32
- griffierecht
6.147,00
- salaris advocaat
2.051,00
(1 punt × € 2.051,00)
- nakosten
189,00
Totaal
8.827,32,
4.24.
Nu [gedaagde 3] als enige gedaagde is verschenen in de procedure, zal alleen [gedaagde 3] afzonderlijk worden veroordeeld in de proceskosten voor het salaris van de advocaat van Qeld voor de mondelinge behandeling. De kosten aan de zijde van Qeld worden hiervoor begroot op € 2.051,00 (1,0 punt × tarief € 2.051,00).
4.25.
De nakosten worden begroot en zijn net als de wettelijke rente over de proceskosten toewijsbaar op de wijze zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt jph, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk om aan Qeld te betalen een bedrag van € 113.149,94, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 112.621,16, met ingang van 3 juni 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt jph, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk om aan Qeld te betalen een bedrag van € 1.906,50 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 3.663,22,
5.4.
veroordeelt jph, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk in de proceskosten van € 8.827,32, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als jph, [gedaagde 2] of [gedaagde 3] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt jph, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de in 5.4 genoemde proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
veroordeelt [gedaagde 3] in de proceskosten van € 2.051,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.7.
veroordeelt [gedaagde 3] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de in 5.6 genoemde proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.R. Jöbsis, rechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.

Voetnoten

1.Zie artikel 4 lid 1 van Pro de Verordening (EU) nr. 1215/2012, Brussel I bis.
2.Zie artikel 3 lid 1 van Pro de Verordening (EG) nr. 593/2008, Rome I.
3.Vgl. Hoge raad 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1402
4.Vgl. Hoge Raad 14 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5526 en Hoge Raad 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:483.